DEEL 5 – VERWEGGISTAN vanaf Dushanbe

Vijf landen: Turkmenistan, Oezbekistan, Tadjikistan, Kirgistan, Kazachstan. Allen ontlenen ze hun specifieke identiteit en structuur aan wat hen destijds door de Sovjetunie werd opgelegd. Deze structuur, evenals hun natuurlijke rijkdommen, zorgden ervoor dat de chaos na de onafhankelijkheid beperkt bleef. Ze beseffen meer en meer dat overleg en samenwerking hun toekomst, welke ligt in de heropleving van de ‘Zijderoute’, zal verzekeren.

De komende weken zullen vermoedelijk alweer in redelijke verwarring verlopen. We staan voor een groot deel in het ongewisse waar we zullen slapen, wat we zullen eten, en of en hoe we zullen kunnen communiceren met de buitenwereld of het thuisfront.

 

 

Dag 85 (Zaterdag 22 juni 2019):

Seven Lakes (TJ) – Dushanbe (TJ)

Ik hoor heel in de verte toch een hond blaffen. Ik word zacht wakker na een goede nacht. Het is nog maar 4u, maar ik heb toch zeven uur geslapen. Ik blijf nog wat liggen tot zes uur, wanneer ik de metsers hoor aankomen, en dan sta ik op. Ik verlaat de kamer en installeer mij aan de tafel in de gang en voeg wat foto’s toe aan de blog.

Niet zo veel later staat ook Frits op en we beginnen ons echt klaar te maken voor de trip naar Dushanbe, de hoofdstad van Tajikistan. Jumaboy, de eigenaar van dit guesthouse is zijn patatten aan het bewateren. Hiervoor graaft hij vanaf het irrigatiekanaaltje een nieuw geultje, en aldra stroomt het water tussen de patatten. Hij toont mij fier zijn tomatenplantjes, die al een twintig cm hoog staan. Zijn zestienjarige zoon heeft het ontbijt klaargezet. Hij weet perfect wat wij willen.

Na het ontbijt ga ik Jumaboy betalen. Jumaboy betekent ‘vrijdag’. Hij is geboren op een vrijdag, en zo genoemd naar de gelijknamige persoon in Robinson Crusoé. We babbelen wat, ik vraag hem hoe zijn gezin in elkaar zit. Hij heeft vijf zonen, waarvan er vier momenteel in Rusland gaan werken zijn, en de jongste thuis het guesthouse helpt runnen. Hij heeft ook twee dochters, waarvan de jongste tien jaar is. Plots staat hij recht en neemt mij mee naar zijn huis. Daar ligt een meisje van tien op een bed: ze is verlamd vanaf het middel, blind en mentaal gehandicapt na een val toen ze één jaar oud was. Ze hoort wel, maar of dát haar uitzichtloze situatie enigszins verbetert… ?

We nemen afscheid van iedereen en rijden weg, dalend dit maar. De terugweg lijkt mij veel langer dan de heenweg, maar we komen er probleemloos doorheen, hoewel de weg hier en daar nog nat en modderig ligt. De motoren zien er al weer erg betaterd uit. Onderweg zien we de camper staan van het Brits-Spaanse koppel, aan de rand van het derde meer. We stoppen even. Ze zijn met het grote gevaarte van 25 jaar oud niet meer verder durven gaan. Het was al lastig genoeg om hier te geraken. Nu valt het mij op dat de zeldzame wegwijzers ook aanduidingen in het Chinees bevatten. De Chinezen zitten hier dus ook. Ze hebben zelf weinig grondstoffen, en moeten die elders in de wereld uit de grond zien te krijgen om die enorme productie en uitvoer naar de ganse wereld te kunnen handhaven.

De weg van Pensjikent naar Dushanbe loopt langsheen een brede kolkende rivier, bruin van de meegevoerde modder. De bergen rondom rijzen steil de hoogte in. Het is prachtig rijden op een uitstekende weg. Er is niet te veel verkeer, en het is niet te warm, zodat we redelijk ontspannen vlot vooruit geraken. Het gaat steeds hoger tot rond 2500 meter. Even komen we in een klein onweertje terecht, zonder veel erg, maar we drogen al snel weer op. Wat verder mogen we een hele reeks tunnels verwachten, waarvan de langste ongeveer 5 kilometer. Hier heb ik mij nu op voorzien: ik monteer de krachtige LED-straler op de motor, trek mijn windbrekerke aan, en we duiken even later de ene na de ander tunnel in en weer uit. De tegenliggers, meestal vrachtwagens, knipperen omdat mijn straler hen verblindt, maar zij verblinden mij ook, en ik rij maar op twee wielen. Gelukkig is het wegdek in de tunnels in zeer goede staat, en zijn de tunnels erg breed, zodat we er ongeschonden doorheen raken, om dan vervolgens de lange zachte afdaling naar Dushanbe te maken.

We rijden opnieuw langs een grote bruin kolkende rivier, welke steeds meer omzoomd wordt door huizen, en vervolgens door villa´s, restaurants, terrasjes, hotels, en door nog duurdere villa´s met hoge omheiningen. Hier komen de gegoeden uit Dushanbe vermoedelijk weekends en vakanties doorbrengen. Tajikistan is een erg arm land, en het aantal auto´s, zelfs in de hoofdstad is eerder beperkt. Files zijn hier quasi onbestaand. We bereiken vlot onze eindbestemming rond 15u: het Green House Hostel. We checken in, maar blijkt dat ik pas geboekt had vanaf morgen. We zijn een dag te vroeg. Gelukkig is er nog een kamer vrij, en zullen we hier dus gewoon een dagje langer blijven, maar in comfortabeler omstandigheden ditmaal, en met meer mogelijkheden om eens wat anders te eten.

