Doorheen het oranje-rode Frankrijk, eerst met Dirk, daarna met Udo.

Ook dit worden tripjes, hoewel beperkt van duur en omvang, waar ik heel lang naar uitgezien heb, maar welke mij toch zekere moeite gekost hebben om aan te vangen. Ik heb de laatste 2 maanden al een paar pogingen gedaan om te reizen, wat in zekere mate gelukt is. Om echter ten volle te genieten en mij volledig in te leven in mijn rol als reiziger, moet ik het gevoel hebben dat ik mijn andere leven achtergelaten heb. Ik onthecht me van de luxe waarin ik gewoonlijk leef, en natuurlijk ook van alle plichten die die luxe in stand moeten houden, en ik kan dan weer leren genieten van de mooie kleine momenten die zich al dan niet spontaan aandienen.

 

De eerste trip.

Met Dirk heb ik in het verleden vele reizen gemaakt, zonder evenwel het verloop ervan in een dagboek of relaas te gieten. Vele van die reizen zijn echter wel vastgelegd in beeldmateriaal, ook reeds volledig gedigitaliseerd, maar nog niet gekoppeld aan deze blog.

Dirk kocht onlangs weer een motorfiets. Na een zevental jaar ‘anders reizen’ voelde hij het waarschijnlijk ook alweer jeuken, zij het dat die zeven jaar scheiding hem nu net omgekeerd terug met die oude liefde herenigde. Gezien het maar een lichte jeuk betrof is kaliber van de motor ook iets meer bescheiden dan de vorige.

 

Dag 1 (Zondag 8 augustus 2021):

Watervliet (B) – Vitry-le-Francois (F)

Om zeven uur stipt laat ik Watervliet achter mij. Ik passeer nog even langs de kleindochtertjes in Gent. Ze zijn vrolijk en lief, want straks gaan ze een weekje logeren bij oma, die blij is dat ik op reis ben, zodat ze haar aandacht kan verdelen over slechts twee kleuters in plaats van drie.

Om kwart over acht sta ik aan de deur van Dirk en Katelijne in Scheldewindeke. Na een koffie en een kleine hap verlaten we het nog rustig ontwakend dorpje, en nemen de snelweg om via Philippeville vlot de Franse grens te bereiken. Het is winderig en fris, en de extra kledij is zeker geen luxe. Een paar kleine regenbuien deren ons niet. De wegen zijn reeds tamelijk druk, en de keuze voor de snelweg dus een goed idee.

In Couvin maken we de eerste koffiestop. Goed beschermd achter glas, maar met een mooi uitzicht op het marktpleintje. Buiten op het terras zitten drie Waalse motards. Ze zijn blijkbaar nog niet even verkleumd van de kou als wij. Het cafeetje is binnenin opgefleurd met vele foto’s van Amerikaanse ‘Indianen’. Dit voert mijn gedachten even terug naar mijn reis doorheen Amerika in 2017. Het lieve dienstertje serveert per ongeluk een grote koffie in plaats van een kleine, en excuseert zich herhaaldelijk, ons verzekerend dat we toch maar een kleine hoeven te betalen.

Nog even terug de snelweg op tot in Frankrijk, en vervolgens start het krinkelen en kronkelen doorheen het zoete Frankrijk. Vanop de snelweg rijden we als het ware Rocroi binnen, een voormalig vestingstadje, waaromheen de omwallingen en muren, ontworpen door Vauban, nog zo goed als intact zijn. Binnen de muren ligt een mooi geplavuisd stadsplein, van waaruit stervormig een tiental straten uitwaaieren.

Smalle veld- en boswegels voeren ons nu verder zuidwaarts, tot in Signy l’Abbaye. Van de abdij is niets meer te bespeuren, die werd met de grond gelijk gemaakt na de Franse revolutie. Het dorpje heeft echter nog een mooi stadhuis, en lieflijke waterkanten langsheen de Vaux.

Na wat verder gereden te hebben is het ondertussen middag geworden en we nemen plaats op een stadsbank om onze picknick naar binnen te werken.

Valleien, bossen en uitgestrekte korenvelden volgen mekaar op. Hier en daar reeds een zonnebloemenveld. Net na Machault duikt een groot monument op: de Amerikanen bouwden op de Blanc Mont een memorial ter nagedachtenis van hun deelname aan WO1 in 1918. Het lijkt wel een grote graansilo.

Wat verder passeren we weer een memorial, ditmaal een ossuarium, dat het gebeente van 10.000 soldaten bevat, gesneuveld in de gevechten in de Marne tijdens de 1e wereldoorlog. Een fotootje nemen wordt lastig, want een man in rode T-shirt ontsiert de ganse site. Vreemd genoeg schijnt hij daar te staan wachten tot ook zijn gebeente rijp en bleek genoeg is om bij de rest gevoegd te worden.

20210808_143016

Langs kleine wegen omzeilen we de lastige passages door de steden. Omstreeks 18u zoeken we een hotelletje in Vitry-le-Francois en belanden  in hotel ‘Au Beau Sejour’.

Het hotel wordt opengehouden door een koppel 70-plussers. Ze willen het hotel overlaten, maar dit zal de gegeven omstandigheden heel lastig worden. De man excuseert zich voor het vuile tapijt in de gangen. Een maand terug is hier een druggebruiker op zijn hotelkamer in delier geraakt na een overdosis drugs. Al die vlekken zijn bloedvlekken afkomstig van de wonden die hij zichtzelf toebracht door herhaaldelijk met zijn zotte kop op de muren in te beuken.

We maken een wandeling doorheen het mooi verzorgde kleine stadje. De grote kathedraal lijkt eerst wat pompeus maar straalt toch een indrukwekkende rust uit overheen het grote centrale marktplein. De hele binnenstad is in dambordpatroon aangelegd, met aan de rand het mooie stadhuis, waarachter een groot park welke tot ons hotel reikt.

20210808_201721

In een kleine eettent vinden we nog een snelle hap, maar niets om over naar huis te schrijven. We wandelen nog even rond en zoeken de bedsponde op. De hotelbaas zit nog steeds in zijn bureautje achter plexiglas.

 

Dag 2 (Maandag 9 augustus 2021):

Vitry-le-Francois (F) – Parray-le-Monial (F)

Het is nog donker buiten wanneer ik wakker word na een goede nachtrust. Een koffietje zet mijn geest op scherp, en ik vat vol moed de blog aan. Ik heb even werk om het verslag in te passen in het hoofdmenu en vervolgens online te zetten.

Op TV worden de nieuwe coronamaatregelen die vandaag van kracht worden sterk in de verf gezet. Je hebt op vele openbare plaatsen een vaccinatiepas nodig. Geen zorg voor ons. We zijn gevaccineerd én hebben de pas.

Het is ondertussen 7u gepasseerd en ik moet mij dringend klaarmaken voor het ontbijt. We gaan naar beneden en vinden een lege ontbijtzaal. Alles staat echter klaar voor een Frans ontbijt: stokbrood, croissants, chocoladekoeken, zoet beleg en koffie in soepbekers.

Bij het laden van de moto’s word ik omzwermd door kleine agressieve mugjes. Ik smeer mij snel in met muggenmelk maar het is al te laat. Naast onze moto´s staan nog twee andere zware BMW’s.

We vertrekken onmiddellijk zuidwaarts onder een stralend blauwe hemel met slechts een weinig hoge bewolking. Het is nog fris. We zitten hier op de grens tussen Champagne en Bourgogne, en rijden langsheen wijngaarden en producenten van champagne en cremant. Naarmate we zuidwaarts rijden wordt de hemel alweer wat grijzer met toch een licht dreigend tintje. De temperatuur wordt wel snel aangenamer.

In Brienne-le-Chateau staat een mooi barok kasteel op een rots aan de rand van het stadje. Het herbergt momenteel een psychiatrisch centrum, en lijkt volledig ontoegankelijk en afgesloten.