Nu eerst een koffie. Er is een keuken waar iedereen zelf wat eten kan bereiden en er is altijd koffie en thee. Ik haal mijn voorraad soldatenkoeken uit, en wat later bekomen we op de binnenplaats van het hostel, dat nu al aardig vol staat met motoren en fietsen.

Dan afladen, opruimen, douchen, wat babbelen met andere reizigers, whatsappen…

´s Avonds trekken we er op uit om eens iets anders te gaan eten.

Frits heeft een Turks restaurant op het oog, maar bij aankomst blijkt dat dit reeds drie maadmen gesloten is en vervangen door … een Oezbeeks. Nu, daar hebben we wel even genoeg van, en stappen even verder een soort kantine binnen, waar we frietjes, kip en sla eten. Niets bijzonders, maar wel voldoende lekker.

We hebben weer internetverbinding, en dus contact met Udo en Dirk-Jan. Zij zitten sedert gisteravond in Kokand, in Uzbekistan, en komen morgen naar Dushanbe.

En nu naar bed, want het was al een lange dag.

 

Dag 86 (Zondag 23 juni 2019):

Vrije dag in Dushanbe (TJ)

Een harde matras op een gewone plank. Niets voor mij, en dus weinig geslapen, maar toch redelijk uitgerust. Ik sta stilletjes op, verzamel mijn spullen, en sluip stil naar beneden. In de keuken is er reeds bedrijvigheid. De nachtwachter, een vriendelijke Rus, toont mij waar de wasmachines staan en hoe ik ze in gang kan steken. Binnen een uurtje zal mijn witte was proper zijn.

Het ontbijt wordt dan geserveerd: een mooi paardenoog op een bedje van vette gebakken ajuin. Dat is iets te veel van het goede, en even later krijg ik een gewoon dubbel paardenoog geserveerd. Er zit ook een Zuid-Koreaans koppel met hun oudste dochter aan de ontbijttafel. Heel geklappige mensen, alle drie. De dochter studeert in Londen.

Dan eerst naar Aziz, die een motorzaak runt op een steenworp van ons hostel. Dit is het toeristenseizoen, en hij werkt de ganse dag door, elke dag in de week. We spreken met hem af dat we straks langskomen om het balhoofdlager van Frits’ motor te laten vervangen, en ondertussen de olie van beide motoren te verversen.

We keren terug naar het hotel, verwijderen de beschermplaat onderaan de motoren, en gaan eerst naar een autowasplaats, om de motoren wat properder te krijgen vooraleer er aan te werken. Een half uurtje later staan beide motoren proper opgeblonken, en brengen we ze naar de werkplaats van motoren er juist naast.

Het kost Aziz heel wat moeite om het oude lager te verwijderen, maar uiteindelijk lukt het toch. Hij wordt in zijn werk voortdurend onderbroken door andere motorrijders die langskomen en de ene of andere raad of onderdeel nodig hebben. Een paar motards zijn zelf aan hun motor aan het knutselen op de binnenkoer, en mogen zijn gereedschap gebruiken, waarvoor hij dan een vergoeding vraagt.

Uiteindelijk geraakt het nieuwe lager er dan toch op, wordt ook nog een nieuwe achterband gemonteerd op Frits’ motor, en de olie van beide motoren ververst. Ondertussen staan daar buiten nog een viertal nieuwe klanten te wachten op zijn hulp. Aziz zal hier nog wel bezig blijven tot een gat in de nacht. We betalen en rijden terug naar het hotel. Het is ondertussen vier uur geworden. We drinken een koffie met een koekje, en wachten tot Udo en Dirkjan er aan komen.

Net wanneer ik eens naar mijn vader wil telefoneren, komen daar Udo en Dirkjan aan. Ik telefoneer eerst, terwijl Udo en Dirkjan al hun relaas doen aan Frits. Ze hebben een lange maar vlotte verplaatsing achter de rug. Ze verfrissen zich eerst en vervolgens gaan we eten, want we hebben allen een reuzehonger. Op zoek naar een Turks restaurant, passeren we voorbij een mooi Italiaans restaurantje dat net de deuren geopend heeft. De ober is een heel jonge man die redelijk wat Engels spreekt. Hij is heel voorkomend, iets té zelfs. We krijgen een lekker diner voorgeschoteld en zijn allemaal voldaan. De ober zegt dat hij later naar Amerika wil en bij de Navy wil gaan. Hij is één van de vele jonge mensen die dromen van een mooi en vruchtbaar leven in het buitenland. Dromen is een mooi begin, en het is ook al leuk.

Het wordt  bijna elf uur wanneer ik mij ter ruste kan leggen.

 

Dag 87 (Maandag 24 juni 2019):

Vrije dag in Dushanbe (TJ)

Het is hier vroeg licht, al vanaf vijf uur. De temperatuur buiten is dan ook erg aangenaam. Kortom, het mooiste deel van de dag, en dan blijf je toch niet in je bed? Ik installeer mij beneden op de binnenplaats en ruim de rommel op welke de jonge gasten hier gisteravond hebben achter gelaten. Er komt al gauw wat bedrijvigheid: de vrouwen die poetsen en in de keuken werken lopen hier ook dra rond. Ik zag ze niet binnenkomen; wonen ze hier ook, of is er een achteringang? Er ligt hier ook een achtergelaten zakje met nectarines. Ik spoel er enkele af in de keuken en speel ze naar binnen. Dan nog een licht koffietje, en de dag is goed ingezet.

Het heeft vannacht licht geregend, of eerder gedruppeld, en de regen heeft zeer fijn woestijnzand meegebracht welke nu in druppelvorm opgedroogd is op onze net proper gewassen motoren. Ook Frits staat vandaag vroeg op en we gaan dan samen ontbijten. De Zuidkoreanen zijn er ook nog steeds. Ze maken hun ontbijt grotendeels zelf klaar volgens hun eigen gewoonten. Een uurtje later zijn ook Udo en Dirkjan op.

We brengen de rest van de dag bijna volledig door in het hotel: plannen maken, ervaringen met andere reizigers uitwisselen, de motoren verder controleren en onderhouden waar nodig. De motor van Frits heeft toch nog steeds een probleem aan de voortrein: er zit ook wat speling op zijn voorvorkbenen. Er zullen nieuwe glijbussen in moeten. Hij bestelt die bij Waffie, en ze zullen worden opgestuurd naar Osh, waar we over een tiental dagen passeren, en waar een werkplaats is voor motoren.

Dirkjan heeft een probleem met zijn smartphone, die voortdurend foutboodschappen geeft, en op die manier niet bruikbaar is. Een tijdrovende klus om te proberen dat recht te zetten. In de namiddag eten we wat fruit, en dan nog wat koeken bij de koffie. Op de binnenplaats staan ook nog twee Royal Enfields. Twee Zweden hebben ze in India gekocht en rijden er nu mee naar huis.

’s Avonds gaan eten. Goede rijst, maar voor de rest niets bijzonders.

 

 

Dag 88 (Dinsdag 25 juni 2019):

Vrije dag in Dushanbe (TJ)

Ik begin de dag op de binnenplaats van het hostel. Links boven mij zit een koppeltje tortelduifjes te koeren. Ik werk het verslag bij. Frits is ook vandaag alweer vroeg op en brengt mij een koffie. De ontbijtzaal is vol Tadjiekse kostgangers; gewone mensen, mogelijk van den buiten, die dan vermoedelijk in de stad moeten zijn voor één of andere familiale gebeurtenis, bvb een trouw. Ze vertrekken al gauw zodat ook wij kunnen gaan ontbijten. Ze kennen ons hier al, en brengen ons ongevraagd de omeletjes zonder ajuin. Na het ontbijt ga ik mij douchen terwijl Dirkjan en Udo ontbijten.

Nadien bekijken we wat nog aan Frits’ motor moet gedaan worden. Het balhoofdlager is nu wel vervangen, maar er zit nog speling op. Dirkjan en ik verwijderen nogmaals het voorwiel, spannen het balhoofdlager nog wat verder op. Dat zit nu goed. Maar er zit toch nog speling op de voorvorkpoten zelf. Er wordt getelefoneerd naar onze specialist van de TransalpClub in Nederland, en deze zal een paar vervangingsonderdelen sturen naar OSH, waar een werkplaats is, en waar we over een tiental dagen een paar nachten verblijven. Alles wordt weer in elkaar gestoken, en de motoren staan nu technisch klaar voor het aanvatten van de tocht door het Pamir gebergte.

Nu de stad in: shoppen en sightseeing.

Er is wel niet zo heel veel te zien, maar op deze stad rust toch een zware Sovjetstempel, en dat is altijd bezienswaardig.

De Tadjieken gaan in mijn ogen met hun beperkte middelen toch redelijk goed om met hun erg schaarse erfgoed.

De gebouwen in het centrum en de parken zijn mooi onderhouden. In het Zwitserse consulaat bekomen we gratis een erg goede geografische kaart van de Pamir. Het is de vorige editie, maar de Pamir is ondertussen niet veel veranderd, behalve de grens met China, die iets hertekend is.

We lopen de kilometerslange Avenue Rudaki af, en stoppen na een tijdje in een Italiaanse koffiezaak.

Dan nog een lokale SIM-kaart om te gebruiken in geval van nood in de bergen, want naar het schijnt is er toch een redelijk goede dekking in de Pamir. Udo is op zoek naar een warme trui, want hij heeft niet voldoende warme kledij mee voor de koude nachten in het hooggebergte. Hier in Dushanbe is het echter rond dertig graden warm, niet het moment om warme kledij te vinden.

Rond de middag besluiten Dirkjan en Frits om een taxi te nemen en terug te keren naar het hotel. Udo en ik doen voort: het Rudaki Park, met vijvers waar je een bootje kan huren,  het Nationaal Museum,…

We stappen nog een chique winkelcentrum binnen, maar het aanbod is klein, de prijzen liggen hoog, en vele winkels staan leeg. Toch vindt Udo wat later wat warme kledij naar zijn gading voor niet al te veel geld.

We zetten dan de wandeltocht verder, eten nog een ijsje, en keren dan rond drie uur langsheen wat meer modeste wijken terug naar het hotel.

Niet echt veel beleefd, maar toch veel gezien, moe en tevreden over de kennismaking met Dushanbe en haar bevolking.

In het Green House Hostel brengen we de rest van de namiddag door met het schikken van de bagage, de planning voor de komende dagen, uitwisseling van informatie met andere reizigers die de omgekeerde richting uitgaan. Vooral de twee Zweden op hun Royal Enfield leveren nuttige tips over de route. Eén van hen slaagt er in om de smartphone van Dirkjan weer aan de praat te krijgen. We gaan allen samen de motoren voltanken, zodat we morgenvroeg vlot de stad uit kunnen voordat het te warm wordt.