Wat verder gaan we op zoek naar een brommerzaakje, waar Dirk de ketting van zijn motor kan laten smeren. Dan nog wat inkopen voor de picknick.

Op een terrasje nemen we een koffie. Onze COVID-pas wordt gescand en goedgekeurd.

Het is toch alweer een verplaatsingsdag. Rustige landwegen wisselen af met lieflijk rustige dorpjes, waar doorheen we soms kleine rondjes draaien. Hier en daar stappen we even af. Rond de middag passeren we even langs de mooie abdij van Fontenay, welke we reeds vroeger eens bezochten.

20210809_123302

Montbard, Saulieu. Mooie dorpje Sully, met drie kerken. 2 vrouwtjes

De agglomeratie van Montcenis/Le Creusot is moeilijk te doorkruisen. We passeren er een enorme Michelin fabriek. In een drukke bocht houden we toch even halt voor een koffie geserveerd door een norse urk.

Ook Monceau-les-Mines is te mijden. De ganse regio doet mij denken aan sommige vroegere Waalse mijnregio’s.

In Perrecy-les-Forges komen we weer wat op adem, zij het dat Dirk die adem wel hard nodig heeft om met het thuisfront te overleggen hoe daar een stroompanne moet aangepakt worden die de ganse dag geduurd heeft. We bezoeken de mooie Romaanse kerk behorend bij een priorij.

20210809_172609

Het is al 17u gepasseerd en ik boek een hotelletje in Parray-le Monial, een halfuurtje verderop: “Les trois pigeons”. Het hotel is gelegen pal in het centrum, zodat we ’s avonds de stad nog kunnen bezoeken, en ondertussen wat kunnen gaan eten.

20210809_194441

 

Dag 3 (Dinsdag 10 augustus 2021):

Parray-le-Monial (F) – Le Brugeron (F)

Ondanks het harde bed heb ik toch zeer goed geslapen. Er was buiten geen lawaai te horen.

Ik rommel maar wat aan, drink een koffie, werk wat op mijn laptopke, en sta vandaag wel mooi op tijd klaar om te gaan ontbijten.

Het ontbijt is uitgebreid, gevarieerd en lekker.

Na het afrekenen verlaten we Parray en nemen de grote weg naar Anzy-le-Duc. Hier is alweer een mooie priorij te bezichtigen, althans deels, evenals de bijhorende kerk.

20210810_092255

Dit alles in een mooi rustig dorpje, waar we ook nog een echte warme bakker vinden, en dan zelfs nog een authentiek en warm Frans brood.

In Montaiguet-en-Foreze stappen we alweer af voor de bezichtiging van een mooie oude stadspoort.

20210810_101428

Een landelijke weg voert ons naar La Pacaudière, waar we westwaarts de bergen van het Massif Central induiken. De ruige natuur slokt ons op en brengt ons naar La Loge des Gardes, op meer dan duizend meter hoogte. In feite is dit hier een skioord, althans de infrastructuur is er nog wel, en de sneeuw wordt natuurlijker steeds schaarser.

20210810_120024

We wandelen wat bergop tot aan het ruime terras en nemen een koffie, beschermd door een klein parasolletje van Ola.

Dan weer de moto op, op zoek naar een hotelletje waar we 2 nachten kunnen blijven.

15u: La Vie en Rose. In het restaurant is men net bezig de lunch aan het afwerken. Ik vraag naar de beschikbaarheid van 2 kamers voor 2 nachten, en na wat gemopper lukt dit nog ook, althans deels, want ze tovert zowaar een suite met twee aparte slaapkamers en gedeelde badkamer uit haar hoed. De kamers moeten echter nog opgemaakt worden, en dát was vermoedelijk de reden van haar ongenoegen.

We stappen weer op de motor en rijden naar de Col du Béal, de hoogste col uit de buurt op 1390 meter. We doen het heel voorzichtig aan, want er is net grint gestrooid op de weg, en dat is nog niet vastgereden. We passeren de boomgrens, en zien al de hoogste top van de regio opduiken: de Pierre sur Haute, op 1634 meter. Er is een toren en een communicatiemast te zien.

Aan de top van de col is er een restaurant met terras, waar we ons met veel geluk onmiddellijk kunnen installeren onder één van de schaarse parasolletjes. Van hieruit hebben we een mooi zicht op de berg en de rustige drukte, nu en dan onderbroken door het lawaai van enkele quad’s. Mensen komen af en aan. De meesten beperken zich net zoals wij tot het aanschouwen van de steile helling naar boven. Er is een weg van meer dan 5 kilometer tot de top, maar het is een militaire weg, en enkel  toegankelijk voor voetgangers en fietsers.

Terug in het dorpje wandelen we nog even om en rond en in de kerk, en zakken dan af naar het hotel. We brengen de bagage naar boven, verfrissen ons, en vatten dan een boswandeling aan. Het eerste stuk daalt af tot aan een wild klaterend riviertje met wat verder zowaar een echt watervalletje.

De terugweg duurt wat langer en gaat natuurlijk weer bergop, maar is langer en minder steil, en geasfalteerd. In het parkje naast het hotel rusten we wat uit op een bankje, en slaan een koppel gade met een kleine camper. Ze reizen samen met een kat en een grote hond, die ze beide keurig aan de leiband houden.

Het avondmaal is eenvoudig: een slaatje, gevolgd door een varkenspoot voor Dirk en een eendenbil voor mij.

20210810_210124

 

Dag 4 (Woensdag 11 augustus 2021):

Le Brugeron (F) – Le Brugeron (F)

Vanaf 6 uur hoor ik nu en dan een stille auto passeren. Vermoedelijk bergaf. De nacht was lang en verkwikkend. Het bed is goed.

Ik sta op en zet mij aan het werk. Het wordt heel zachtjes licht buiten. Er wordt weer mooi weer voorspeld. Ik werk mijn steeds minderende mails af, evenals het verslag. Om 7 uur hoor ik Dirk rommelen, en ga mij ook klaarmaken.

Het ontbijt is op zijn Frans, redelijk uitgebreid, met zelfs fruit en yoghurt.

We halen de motoren uit de garage en zetten aan. De eerste stop is in Olliergues. We bezoeken een kleine burcht met binnenkoer op een hoge rots midden in dorp. Eigenlijk is het dorp rondom de burcht ontstaan met een kerkje aan de voet van de rots.

20210811_103656

Op het marktplein is altijd wel iets te beleven: een motard, volledig warm ingeduffeld, is aan het sukkelen met een fles olie die uitgelopen is. Hij zal wel nog even werk hebben.

20210811_105024

We rijden dan verder, over de rivier Dore, en vervolgens onder de spoorweg door. Ik maak nog even halt voor een foto van een mooi oud stationsgebouweke.

20210811_110121

De streek is erg groen, wat betekent dat we het treffen met het weer. Er zijn grote hoogteverschillen.

In Cunhlat is het net markt. We stappen af en lopen wat rond. Het is al warm, en we installeren ons op een terrasje voor een koffie met uitzicht op het marktgebeuren.

20210811_120029

Nog een etappe verder in Sauxillanges picknicken we in een rustig parkje op een lommerrijke bank. Terwijl Dirk op uilenjacht gaat ruim ik wat op en sla de mensen gade die hier hun hond uitlaten, en anderen die de festiviteiten van volgend weekend voorbereiden. Het is al bijna dertig graden. Aan de hemel valt geen enkel wolkje te bespeuren.

Dan weer de moto op.

Net voor Issoire, in Parentignat, is er een statig kasteel dat het ganse kleine dorpscentrum domineert.

20210811_142911

In Issoires zoeken we een parkeerplaatsje in de schaduw, rechtover de kerk, en bergen we de jassen in de motorkoffers op. De helmen gaan aan de ketting. De kathedraal is erg mooi met beschilderde zuilen en plafonds, een mooi koor, en een crypte met rondgang.