Nu pas horen we dat de baas van het hotel samen met een vriend die in Moskou woont, een lijn opgezet heeft om moto- en auto-onderdelen in Moskou te kopen en per vliegtuig naar Dushanbe op te sturen, en dit alles binnen de twee dagen. Dat had ook een snelle oplossing kunnen zijn voor Frits’ motor.

’s Avonds nemen we een taxi naar het stadscentrum, en gaan we weer eten bij de Italiaan.

We keren te voet terug en gaan slapen.

 

Dag 89 (Woensdag 26 juni 2019):

Dushanbe (TJ) – Qalai Khumb (TJ)

Straks verlaten we Dushanbe. We gaan de komende dagen de Pamir in, heel geleidelijk, om aan de hoogte te wennen, want we gaan uiteindelijk hoogten bereiken tussen 4000 en 5000 meter. We zullen wat minder goed bereikbaar zijn, maar ik zal met mijn Tadjiekse telefoonkaart toch proberen dagelijks verslag uit te brengen.

We laden de motoren, en gaan dan allen samen ontbijten om zeven uur. Het ontbijt gaat er levendig aan toe: die Tadjieken die hier op logement zijn, zijn Kirgiezen. Ze gaan maar al te graag op de foto, en nemen ook foto´s van ons.

Om acht uur is het zover: afscheid nemen, poort openen en wegrijden. Het is al warm: bijna dertig graden. We hebben gekozen om de gemakkelijk weg te rijden: die is wat langer, maar loopt grotendeels over goed asfalt. Er is redelijk wat verkeer, maar eerder rustig en beschaafd. Toch doen zich hier ook soms gevaarlijk situaties voor: een auto rijdt een hele tijd braaf achter ons, haalt ons dan plots in, om met zijn allen in de auto eens te kunnen roepen en zwaaien naar ons, en snijdt ons dan de pas af door plots naar rechts af te slaan. Ook een grote autobus doet zijn best om ons mooi links in te halen via het derde rijvak, en gooit dan plots het stuur om, om net voor onze neus te gaan stoppen aan de bushalte rechts.

Het landschap is prachtig: het gaat over van licht glooiend naar heuvelachtig. Het is net oogststijd. De grond zal hier wel vruchtbaar zijn, want wordt intensief bewerkt. We passeren immense graanvelden. De meeste landbouwmachines zie er uit of ze nog dateren van het Sovjettijdperk. Vrachtwagens met stro rijden af en aan. Daar waar geen velden zijn zien we kudden geiten, runderen en ezels door elkaar. Ook lopen er weer meer honden rond. In de stadjes is er een drukte van jewelste: zowel auto´s als mensen.

Even gaat het wat hoger en zien we in de diepte het prachtige stuwmeer op de Vaksh rivier. Aan de overzijde tekent zich scherp het begin van de ruwe Pamir af. Daar gaan we straks naar toe.

De streek wordt steeds meer bobbelachtig, en landbebouwing wordt moeilijker. Op een bepaald moment wordt het zelfs hallucinant wanneer die kleine mooie goudgele ronde heuveltjes steppe-achtig worden, en elkaar opvolgen tot zover het oog reikt. Mede door de droge hitte waan je je heel even in een soort Sahara.

We zitten net halfweg wanneer we in Kulob aankomen. Het is er erg druk in het centrum, en we gaan op zoek naar een terrasje. Dat vinden we niet maar ik zie daar net iets beters: een patisserie met tearoom. Koffie hebben ze er niet, maar samen met een taartje smaakt de thee al net even lekker.

Nu eerst gaan tanken, want straks begint het echte werk over een afstand van nog eens 170km, door een streek waar benzine schaars of onvindbaar zal zijn. We rijden eerst oostwaarts, en komen zo de echte bergen in.

Op de top van een kleine pas is de weg ondertussen heel slecht geworden, en moeten we uiteindelijk halt houden aan een controlepost: afstappen en documenten laten overschrijven in een dik logboek. Dat duurt wel even. De soldaten zijn eerst wat stroef, maar ontdooien gauw. De commandant geeft mij een handvol zonnebloempitjes, en het gesprek komt al gauw op gang. Deze pitjes komen uit China, maar de Tadzjiekse zijn groter. Er wordt gevraagd naar de reis, onze leeftijd, er worden grapjes gemaakt. De officier stelt ons ook gerust: eerst is het wegdek heel slecht, maar zal snel weer goed asfalt worden.

Het is pas wanneer we weer verder kunnen rijden dat ik aan de omgeving zie dat we in een heel ander deel van Tajikistan aanbeland zijn: hier geen relatieve welstand meer; lemen vervallen huizen, armoedig geklede mensen. Toch is er even verder inderdaad weer zeer goed asfalt. Er rijden hier ook bijna geen auto´s meer, behalve nu en dan een 4X4, of een busje, veelal met toeristen. We rijden vervolgens heel diep naar beneden tot aan een hele brede vallei: aan de overkant van de brede waaierende rivier bevindt zich Afghanistan…

Beneden in het dal gekomen slaan we links af, noordwaarts, en volgen vanaf hier de rivier tot Qalai Khumb. De rivier Panj vormt de natuurlijke grens tussen Tajikistan en Afghanistan. Wij zullen haar de komende dagen vanaf hier over een 600-tal kilometer volgen. De vallei wordt geleidelijk smaller, de bergen die ons omringen hoger. Aan de overkant volgt ook een smalle aarden weg de rivier, en verbindt de kleine Afghaanse dorpjes met elkaar.