20210811_145627

We wandelen verder doorheen de kleine stadskern, en stoppen dan even voor een  verwenkoffie met ijs. Van hieruit hebben we een mooi zicht op een statige horlogetoren, opgetrokken in zwart basalt.

20210811_154652

We vervolgen onze toer door dit mooie stadje en komen terug uit aan de imposante achterkant van de kerk.

20210811_160426

Na het stadsbezoek stappen we nog een motozaakje binnen voor kettingvetspray. In de grote toonzaal staan tientallen kleine terreinmoto’s en quad’s.

De terugweg verloopt grotendeels langs andere wegen, langs St Dier d’Auvergne, de stuwdam en hydro-elektrische centrale van Sauviat.

Het avondmaal nemen we weer in het hotel.

 

Dag 5 (Donderdag 12 augustus 2021):

Le Brugeron (F) – Saint-Privat d’Allier (F)

Lang geslapen en dus onmiddellijk alles moeten klaarmaken om te gaan ontbijten en straks te vertrekken, want het wordt terug een verplaatsingsdag, weliswaar niet te ver, maar toch naar het zuiden en iets westwaarts, om de drukte om en rond de Ardèche te vermijden.

Na een goed ontbijt, mét yoghurt als afsluiter, laden we de motoren, rekenen we af, en laten we ‘La Vie en Rose’ achter ons, richting Ambert. Daar gaan we tanken: benzine voor de moto, en brood, worst en kaas voor de inwendige mens.

We verlaten algauw de grote weg, en rijden door het ‘platteland, van de Haute-Loire, met zijn bergen, dalen, bossen, velden, en lieflijke dorpjes, het een al meer dan het andere. Allègre trekt onze aandacht van ver, met de imposante restanten van een mooie burcht, hoog torenend boven een zich langzaam inslapend voormalig stadje.

20210812_111014

We stappen af en volgen de hoofdstraat naar de hooggelegen burcht.

20210812_112642

De lange hoofdstraat telt vele tientallen winkeltjes, of beter, voormalige winkeltjes, want bijna alle zijn ze verlaten, of omgevormd in eenvoudige woningen.

20210812_112241

Zelfs toeristen zijn hier geleidelijk aan weggebleven. Geen enkel restaurantje of terrasje meer. De koffie moet dus wachten.

Toch gelukkig nog een restantje uit vervlogen tijden: een oude Vedette, in prachtige staat.

 

20210812_112800

Maar de koffiestop komt er dan toch. In Fix-Saint-Geneys zien we in een zijstraatje een rustig terrasje. We slaan het komende en gaande volk wat gaande. Aan het tafeltje naast ons komt een koppel motards zitten, man en vrouw op een zware BMW vlaggenschip. Een kleine blonde vrouw in een zware Nissan Navarra pick-up probeert haar auto te keren op straat. De zware auto kreunt en kraakt, valt stil, gaat naar voor en naar achteren. Zou Boerjantje hier ook nog verre familie hebben? De bazin van het café en de vrouw van de motard hebben er hun plezier in:´Naturellement une femme!’, zegt de ene, ‘Et naturellement blonde!’, zegt de andere. Ik kijk even verwonderd op, verrast door zulke boude uitspraken, en zie dat beide vrouwen ook blond of geblondeerd zijn, en dat eigenspot hen dus blijkbaar niet vreemd zijn.

We stappen de motoren weer op en slaan algauw weer af naar het westen, het drukke verkeer achter ons latend, en de bergen tegemoet. We rijden over een mooie bergrug met prachtige vergezichten aan beide zijden, tientallen kilometers ver.

20210812_124804

De bergen in het westen zijn in feite oude vulkanen, onherkenbaar door een weelderige begroeiing. In de dorpjes echter kun je er niet naast kijken: de natuursteen is niets minder dan het gesmolten lavagesteente. Ook de vlakkere gedeelten van het landschap zijn ingenomen door vruchtbare akkers, waar de boeren zich haasten om de aangekondigde onweders te snel af te zijn. En die onweders zijn inderdaad op komst. Dat was deze morgen reeds te zien aan de waas die rond de bergen in de horizon hangt, en de zware bewolking die zich hier en daar geleidelijk vormt.

Ondertussen hebben we weer gepicknickt, en hebben we ons nadien geïnstalleerd op een ommuurde terrasje in een onooglijk klein dorpje. We hebbeb uitzicht op een typisch huisje opgettrokken in zwarte basalt.

20210812_150814De praatgrage bejaarde bazin serveert ons een koffie met een fris glas water erbij. Binnen in haar restaurantje zijn enkele stielmannen in de basaltstenen haard een enorm spit aan het installeren, wat niet zonder slag of stoot gaat, want de vulkaansteen is heel hard te doorboren. Ze vraagt van waar we zijn, en voelt zich met ons verbonden, gezien ze uit de regio Pas-de-Calais afkomstig is, en pas na vele omzwervingen hier beland is. Ze lijkt mij hier toch niet met haar volledige goesting te wonen, maar nu te oud om weer te veranderen.

We zien in de verte de eerste regengordijnen, gelukkig nog ver genoeg en erg plaatselijk. We stappen terug op de motoren, en vinden al heel gauw twee comfortabele kamers in een klein oud hotelletje wat verderop, Le Vieux Auberge. Terwijl we ons wat verfrissen begint het zacht te druppelen, maar niet voor lange tijd.

Uiteindelijk hebben we de drukte niet echt kunnen vermijden, want we zitten hier in Saint-Privat d’Allier, op een van de eerste pleisterplaatsen op de Camino de Compostela, vertrekkend vanuit Le Puy-en-Velaye. Het is evenwel een ander publiek: de mensen zien er goedgemutst uit en nog vol goede moed en voornemens, en zijn eerder achteraan dan vooraan of rondom rond beladen. Terwijl ik dit schrijf zit ik met mijn laptopje aan een terrastafeltje net aan de rand van de weg, die momenteel nog druk bereden wordt. Dirk is even zijn Iphone gaan opladen, omdat die na amper 10 uur reeds telkens leeg loopt.

20210812_171612

Het is redelijk fris, het waait nogal en kan elk moment weer beginnen onweren, en wanneer Dirk beneden komt, ga ik mijn fleece halen, en gaan we op stap naar de oude burcht op de rots aan de rand van het dorp.

20210812_173103

Dit was vroeger de kern van het dorp: een enorme burcht en een mooie Romaanse kerk op een hoge rots, en daaromheen eenvoudige huisjes langsheen de steile straatjes.

20210812_173602

In de kerk kun je je boekje afstempelen om te bewijzen dat je deze etappe volbracht hebt.

20210812_174220

We zitten hier in half pension, en gaan om zeven uur aanschuiven in de afgescheiden eetzaal, die al snel volloopt. De maaltijd is eenvoudig en lekker, en ditmaal mét een toetje!

Nadien gaan we nog even wandelen tot het te donker wordt, en trekken we ons terug in onze kamers.

 

Dag 6 (Vrijdag 13 augustus 2021):

Saint-Privat d’Allier (F) - Saint-Privat d’Allier (F)

Ondanks de ligging aan de hoofdweg was er deze nacht niets van het verkeer te horen. De straten liggen er nog nat bij. Het moet deze nacht nog wat geregend hebben. Toch is de hemel aan het opklaren.

De ontbijtzaal loopt snel vol, en het koffieapparaat kan niet volgen. De meeste gasten zijn van rijpere leeftijd. Een uitgeteerd ogende man laat plots zijn vrouw alleen en gaat buiten een kankerstokje opsteken. Nat het ontbijt controleer ik even de motor, die de nacht buiten heeft doorgebracht. Het oliepeil is nog ruim voldoende. Dirk smeert de ketting van zijn motor. Vervolgens weer naar boven, en dan nog een uurtje op het terrasje voor het hotel de voorbijgangers gadeslaan, plannen maken voor vandaag, en mijn verslag aanvullen. Den uitgeteerden blijkt een motard te zijn. Hij stapt op zijn Ducati: Zijn madam zwiert zich soepel op de duozit, en ze verdwijnen snel uit het zicht.

Dirk is zijn ochtendgymnastiek aan het doen, midden op straat. Enkele mensen bekijken hem met een scheef oog. Vervolgens gaat hij proviand inslaan in het bakkerijtje verderop.

We kunnen nu vertrekken voor een tocht doorheen de bergen van de Margeride. We rijden zuidwestwaarts. Een groot wit beeld trekt van ver mijn aandacht. Een kleine aardeweg leidt ons tot aan de voet van het beeld: La Notre Dame de Gévaudan. Het beeld werd opgericht als dank voor de bescherming van het dorp Saugues tijdens de 2e wereldoorlog. Overmorgen wordt hier in open lucht een mis opgedragen.

20210813_104222

 

In La Clauze stoppen we even om een bijzondere achtzijdige toren te bezichtigen, een restant van een vroegere burcht of graanschuur?  Dit gehucht bevindt zich op de via Podiensis, die vanuit le Puy en Velay vertrekt en naar Santiago de Compostela leidt. Er lopen hier dan ook alweer heel wat caminards rond, waarvan zelfs een gezinnetje met een kind op een ezeltje.

20210813_110651

Via le Pas de l’Ane op bijna 1500 meter steken we de bergkam van de Margeride over en belanden zo in de Lozère, een ander departement.

We rijden tot MalzieuVille, en stappen af. Dit stadje heeft nog een goed bewaarde ommuurde stadskern, en er zijn net wat historische festiviteiten in voorbereiding. Een doedelzakspeler laat enkele noten  schallen over het kleine marktpleintje. De reste van het stadje lijkt eerder doods, behalve aan de rand waar de horeca gevestigd is. Het is dan ook warm, en regelmatige rust en hydratatie is dan ook aan de orde, vooral voor mensen die de middelbare leeftijd al voorbij zijn.

20210813_123358

Het kost wat moeite om de juiste weg te vinden om het stadje te verlaten, maar het lukt ons toch om de juiste weg te vinden tot in Lajo, waar we picknicken en even uitrusten. Met het warme weer duikt ook een van de mooiste geneugten op van het motorrijden: allerhande heerlijke (en soms een minder heerlijke) geuren die we opsnuiven bij onze passages langsheen weiden, bossen, velden, pas gemaaid of niet. In Covid-tijden, en op onze leeftijd, heeft dit geurenfestijn nog een extra voordeel. Het bewijst dat je geen COVID hebt, én dat dementie nog niet om de hoek loert.

St-Alban-s-Limagnole is een dorpje waar bovenop een rots een oud kasteel staat met ernaast een hospitaal. Ik bezoek het kasteel met mooie binnenkoer. Er is net een tentoonstelling van natuurfoto´s van de bergregio.

20210813_144631

In St-Amans houden we nog een laatste keer halt vooraleer de terugweg naar het hotel aan te vatten.

Ditmaal steken we de Margeride over langs de Col du Cheval Mort op bijna 1500m.

20210813_155901

Dan rijden we langsheen de Chapeauroux, eerst een beekje van nauwelijks twee meter breed, maar steeds bredere en dieper wordend naarmate we verder rijden. Ondanks de hitte is de rit erg genietbaar.

Dan volgen we de Ance, met enkele kleine stuwdammetjes, tot die zich dan wat verder stort in de Allier, een zijrivier van de Loire.

Het is bijna 18u wanneer we het hotel bereiken. Na het avondmaal gaan we nog wat wandelen en zoeken dan onze kamer op bij het invallen van de duisternis.

 

Dag 7 (Zaterdag 14 augustus 2021):

Saint-Privat d’Allier (F) - Saulieu (F)

Een warme dag kondigt zich aan. We vatten vandaag zachtjes de terugweg aan, langs kleine wegen, waar we vermoedelijk weinig zullen merken van dit beruchte zwarte weekend.

We zijn de eersten in de ontbijtzaal. Het lijkt vandaag minder druk in het hotel, of lijkt dat enkel zo en zijn ze allen aan het uitslapen? Dirk is wat onrustig, want hij is zijn zonnebril kwijt, die hij hard nodig heeft bij dit zonnig weer. Gelukkig heeft de patron hem gisteravond gevonden en veilig opzij gelegd. We laten het ontbijt ons smaken, ik reken ons verblijf af met de patron, en we verlaten met enige spijt dit goede adresje.

Dit redelijk vroege uur is het best om met de moto te rijden: nog niet te veel verkeer, en een aangename temperatuur. We volgen min of meer de heenweg terug noordwaarts. Toch zie ik nu weer nieuwe landschappen, is het een heel andere ervaring. In Ambert gaan we weer tanken en mondvoorraad opslaan. Soms een leuk weerzien of herinnering. Zo is ook de olievlek nog zichtbaar in Olliergues op de plaats waar die motard een kapotte oliefles uit zijn bagage haalde.

Maar ook wij ontsnappen niet aan een groot malheur! Net voorbij Noirétable nemen we een koffie bij Marcel Blanc in het onooglijk dorpje Les Salles. Marcel ziet er wat sullig uit, maar blijkt toch een ondernemer van formaat, gezien hij het huis ernaast opkocht en volledig renoveerde om zijn huidige zaak van bar, bakkerij en gokkantoor in onder te brengen. De verhuis is gepland voor oktober. Bij het wegrijden beperkt de motor van Dirk zich echter tot wat pruttelen. Na een aantal keer proberen lukt het uiteindelijk toch, en hervatten we de route. Niet voor lang echter, want ik zie Dirk in mijnen retroviseur heftig zwaaien. Hij is nu ook nog zijn telefoon kwijt. Gevallen? Achtergelaten op het terrasje? We rijden terug, maar de GSM ligt niet in het cafeetje. Plots ziet hij de telefoon aan zijn voeten liggen, vermoedelijk van tussen zijn kleren gevallen, nu hij afgestapt is.

Doorheen les Monts de la Madeleine langsheen de Besbre kronkelen we doorheen het ene na het andere kleine dorpje tot in Lapalisse. Zowel Lapalisse als het volgende stadje Jaligny-sur-Besbre hebben een mooi kasteeltje, waarvan we in onze passage slechts een glimp opvangen.

In een klein dorpje proberen we een kloostertje van meer nabij te bekijken. Het bevindt zich boven op een rots, met ernaast een kerk, een marktpleintje, een gemeentehuis en enkele huizen. Het dorp heeft zich nu neerwaarts sterk uitgebreid, terwijl het enorme klooster afgesloten is, en aan een triestige aftakeling wordt overgelaten.

Uiteindelijk bereiken we rond 17u Saulieu, waar we naar een hotel op zoek gaan. We hebben geluk. Het juffertje van de toeristische dienst heeft in een mum twee kamers opgesnord, wat niet evident is in dit drukke toeristische weekend. De moto’s mogen we in de garage zetten. Het dakkamertje is heel klein, maar biedt het nodige comfort, met toilet, lavabo en douche.

Om 19u gaat het restaurant open. Nadien kan ik Dirk zover krijgen om het stadje nog eens te bezoeken.

20210814_203512

Het gaat aanvankelijk gemakkelijker dan gedacht, want de straat loopt naar beneden. De terugkeer is iets lastiger, maar die inspanning garandeert een snelle en deugddoende nachtrust.

 

Dag 8 (Zondag 15 augustus 2021):

Saulieu (F) – Watervliet (B)

Wanneer ik ’s morgens in de ontbijtzaal kom is Dirk druk in gesprek met de andere hotelganger die we gisteren ook reeds zagen. We vertrekken een hal uurtje vroeger dan de andere dagen, en kunnen wat langer genieten van de ochtendfriste.