Onderweg komen we een aantal keer een Poolse motorrijder tegen, die deze reis maakt op een zware BMW betonzoener.

Onze weg is grotendeels perfect geasfalteerd, wat ons toelaat maximaal te genieten van de prachtige uitzichten. Foto´s maken heeft bijna geen zin. We zouden om de vijftig meter moeten stoppen om telkens een nieuw beeld, nog mooier dan het vorige op de camera vast te leggen. Toch stoppen we nu en dan eens, wanneer we toch iets bijzonders zien aan de overzijde, zoals een groep kinderen met een kleine kudde geiten. Wij zwaaien, ze houden halt en kijken in onze richting, en zwaaien dan terug.

We passeren nog eens een controlepost, waar nog eens paspoort en visum afgeschreven worden. Dan volgen nog dertig kilometer over een stoffige niet geasfalteerde weg tot we uiteindelijk in Qalai Khumb aankomen, 1200m hoog. We houden halt aan een splitsing, waar er even wat moeten zoeken naar de weg naar het hotel. Direct komen een aantal mannen op ons af om te vragen waar we heen willen, en om voor te stellen naar dit of dat gasthuis te gaan. Wij hebben echter reeds geboekt in hotel Roma. Een van de mannen die me aanspreekt wijst me vervolgens direct de weg naar hotel Roma, naar rechts en weer rechts een steegje in, waar tien minuten later alle motoren in een garage gestald staan. Het hotel is eigenlijk geen hotel te noemen, maar eerder een guesthouse, wel gezellig aan de rivier, met een mooi terrasje en een binnenplaats, maar overigens een samenraapsel van wat men maar kon vinden om dit geheel samen te stellen. Wij hebben maar drie kamers geboekt, en ik slaag er gelukkig in toch nog een vierde kamer te bekomen zodat we iets meer comfort hebben. Ik zelf wordt dus te slapen gelegd ik een kamer waar een reeds opgemaakt divanbed staat.

Ik spreek af met de patron dat we hier ook zullen blijven eten, en we worden samen gezet met de Pool Damian, die we onderweg ontmoetten, en die hier ook verblijft. Het eten wordt opgediend door de patron zelf, een snelle allesdoener, hierbij geholpen door zijn tienjarig zoontje, een even snelle allesdoener in wording, nog meer gedreven dan zijn vader, en die al even goed Engels spreekt als zijn vader.

Na het diner werk ik nog wat aan het verslag en ga dan slapen. Deze dag was zeker één van de meest memorabele van de reis.

 

Dag 90 (Donderdag 27 juni 2019):

Qalai Khumb (TJ) – Khorog (TJ)

Ik word vroeg wakker door het gebulder van de rivier en door de zinkplaten aftimmeringen van muur en daken die nu en dan klapperen door de hevige wind. Ik kan echter telkens onmiddellijk weer slapen, en sta dan toch uitgerust op. Rond zes uur begint het dan hevig te regenen, om een uurtje later grotendeels over te gaan in wat gedruppel nu en dan.

Ik slaag er niet in het verslag van gisteren af te werken, en zelfs niet om het online te zetten, want er is eerst geen internet, en wat later blijkt het toch te traag.

Het ontbijt is eenvoudig, en een kopie van wat we de laatste weken reeds heel vaak kregen: eitje, koffie, hard brood, boter, en kersen op sap. Dat laatste bevat pitten, en is niet te smeren, dus neem ik een kommetje, en lepel het uit.

Betalen, motoren laden, en vertrekken. We gaan nu eerst op zoek naar een tankstation, want we hebben nog 250 km voor de boeg, en benzine vinden onderweg zal moeilijk zijn. Het benzinestation is heel bijzonder: de benzine wordt opgepompt door een grote lawaaierige pomp die zelf door een benzinemotor aangedreven wordt.

Wat verder staat de mobiele benzinebrigade.

De weg is slecht,… en blijft slecht. We raken maar traag vooruit omdat het zo lastig rijden is. Gelukkig is het droog en is de passage door deze lange kronkelende vallei heel mooi. Rond de middag hebben we nog maar één derde van de weg afgelegd. Dan gaat het geleidelijk toch iets vlotter omdat er wat meer stukken (slecht) asfalt tussen zitten. Over deze weg passeren ook heel wat grote vrachtwagens, die de verbinding vormen tussen China en Tajikistan. Gelukkig rijden ze meestal zodanig traag dat ze weinig stof opwerpen. Meestal moeten we wel even stoppen omdat de weg te smal is. Terreinwagens daarentegen zijn dan wél vervelend, omdat ze snel rijden, en een enorme stofwolk opwerpen.

Nu en dan passeren we door dorpjes waar vooral de kinderen ons enthousiast toeroepen en zwaaien. Met die kinderen is het altijd opletten geblazen: sommige rennen ons bij na voor de wielen om een ‘High Five’ uit te kunnen voeren. Ik rij er dus meestal met een grote boog omheen, een potentieel ongeluk vermijdend, en een teleurgesteld kind achterlatend. Koffietentjes zijn er niet te vinden; we houden het bij water met enkele droge koekjes. We volgen nog steeds de rivier: aan de ene kant Tajikistan, aan de andere kant Afghanistan.


Ook worden we nu en dan opgehouden aan een paar controleposten waar de paspoorten en visa weer naarstig en moeizaam overgepend worden.

En dan weer verder. De motoren houden zich voorlopig goed, en brengen ons gestaag verder over keien, stof, zand, putten, doorheen plassen en kleine riviertjes. Ook de Poolse Damian raakt vooruit, zij het aan een lager tempo. We ontmoeten hem nu en dan bij een pauze, wanneer hij ons bijbeent.

De laatste kilometers gaan gelukkig vlotter, gezien de weg iets beter wordt naarmate we Khorog naderen, op 2100 meter hoogte. We bereiken nog redelijk vlot, net voor zes uur, Hotel Nisso, gelegen in een stoffige ‘villa’-buurt, waar nog veel gebouwd wordt. Maar het hotel, eigenlijk een Guesthouse, is ook nieuw, en blijkt heel comfortabel. De oudere gastvrouw is heel vriendelijk en spreekt goed Russisch, te goed, want te snel en met een grote woordenschat die ik niet machtig ben. Er is een probleem met de boeking, waardoor er een kamer te weinig is, en twee van ons zullen moeten samen slapen. We komen al snel tot een oplossing, en wat later zitten we aan de koffie of de thee met een koekje. Plots komt een man binnen, en vraagt of hij met zijn 4X4 camper mag overnachten op de binnenplaats van het hotel. Knud is Noor, en hij spreekt enkel Engels, waardoor ik probeer te tolken, zo goed en zo kwaad als het kan. Zo kan hij hier ook douchen en ontbijten, en van het internet gebruik maken.

Er zijn ook nog twee Turken, die hier vermoedelijk zijn omwille van hun werk. Eén van hen spreekt vloeiend Russisch.

De dochter van de gastvrouw stelt voor om te koken voor ons, zodat we na deze vermoeiende dag niet nog eens op zoek moeten naar een restaurant.

Terwijl zij bezig is, heb ik ook nog een gesprek met de gastvrouw, die nu samen met haar twee jongere zussen zit te keuvelen op de divan in de inkomhal. Zij spreekt zelfs ook nog wat Duits, geleerd tijdens haar jeugd in het goedgeorganiseerde Sovjetsysteem. Udo gaat tussen de drie vrouwen plaats nemen op de divan, en ik maak een foto van hen.

Dit hostelletje is een echte verademing. Ik sta er versteld van dat op zo een stoffige afstand van 500 kilometer van Dushanbe zo een goed en modern ingerichte stadje kan teruggevonden worden te midden dit enorme bergmassief.

We krijgen een mooi avondmaal geserveerd, babbelen nog even, maar gaan dan doodvermoeid slapen.

 

Dag 91 (Vrijdag 28 juni 2019):

Khorog (TJ) – Ishkashim (TJ)

Ik sta op, maak me klaar, en neem plaats in de ontbijtzaal. Onze gastvrouw is reeds in de weer om het ontbijt klaar te maken. Ze drevelt over en weer, en verplaatst voortdurend dit en dat op de grote tafel. Ze doet mij denken aan mijn grootmoeder destijds, die ook herhaaldelijk alles kon verplaatsen en herschikken. Ondertussen werk ik mijn verslag bij. Een uurtje later komen de twee Turken er aan, gevolgd door Frits. Alle drie krijgen hun ontbijt geserveerd, en wanneer Dirkjan er aan komt, begin ik ook maar te eten. Het ontbijt is uitgebreid, té uitgebreid. Wanneer ook Udo er aan komt, en Frits er zich nog even komt bijzetten, krijgt hij plots nogmaals een bord paardenogen geserveerd, waarvan hij er dan maar nog één opeet.

De man van de gastvrouw zit buiten in de tuin met een kennis, is vriendelijk, maar houdt zich op de achtergrond. De Noor Knud maakt zich ook klaar om te vertrekken, komt nog even op de foto, en rijdt dan weg. Ook wij maken ons klaar, laden de motoren, nemen afscheid van onze gastvrouw en gastheer, en van dit bijzondere gasthuis, en rijden ook weg.

Frits en ik moeten de importvergunning van de motoren verlengen. We kregen slechts 14 dagen transitvergunning voor de motoren bij het binnenkomen van Tajikistan, en dat is te nipt. We rijden hiervoor naar het douanekantoor vijf kilometer verderop. De grote ijzeren poort van het zwaar bewaakte grenscomplex is gesloten. Ik merk toch wat beweging doorheen enkele spleten, en weet zeker dat het híer is omdat er bovenaan duidelijk staat ‘Tamozhen’, ‘Douane’. Ik parkeer de moto, stap af en ga op de deur af. De deur gaat voorzichtig open op een kier, en een jonge zwaar bewapende soldaat luistert waarvoor ik kom, en sluit de deur weer, om te gaan vragen wat hij met deze situatie aan moet. Even later mogen we binnen, en een andere soldaat, iets ouder, iets hoger in rang, neemt ons mee, in de richting een kantoortje aan de voet van de brug die over de Panj naar Afghanistan leidt. Het hele complex heeft meer van een kazerne dan van een grenspost. Hier wonen mensen, en de soldaten hebben getracht hun leefruimte zo aangenaam mogelijk in te richten. De tuin en de paadjes zijn mooi onderhouden en geschilderd. Het doet mij denken aan een gelijkaardige jandarme-post welke ik vier jaar terug bezocht in Turkije, in de buurt van Ani, op de grens met Armenië. In het kantoortje zijn enkel loketten. Een man is zich aan het scheren, en is duidelijk ‘in command’ want hij zegt aan de anderen wat er moet gebeuren. Hij negeert ons verder totaal, en gaat verder met zich te scheren, terwijl wij vlot aan een stempel geraken tegen betaling van nog eens 10 dollar.