Op deze zondagvoormiddag is het moeilijk een cafeetje te vinden, maar uiteindelijk vinden we er toch een aan een drukke weg in Lusigny sur Barse. We ontsnappen aan de drukte van Troyes door er ver genoeg ten oosten van te blijven, rijden door onmetelijke graanvelden, en passeren langs Dampierre, met haar mooie grote kasteel. Of dit kasteel enig verband houdt met onze vroegere graaf van Vlaanderen weet ik niet, maar dit kasteel is in elk geval van veel recentere datum. Het is afgesloten en geeft een verwaarloosde indruk.

20210815_120702

Even verder, in de buurt van Songy picknicken we in de lommer onder de lindebomen. Er zijn veel muggen, en een ervan heeft mij direct als picknick uitgekozen en bijna leeggezogen. Gelukkig heb ik muggenmelk bij, en het blijft bij deze ene prik, die mij wel een serieuze plaatselijke zwelling oplevert.

Naarmate de dag vordert, en we meer noordelijk komen, neemt de wind en de koelte toe, hetgeen de rit wel wat draaglijker maakt. In Rocroi houden we om 17u even halt. Gezien het morgen gaat regenen, en er veel lastiger verkeer te verwachten is, besluiten we toch ineens door te rijden naar huis. We bereiken Scheldewindeke om 19u, en vervolgens rij ik zelf verder naar Watervliet, waar ik omstreeks 8u30 behouden toekom.

Hiermee komt een einde aan een mooi reisje, doorheen een land dat dag op dag roder kleurt door toename van het aantal COVID-besmettingen, maar waar we hebben kunnen ervaren dat de meeste mensen het helemaal niet nauw nemen met de geldende richtlijnen.

 

20210814_203327

 

 

En vervolgens de tweede trip met Udo.

 

Dag 1 (Dinsdag 24 augustus 2021):

Watervliet (B) – Toul (F)

Ik vertrek thuis pas omstreeks 8u. Ik ben niet haastig, want heb met Udo pas om 13u afgesproken in Bastogne. Eerst nog een tussenstopje bij mijn dochter Joke en haar pasgeboren zoontje.

Het is mooi weer. Ik neem de snelweg tot net voorbij Namen, en vervolgens de oude steenweg naar Luxemburg. Onderweg hou ik halt voor een kleine picknick. Reeds rond 12u30 bereik ik het drukke marktplein van Bastogne, waar voortdurend auto’s rondjes draaien om een parkeerplaatsje te bemachtigen. Er zijn ook veel motards. Het is nog volop vakantie

Wat later komt ook Udo aanzetten, en we installeren ons op het terrasje waar ik 23 jaar terug ook eens een pauze hield op weg naar Tsjechië.

Pas om 14u30 rijden we weer verder. We tanken in Martelange, wat net aan de grens met Luxemburg ligt, en waar de Luxemburgse zijde van de steenweg bezaaid is met een 15-tal tankstations. Ze verkopen hun benzine allemaal voor dezelfde prijs, welke niet veel lager is dan deze in België.

We rijden omheen Arlon, en belanden in een mooi stukje Belgisch Lotharingen. Het ene kleine dorpje en weggetje volgen elkaar op. Plots is de weg afgesloten: er ligt een boom over de weg. Met man, vrouw, en macht, en vooral de hulp van een auto met kabel, wordt de boom opzij getrokken, en kunnen we er langs.

Even verder, nog geen vijf minuten later, is de weg alweer geblokkeerd, ditmaal wegens de aanleg van een nieuwe brug, en moeten we eerst terug, en dan nog een hele eind omrijden.

In Toul houden we het voor bekeken, en gaan op zoek naar een hotel. Hotel ABC heeft geen eigen parking, en ligt aan een druk pleintje dat morgenvroeg wegens de markt totaal afgesloten is. Hotel Europe is dan weer dubbel zo duur en ver van het centrum. In hotel Villa Lorraine hebben we prijs: in het centrum, rustig gelegen, én met privé parking voor de motoren.

Ik breng al een deel van mijn bagage naar boven, in kamer 12, ga de motor parkeren en kom terug met de rest van de bagage in mijn kamer. Plots zie ik daar nog een rugzak en een reistas staan, maar niet van mij. Ik zit in de verkeerde kamer! En ja, ik kreeg de sleutel mee van kamer 12-Bis (om niet te zeggen 13). Ik haal er mijn eigen bagage snel weg, ga naar beneden om de juiste sleutel, en betrek dan de juiste kamer 12. De andere reizigers hebben vermoedelijk nooit geweten dat een vreemde hun kamer binnengedrongen was.

Hoewel best mooi en gezellig is dit niet echt een toeristenstadje. We vinden niet zo direct een mooi restaurantje, en gaan dan maar eten bij de chinees, wat uiteindelijk redelijk goed bevalt. Eerst een slaatje, en dan eend met rijst op een bedje van sojascheuten, en dit alles ruim bemeten. Een lekkere Dame Blanche sluit het geheel af.

Plots herinner ik mij dat het hotel sluit om 21u, en ik zoek naar het papiertje met de code om binnen te raken. Natuurlijk onvindbaar. Dat heb ik uitgehaald bij het geharrewar met de kamernummers, en niet weer in mijn tasje gestoken. Het is nog maar net negen uur, en ik haast mij naar het hotel terwijl Udo afrekent. Natuurlijk is het hotel gesloten, en de bediende reeds naar huis. Tegenwoordig hebben vele hotels geen nachtpermanentie meer. Gelukkig komen even later enkele andere gasten toe en ik glip opgelucht mee naar binnen, terwijl Udo daar net ook aankomt.

En zo is het elke dag wel wat… Dat belooft…

 

Dag 2 (Woensdag 25 augustus 2021):

Toul (F) – Annecy (F)

Goed geslapen, maar vroeg wakker wegens te warm, en dat dan natuurlijk wegens teveel gegeten.

Toch ga ik na een half uurtje weer slapen om dan om 6u30 op te staan.

Na wat getwijfel of dit een nieuwe blog zou worden of een verderzetting van deze welke ik voor 14 dagen startte wordt dit gemakshalve een verderzetting.

Na het ontbijt gaan we de motoren laden, en geven de sleutels af aan de receptie. Het is inderdaad markt, en we zitten gelukkig nét buiten de drukke afgezette marktzone. We verlaten het mooi ommuurde Toul en rijden onmiddellijk het groene Frankrijk weer in langsheen een mooi kronkelende Moezel ten zuidoosten van de stad. Wat verder rijden we omheen de zwaar beveiligde en gecamoufleerde legerbasis met luchthaven van Ochey, verboden te fotograferen.

Dan doorheen de velden en langsheen het mooie oude Mirecourt, ooit nog wel een bezoekje van meer nabij waard.

Vesoul is een wespennest, goed om even te gaan winkelen of te tanken, maar anders beter ruim te omzeilen, tenzij je toch even een bezoekje wil brengen aan dit bijzondere stadje, dat zich gevormd heeft rondom een groen beboste heuvel, met bovenop een hoog uittorend kerkje, van heel ver zichtbaar.

Na een koffiestop moeten we even terugrijden, want Udo liet er per ongeluk zijn rugzak achter. Gelukkig merkte hij dit op na nog geen 5 kilometer.

Langsheen Dole gaat het vlot, evenals Lons-le-Saunier. We rijden gestaag voort, want we willen aan de voet van de Alpen komen te staan deze avond.

Orgelet is heel mooi, ook een stopje waard bij een volgende reis. We rijden overheen de brug over de Lac de Vouglans en daarna tussen twee hoge rotsen de Jura binnen, met zelfs even de hoge Jura vanaf Oyonnax. De kronkelende bergwegen geven ons een voorproefje van wat ons de komende dagen te wachten staat. Eens de Jura voorbij gaat het moeizaam omwille van wegenwerken en de nabijheid van Génève.