We verlaten de kazerne, stappen op de motor en gaan vervolgens tanken in Khorog, en dan ook nog wat water inslaan. Frits klemt zijn flesjes onder zijn slappe snelbinders, terwijl daar net een andere motor aankomt: een jonge Zuid-Koreaan op een Suzuki DR650, dezelfde motor als Udo, maar minder comfortabel en meer performant op slecht terrein. Hij volgt even dezelfde weg als wij, maar zal dan weer naar Dushanbe rijden. We verlaten Khorog richting Zuiden. We zijn nog maar 1 kilometer aan het rijden, en daar vliegt het eerste flesje water van Frits bij een verkeersdrempel de lucht in en belandt op de grond. Frits rijdt nietsvermoedend verder. Ik stop, raap het flesje op en berg het weg, en haal de bende weer in.

Net buiten de stad is er paspoortcontrole. De soldaten vervelen zich kennelijk, en zijn blij met de afwisseling die de komst van de motards hen bezorgt. Ze vragen of we geen stickers hebben. Dirkjan haalt er een uit en kleeft hem op het vensterluik van het kantoor, naast de andere. Al die stickers samen scheppen een gevoel van verbondenheid.

Wat verder vliegt het tweede flesje van Frits ook de lucht in, waarvoor ik dan weer stop, en ook dit flesje wegberg, en dan de nietsvermoedende Frits achterna ga.

We rijden weer langsheen de rivier Panj, zuidwaarts.

Het landschap is opnieuw heel mooi en gevarieerd. We hebben meer zicht op de Afghaanse zijde van het dal dan de Tadjiekse. De bergen hier zijn jong, maar van een redelijk zacht gesteente, misschien zandsteen? De erosie heeft er duidelijk vat op, want naast de rotsblokken en keien komt ook veel gewoon los zand van de berg af, welke zich in de rivier verzamelt tot zandbanken en zandstrandjes, hier en daar reeds spontaan begroeid, hier en daar met aangeplante kleine boompjes. Heel regelmatig passeren we militaire patrouilles, meestal jonge soldaten, die ons vriendelijk, en misschien wel wat afgunstig, begroeten. Ook zien we langsheen de weg regelmatig militaire bunkertjes, van waaruit de grens bewaakt wordt, een onmogelijke taak over zo een afstand.

We komen niet zo veel verder weer aan een controlepost; alweer paspoort en visum-gegevens overschrijven. Eén van de Tadjiekers vertelt dat ze hier graag Europeanen zien, omdat ze zich met ons meer verbonden voelen dan met de rest van de Aziaten. Hij bedoelt eigenlijk dat de meeste Tadzjieken ook van het Kaukasisch type zijn. Iedereen identificeert zich graag met een meer succesvolle soort, maar toch vaak vergetend dat succes ook tijd, moeite en offers vergt, en zeker geen exclusieve eigenschap van de Kaukasiër is. Ik vraag even na hoeveel van die controleposten we nog zullen tegenkomen: nog twee vóór Murghab.

Het is warm, en Frits krijgt dorst, zeker na de koekjes die we rond de middag opeten. Ik laat hem even smakken met een droge mond, en geef hem dan één van de flesjes die ik gerecupereerd heb.

De weg wordt beter, en laat ons toe wat meer van het landschap te genieten, en wat vaker te stoppen om foto’s te nemen. We kruisen drie motards, maar ze stoppen niet. We kunnen hen dus niet vragen hoe de weg verderop is. De rivier wordt steeds smaller, en het wordt steeds duidelijker dat deze grens een echte zeef is, de grenscontrole niet méér voorstelt dan een schamel schaamlapje, en het niet verwonderlijk is dat de Afghanen het grootste deel van hun heroïne via Tadjikistan exporteren naar de rest van de wereld.

Net voor Iskashim is er een brug over de Panj, aan beide kanten voorzien van een douanepost. Op zaterdag kunnen Tadjieken, mits afgifte van hun paspoort, de grens over naar het Afghaanse Iskashim, om daar inkopen te doen of misschien zelf iets te verkopen? We rijden verder en bereiken dan Iskashim zelf, op 2600 meter hoogte, waar we op zoek gaan naar logement. Terwijl we even langs de kant van de weg staan, komt een mam naar mij toe en steekt mij een visitekaartje in de handen van een Guesthouse dat redelijk nieuw lijkt: Ren Guesthouse. Toch maar even gaan kijken. Er is geen Wifi, de toiletten zijn buiten, maar er zijn twee douches, en er zijn geen andere gasten zodat we elk een eigen kamer kunnen innemen. De baas, Boj, runt dit samen met zijn twee zonen.

We laden de motoren af, en ik ga aan de slag: de voorband wisselen. Ik had een reservevoorband meegenomen, een Braziliaanse Rinaldi, die ik twee jaar terug kocht in Argentinië, nauwelijks gebruikt is, en hier in dit gebied betere dienst gaat leveren dan de Tourance die eerder gericht is op verharde weg. Dit neemt al gauw een uurtje in beslag, want er moet ook nog opgeruimd en herschikt worden door de wissel. Ondertussen loopt Boj rond mij, babbelt wat, vraagt wat, en helpt mij waar nodig.