We bereiken uiteindelijk Annecy en vinden vlot ons hotel: het Centre Jean XXIII, een voormalig nonnenklooster omgevormd tot hotel. Het gebouw is tamelijk nieuw, modern, en kraaknet. Zeker een adresje om te onthouden. We gaan ´s avonds eten in Casa Nostra, een kilometertje verderop, en doen ons tegoed aan een lekkere écht Italiaanse pizza. Een dessert is echt niet meer nodig om de maaltijd af te werken, tot teleurstelling van de ober, maar de stevige wandeling terug en bergop  is meer dan welkom.

 

Dag 3 (Donderdag 26 augustus 2021):

Annecy (F) – Villar d’Arène (F)

Bij het ontbijt valt pas op hoeveel mensen de weg naar dit hotel gevonden hebben. Niet verwonderlijk, het is goedkoop, rustig, proper, én, mét uitzicht! En dat laatste is dan ook het beste wat het ontbijt te bieden heeft, tenminste als je een tafeltje aan het raam weet te bemachtigen, wat mij net lukt, want ik installeer mij snel terwijl een ganse file staat te wachten aan een tergend trage koffiemachine.

Vandaag rijden we de Route des Grandes Alpes! Een aaneenrijging van cols, beklimmingen en afdalingen.

We starten in Le Grand Bornand, een onooglijk klein dorpje op 950m hoogte, en rijden dan verder naar La Cluzas, op 1050m. Vanaf hier trekken we over de 1486 m hoge Col des Aravis naar Flumet, op 900 m hoogte. Vervolgens de Col des Saisies op 1633 m hoogte, en dan terug afdalend naar Beaufort, op 720 m hoogte. We rijden langs uitgestrekte alpenweiden waar volop melkkoeien rondlopen, met hier en daar een chalet verborgen tussen de dennen, en passeren enkele kleinere mondaine skioorden.

Wat verder nemen we de Col de Meraillet, alweer op meer dan 1600 meter, naast het grote stuwmeer van Roselend, vernoemd naar het dorpje Roselend, dat moest wijken (=verdrinken) voor het stuwmeer. We rijden hier noordwaarts omheen en vatten dan de beklimming aan van de Cormet de Roselend, op bijna 2000 meter. Dit stuk van de route eindigt dan weer in Bourg-Saint-Maurice, in de vallei van de Isère.

Vanaf hier rijden we het Parc National de la Vanoise in, een prachtig natuurgebied dat in Italië overloopt in het Italiaanse nationale park Gran Paradiso.

Val d’Isère is het eindpunt van de vallei. Hier gaat het weer snel omhoog, over de Col de l’Iseran op bijna 2800 meter, tot in de vallei van de Arc, die we even blijven volgen op de Route Napoleon, langsheen Aussois, Lanslebourg-Mont-Cenis en Modane, tot in Saint-Michel-de-Maurienne, waar we weer de bergen zuidwaarts opklimmen via een aantal lastige haarspeldbochten van de col du Telegraphe.

In Valloire is er een drukte van jewelste met een 4X4, Paris-Dakar, en camper evenement, dat heel wat volk en auto’s aangelokt heeft, en waardoor de overnachtingsmogelijkheden in de ganse regio erg beperkt zijn. Ondanks het reeds ietwat latere uur worden we aldus verplicht om toch nog even verder te rijden, over de Collet du Plan Nicolas, en vervolgens over de Col du Galibier, een van de koninginnenritten van de Route des Grandes Alpes.

De Col du Galibier is de mythische bergpas die regelmatig als hoogste passage van de Tour de France dienstdoet, en vooral indrukwekkend is omwille van de mooie omgeving, nog eens geaccentueerd door de warmrode avondzon. De pas is gelegen op 2646 m hoogte en ligt tussen de Arvan-Villards en Cerces massieven, met uitzicht over de bergtoppen in de omgeving en het Parc National des Écrins in de verte.

Even raak ik Udo kwijt, wanneer hij na de overtocht van de col nog even de tunnel induikt, om er dan een kwartier later weer uit te komen. Hij had gedacht dat ik hem zou volgen, wat ik niet gedaan had precies om hem niet kwijt te raken.

We rijden verder zuidwaarts, nog even over de Col du Lautaret, en eindigen de dag in Vilar d’Arène, aan de westkant van de Col du Lautaret.

Ons hotel is le Gite des Melèzes, waar we vriendelijk ontvangen worden in een eeuwenoude herberg met zware gewelven, en vervolgens gespijsd en gelaafd worden. Het dagmenu ‘andouillette’ lijkt ons niet erg aantrekkelijk, maar wel een grote salade met ‘chèvre chaud et gisiers’. Een dessert kan er alweer echt niet meer bij.

Het is ondertussen reeds pikdonker buiten, en we maken nog een wandeling doorheen de wirwar van kleine donkere straatjes. Gelukkig zijn we warm gekleed, want we bevinden ons hier op 1500 meter hoogte. En dat is ook te merken aan de ijle lucht, die ons bij de minste beklimming een hijgende adem bezorgt.

 

Dag 4 (Vrijdag 27 augustus 2021):

Villar d’Arène (F) - St-Martin de Vesubie (F)

Terwijl ik de blog afwerk, hoor ik de klok van het kerkje zeven uur slaan. Het is een klein klokje, en maakt gelukkig niet teveel lawaai. We nemen een klein Frans ontbijtje, en vatten de weg aan, weer over de Col du Lautaret op iets meer dan 2000 meter. Er is reeds redelijk wat verkeer, vooral fietsers. Meestal afgetrainde mannen, die deze beklimming maandenlang voorbereid hebben. Elke gram die je hier op de fiets naar boven moet meesleuren is teveel. Voor motorijders ligt dit anders, hoewel de lichaamsbouw soms wel bepaalt op welk type motor je nog past.

In Briancon stappen we van de motor en bezoeken het oude vestingstadje. Briancon is de hoogst gelegen stad van Frankrijk op meer dan 1300 meter. De vestingmuren zijn nog intact, evenals de binnenstad met hoge huizen en smalle donkere straatjes. De ziel is er evenwel grotendeels uit. Heden ten dage bezoeken de mensen liever meubelboulevards en ruime zonnige terrassen.

Via een klein kronkelend straatje steil naar beneden verlaten we al gauw de stad en stijgen al snel weer, over de Col d’Izoard op 2300 meter. Die ligt aan de rand van de Queyras, een wild en ruig gebied, met steile bergwanden vol gruis en puntige rotsen. We stoppen in Arvieux om het ros even te laten rusten. Het is immers reeds middag geworden, en we trakteren onszelf op een koffie, vergezeld van een warme rabarbercompote, bedekt door een dun laagje crumble. Heel lekker.

Wat verder slaan we links af, om een kleine route te nemen doorheen het Regionale Park van de Queyras, over de Col Tronchet. We rijden doorheen een prachtige bijna ongerepte vallei. De weg wordt erg smal, en wordt uiteindelijk een gravel spoor. Hoewel het op de kaart als doorgankelijk vermeld staat, keren we toch terug. Met deze zware machines willen we geen risico’s nemen. Maar het was een omweggetje meer dan waard !

Dan maar over de Col de Vars, langsheen de Refuge Napoleon, en vervolgens naar de Col de la Bonette. Als ik al dacht dat de Col du Galibier de mooiste col was, moet ik hier mijn mening toch herzien. De weg klimt heel hoog, met nog een lusje tot 2800 meter, de hoogste weg in Europa. Helemaal bovenaan echter is een kruispunt, is er helemaal geen plaats om te parkeren, en staat zelfs een politieman om iedereen voort te jagen en aldus het kruispunt vrij te houden. Geen file dus, maar ook geen fotoshoot. Gelukkig nog de helmcamera. Eventjes hebben we toch het gevoel gehad bovenop de bergtop te staan. Achteraf heb ik in de gaten dat ik het lusje tot het allerhoogste punt gemist heb.

Het laatste nationale park dat we op de Route des Grandes Alpes aan doen is het Mercantour Nationaal Park, gelegen rondom een van de meest zuidelijk gelegen bergmassieven van de Alpen. Maar na al die bochtjes, beklimmingen en afdalingen laat de vermoeidheid zich al voelen.

Plots lijken we wel in een droge rivierbedding beland. De oevers zijn weggespoeld, evenals de oorspronkelijke weg en vele huizen aan de oevers. Halve huizen staan op instorten, en een prachtige hoge villa op een klif overweegt ook ernstig om zelfmoord te plegen. Doorheen deze rotsen en keienstraat belanden we dan toch in het iets hoger gelegen stadscentrum van St-Martin de Vesubie, waar ogenschijnlijk alles zijn normale gangetje gaat. Het is al halfvijf, tijd voor de koffie dus, en een mooi patisserietje lonkt en lokt: ´La Petite Suisse’, tegelijk ook de naam van deze regio. Ik krijg hier te horen dat de stad vorig jaar begin oktober zwaar getroffen werd door een plotse vloed en stijging van de rivier Vesubie, met een enorme ravage tot gevolg.

De bewolking neemt toe en het begint zelfs wat te druppelen. Tijd om een hotelletje te zoeken. Dat blijkt niet eenvoudig, want het hoogseizoen is in deze regio nog niet voorbij! Ik vraag aan de patron-patissier of hij geen goed adresje kent om te overnachten, en jawel, even later nemen we onze intrek aan de andere kant van het stadsparkje, in La Bonne Auberge.

Het is nog vroeg, en we hebben ruim de tijd om nog een grote wandeling te maken. Het is een mooi stadje met heel nauwe steile straatjes. Midden de straat loopt een gootje met daarin een snellopend ´riviertje’ van 15 cm breed. Aan de rand van het stadje wat verderop worden we geconfronteerd met de gevolgen van de ramp van vorig jaar, en zijn we ineens ook ongewild ramptoeristen.

Na een eenvoudige maaltijd zoek ik mijn bed op en val gauw in slaap, ondanks de luidruchtige kamerburen en het luide feest dat wat verder in aan de gang is.

 

Dag 5 (Zaterdag 28 augustus 2021):

St-Martin de Vesubie (F) – Lurisia (I)

Deze morgen verlaten we het hotel zonder ontbijt, maar gaan onmiddellijk naar ‘La Petite Suisse’ voor een koffie met croissant, én, met uitzicht op de kleine boerenmarkt. Het is zaterdagmorgen en nog redelijk rustig. We blijven er zowat een uurtje zitten, en vatten om 9u onze route zuidwaarts aan.

Vanuit Saint-Martin-Vésubie gaan we richting Sospel, op 350 m hoogte, via de 1604 m hoge Col de Turini. Daarna rijden we via de 728 m hoge Col de Castillon door naar Menton, aan de Middellandse Zee. We volgen een mooie route tot aan de kust, en nemen de tijd om enkele filmkes te maken. De Middellandse Zee betekent het einde van de klassieke Route des Grandes Alpes, en we sluiten dit af met een terrasje op de strandboulevard, en een kleine hap.

Udo gaat zelfs nog even pootje baden, in volle motoroutfit, en bij bijna 30 graden.

We zetten de weg dan verder oostwaarts tot in Ventimiglia, in Italië, en hopen zo via de Italiaanse Alpen Naar het Noorden te kunnen rijden. Eens de stadsdrukte voorbij komen de rustige Italiaanse bergdorpje er aan, lieflijk in een dal, of schijnbaar onbereikbaar boven tegen een rotswand gekleefd, met toch een totaal ander karakter dan aan de Franse zijde.

In Pigna krijgen we in de gaten dat deze vallei doodloopt, waardoor we wat moeten terugrijden, en dan de Monte Baraccone moeten oversteken via een heel smal, erg steil en kronkelend asfaltweggetje. Een hele beleving!

In Trucco zitten we dan op de juiste weg, die echter weer Frankrijk binnenloopt opnieuw richting Italië. Op de koop toe begint het even later te regenen.

Ook deze vallei heeft vorig jaar erg te lijden gehad van overstromingen, en er zijn overal wegenwerken, rode lichten, en noodwegen bestaande uit grind. Voor ons niet echt een probleem, maar met onze mooie zware motoren is het toch extra opletten geblazen.

De regen laten we al gauw achter ons. Wat verder staan we voor een roodlicht, en dat blijft maar duren. Is het defect? Uiteindelijk zijn we het wachten beu, en rijden we toch door; met de motoren kun je zo nodig altijd snel uitwijken.

De werken aan de weg en aan de rivier hebben het toerisme en een groot deel van het economisch leven hier lam gelegd. De dorpjes geven een doodse indruk. Voorbij Tende krijgen we in de gaten dat de tunnel naar Italië ook al afgesloten is. Ik bevraag een paar plaatselijke bewoners hoe het precies zit. De ene vertelt dat we over de pas kunnen, dat er heel wat fietsers en motorijders overheen gaan. Een vrouw zegt dat we een toelatingspas nodig hebben. Dat is voor ons geen probleem! We hebben onze EU-COVID-pas altijd grijpensklaar.

Net voor de tunnel is er inderdaad de oude weg naar boven, geasfalteerd, maar in zeer slechte staat. ‘Les 24 lacets’ blijken er uiteindelijk 24 dubbele te zijn, en bovendien  wel erg lastig, steil en scherp. Aan een fietser en vervolgens een motorijder, komende vanuit Italië vraag ik voor alle zekerheid of de weg te doen is, wat telkens bevestigend beantwoord wordt. Een half uurtje later staan we bovenaan de col, op 1870 meter, met uitzicht op beide landen. Er staan veel auto’s geparkeerd, maar voor de meesten is dit een eindpunt, en geen overgangsroute. Een enorm oud versleten fort staat wat verder te vergaan. Vanaf hier loopt een mooie Italiaanse asfaltbaan rustig kronkelend naar beneden.

Het is hier redelijk koud, het is ondertussen halfvijf, en we zijn wat vermoeid. Dus gaan we op zoek naar een mooi warm terrasje voor een laatste koffie.

Een hotelletje zoeken lijkt nog niet zo eenvoudig. Alles lijkt volgeboekt of gewoon gesloten. Dan toch maar booking.com proberen, en met succes. We moeten wel een eindje weer de baan op, maar zoeken en bot vangen kost meer tijd. Even voor we het hotel bereiken, is de weg volledig afgesloten. Een Italiaan stop, stapt uit, en biedt vriendelijk om ons voor te rijden doorheen de wirwar van straatjes in een leuk druk stadje. Even later zitten we weer op de goede weg en nog vijf minuten later sta ik aan de receptie van hotel Topazio in Lurisia. Dit is een oud thermaal hotel, noch bijzonder van architectuur, noch bijzonder qua uitstraling. De receptioniste is een Poolse. Ik weet niet hoe ze hier verzeild is geraakt, maar ze is erg gedienstig. De kamers zijn versleten maar proper, groot, en erg gerieflijk. Prijs/kwaliteit waarschijnlijk het beste van de ganse reis. Er zijn bijna geen gasten, en de lage prijs volstaat vermoedelijk niet om de vaste kosten te dekken. ’s Avonds nemen we het diner in het hotel. Het is niets bijzonders, maar het smaakt, en is ruim voldoende.

We blijven nog wat door keuvelen, en gaan dan om tien uur slapen. Morgen gaan we elk weer onze eigen gang, Udo richting Trente, ikzelf terug naar het zonnige Frankrijk, want in Oostenrijk en Duitsland wordt regen voorspeld.

 

Dag 6 (Zondag 29 augustus 2021):

Lurisia (I) – Valdrome (F)

Dit hotel is duidelijk een aflopend verhaal, maar doet zijn best de gasten goed te verzorgen. Het uitgebreid ontbijt illustreert dit nogmaals, hoewel ik mij beperk, om straks fit genoeg te blijven voor een rit terug naar Frankrijk, helemaal over de Alpen heen.

Udo en ik nemen afscheid, en gaan elk onze eigen weg.

Mijn route gaat eerst langsheen Cuneo, en dan verder westwaarts. Het is gemakkelijk te rijden, en geleidelijk aan worden route en dorpjes mooier en interessanter. Er is slechts beperkt verkeer op deze zondagvoormiddag, maar dat verandert toch wat bij het naderen van de grens bovenop de Colle del Agnello op bijna 2800 meter, alweer een der hoogste van Europa. Vanaf hier gaat het steeds bergaf tot aan Mont-Dauphin, een Vauban vesting. Ik zet de motor op de grote parking buiten de vesting en ga de site verkennen. Binnenin is een waar dorp gebouwd. Of is de vesting eerder rond het dorp gebouwd? Er zijn toch wel wat bezoekers, misschien ook mensen die hun eentonige en lastige verplaatsing even willen afwisselen met een interessante en gezonde wandeling.

Savines-le-Lac is een mondain oord gelegen aan de Lac de Serre-Poncon. Ik kan het niet snel genoeg achter mij laten, hoewel het meer zelf best mooi en indrukwekkend is. Ik bevind mij nu op een grote Nationale weg, en gelukkig is het vanaf Gap opnieuw rustig rijden. Over de Col de Cabre beland ik in Le Diois, de streek rond Die, ten zuiden van de Vercors. Het is net vijf uur, tijd om te bekomen en onderdak te zoeken voor de nacht.

Hotels zijn hier niet dik gezaaid, en zelfs een Chambre d’Hôte blijkt niet vanzelfsprekend. Uiteindelijk vind ik toch een gite in Valdrome, op bijna 100m hoogte.

Ik wordt verwend met een lekkere spaghetti.

De zomer is zo goed als voorbij; de dagen korten snel en de avonden zijn fris. Een wandeling alleen in het donker zie ik niet meer zitten.

 

Dag 7 (Maandag 30 augustus 2021):

Valdrome (F) - Pont-de-Poitte (F)

Wanneer ik wakker word voel ik duidelijk dat ook in mijn kamer de nachtelijke kou toch binnengedrongen is. Ik kleed mij warm aan, rommel wat aan, maak een voorlopig verslag van de afgelopen dagen, en ga daarna een warme douche nemen.

Om halfacht kan ik gaan ontbijten. De jonge mensen die dit zaakje runnen sedert juni van dit jaar doen hun best om mij het naar mijn zin te maken. Het ontbijt is eenvoudig maar toch erg verzorgd

Ik tracht mij zo goed mogelijk in te duffelen, en dat blijkt geen overbodige luxe, want buiten is het nog fris en vochtig. Ik doorkruis noordwaarts een prachtige streek.

Het stadje Die blijkt heel mooi, en bovendien zo dicht bij, en toch zo vergeten door al die toeristen die via Lyon naar het Zuiden rijden. Vanaf hier noordwaarts begint de Vercors, en passeer ik meerdere dorpjes waarvan de naam ‘-en-Vercors’ duidelijk maakt dat het tot deze regio behoort, bekend omwille van het sterke verzet tijdens de 2e wereldoorlog.

Ik rij over de Col du Rousset, meer dan 1200m hoog, tussen twee rotsmassieven. Grote wolken hangen rond de bergtoppen, wat mooie mooie vergezichten oplevert. Een fietser vraagt mij een foto van hem te nemen. Wat noordelijker, nog steeds in de Vercors, volg ik de Route des Ecouges, langsheen een mooie canyon en vervolgens doorheen heel bijzondere tunnel, lang en nauw, waar men elkaar enkel kan kruisen in zogenaamde ‘garages’, waar de tunnel telkens iets breder uitgehouwen is. De ganse voormiddagrit is een hele ervaring. en dat blijft zo tot St-Gervais.

Op een rustig bankje in een klein stadje hou ik even halt om te picknicken.

Dan volgt een lastig stukje verkeer tot in het massief van de Chartreuse, mooi om te rijden, maar nog ooit eens te verkennen, want ik heb zeker niet de mooiste route genomen.

Voorbij Oyonax volg ik de Lac de Vouglans aan de westkant tot in Orgelet, waar ik nog even met de motor dwars doorheen rij. Het stadje heeft wel wat, maar geeft een eerder doodse indruk. Ik hoop dat dit ooit nog verandert. Behalve een duur en onaantrekkelijk hotel vind ik hier geen onderkomen, en ik rij een tiental kilometer verder tot Hotel de l’Ain in Pont-de-Poitte.

Na een kleine wandeling bestel ik een grote lekkere salade in het restaurant van het hotel. Het is er druk, en het personeel weet niet waar eerst te springen.

 

Dag 8 (Dinsdag 31 augustus 2021):

Pont-de-Poitte (F) – Verdun (F)

Ik ontbijt op de kamer, met een koek welke ik over had van gisteren. Ik hou wel van een mooi en uitgebreid ontbijt, maar goed ontbijten is in Frankrijk niet zomaar een evidentie, en alvast bijna nooit in overeenstemming met hetgeen je ervoor betaalt.

Het is alweer koud, en dat zal de hele dag zo blijven. Niet getreurd echter, want het is droog, en prachtig motorweer.

In een klein dorpje zie ik een motard voorovergebogen naast zijn Harley Davidson staan. Rond de motor liggen op de grond allerlei spullen. Ik maak halt en vraag of hij hulp nodig heeft. Het is een Duitser, en hij heeft geen problemen, maar is enkel wat olie aan het bijvullen. Hij is op weg naar de Côte d’Azur.

Ikzelf zet mijn weg verder doorheen de Bourgogne, en vervolgens Lotharingen.

Via booking.com heb ik voorlopig mijn zinnen gezet op Hotel des Colombes, maar niet gereserveerd. Eerst eens poolshoogte nemen, en dan pas beslissen. Het hotel valt wel mee, oud maar onderhouden, én, met een grote ondergrondse garage waar de motor veilig staat.

 

Dag 9 (Woensdag 1 september 2021):

Verdun (F) – Watervliet(B)

Het ontbijt wordt ontluisterd door de aanwezigheid van een nogal verlopen vijftiger op blote voeten, die eerst storend loopt te fluiten, dan zijn ongenoegen uit over de TV die aanstaat, en vervolgens voortdurend luidop raaskalt, al dan niet tegen een denkbeeldig? persoon aan de andere kant van de lijn van zijn GSM.

Vandaag doorkruis ik het vaak groezelige Noorden van Frankrijk, maar ben toch aangenaam verrast over Stenay, Mouzon en Sedan, die zeker een toekomstig nader bezoek van mij mogen verwachten. De streek heeft een honderdtal jaar geleden toch een grote welvaart gekend, getuige de mooie gebouwen, welke nu geleidelijk aan toch weer in hun oude glorie hersteld worden. Ik passeer uiteindelijk langs Rocroi, evenwel zonder het centrum binnen te rijden, en neem onmiddellijk de snelweg richting Charleroi, zodat ik omstreeks 13u terug aanklop bij mijn dochter en de 3 kleinkinderen, waarvan de oudste haar eerste schooldag op de lagere school heeft doorgebracht, en mij nu trots haar agenda en haar boekentas toont.

Wat later in Watervliet wordt mijn thuiskomst gevierd met wafels en een lekker ijsje met caramel én chocolade.

Voorlopig zit mijn zomer-reisseizoen er op. Een staartje komt er enkel nog indien het najaar niet volledig opgeslorpt wordt door uitstapjes met Christien of door slecht weer.