Dan pas krijg ik even tijd voor rustpauze, maar niet voor lang, want Boj, de baas, komt een praatje slaan. Hij is zeventig en heeft nog gediend in het Sovjetleger. Hij was ooit gestationeerd in de toenmalige DDR, en moest ook nog deelnemen aan de oorlog in Afghanistan, zij het dat hij maar net over de grens zat, en nooit in de vuurlinie terechtkwam. Het Guesthouse is sedert vorig jaar in gebruik. Ze hebben nog wel veel ruimte onder de zolder, maar zien er tegen op om uit te breiden, omdat het zo lastig is om al het materiaal vanuit Dushanbe naar hier te krijgen.

’s Avonds krijgen we eerst een slaatje en koolsoep, lekker, en daarna gebakken aardappelen met stoofvlees en veel ajuin. Het werd klaargemaakt en wordt opgediend door een jonge vrouw, een schoondochter of een meid? Ik doe mijn best om het vlees en de aardappelen er van tussen te vissen, maar laat het meeste toch liggen temeer ik al voldaan ben van de soep en het slaatje. We zien ook nog kleine lepeltjes tussen het bestek liggen, maar wachten vruchteloos op een dessertje. Dan uiteindelijk maar naar bed.

 

Dag 92 (Zaterdag 29 juni 2019):

Ishkashim (TJ) – Langhar (TJ)

Ik sta op samen met de zon en kijk naar buiten om de bergen te bewonderen. Mijn oog valt echter ook op iemand die daar buiten op de chaikana aan het slapen is. Is dat één van de zoons? Heeft die daar geslapen om onze motoren te bewaken? In Ouzbekistan hebben wij vaak mensen ´s nachts zien slapen op de chaikana, vaak chauffeurs.

Het ontbijt is erg summier: enkel eieren met worst naar keuze. Geen zoet. Het blijkt dat de jonge vrouw daar buiten geslapen heeft.

We prutsen nog wat en vertrekken dan in Oostelijke richting. Hoewel Boj mij verzekerd had dat de weg naar Langhar goed was, is het grootste deel van de weg redelijk lastig te rijden. En hoe moeilijker de weg, hoe minder we van de omgeving zien.

Toch kunnen we voldoende genieten, mede omdat we niet te veel hooi op onze vork genomen hebben.

De weg is aanvankelijk goed, maar wordt steeds slechter. Aan onze linker zijde volgen we de Wakhan bergketen, die zijn naam geeft aan deze vallei: Aan de rechterzijde volgen we nog steeds de Panj rivier, nu oostwaarts, met aan de overzijde van de rivier nog steeds Afghanistan, die met een smalle keten hele hoge bergen de Wakhan corridor vormt, een soort buffer tussen Tajikistan en Pakistan.

Onderweg ontmoeten we een koppel jonge Russen uit de Krim, Igor en Anja. Met een backpack trekken ze al liftend doorheen Tadjikistan. Ze gaan dezelfde richting uit als wij, maar weten nog niet hoever ze deze avond zullen raken.

Door de erosie komt hier en daar een massa zand de berg af. Door de droge lucht en de wind komt dit dan terecht op de weg, wat het rijden erg bemoeilijkt. Op sommige plaatsen heeft men er dan maar enkele karrevrachten keien over gegooid, wat het voor ons al even moeilijk maakt. Udo raakt op een bepaald moment met het voorwiel verstrikt in zo een bak grind, en komt ten val. Zijn linker koffer breekt af. Twee jaar terug had hij net hetzelfde voor in Peru. Nu heeft hij echter drie koffers mee, die onderling uitwisselbaar zijn, zodat zijn topkoffer links kan, en de kapotte koffer stevig op het achterste rek kan gefixeerd worden door middel van spanriemen. Onze Transalp is daar iets minder gevoelig voor, omdat wij ook valbeugels hebben, die de eerste klap opvangen in plaats van de koffers.

Het is ondertussen bijna middag. Tijd voor koekjes en water. Een fietser die we daarnet voorbijstaken stopt, en eet een koekje mee. Hij komt uit Brighton. Hij is tevreden wanneer hij enkele tientallen kilometer per dag kan afleggen.

Weer op weg. Het gaat vlot tot we een zandstrook tegenkomen, waar we allen klungelend dansend doorheen fietsen, behalve Dirkjan, die er vlot doorheen zoeft, maar dan toch even letterlijk in het zand bijt, zonder veel erg. Ondertussen zijn er voortdurend wel tal van plaatsen waar we even halt houden, rondkijken, fotootjes nemen.

In Zong gaan we tanken. Het afvullen gebeurt door middel van een jerrycan en een trechter. We nemen elk tien liter, ruim genoeg om Murghab te bereiken. De uitbater van het ‘tankstation’ heeft ook een nette winkel, en is aan het bouwen om hier volgend jaar ook een Guesthouse te openen. Het ziet er nu al goed uit.

Enkele kilometers verder is Langhar, onze eindbestemming voor vandaag, op bijna 2900 meter hoogte. We hadden eigenlijk verwacht vandaag meer motorrijders aan te treffen, maar neen dus. Vermoedelijk nemen ze de Noordelijke route, die korter is en grotendeels geasfalteerd. Een groot bord kondigt het Behruz Guesthouse aan, dat ons werd aangeraden door de Zweden op de Royal Enfields.

We nemen onze intrek in twee kamers. Onderaan in het gebouw is een winkel waar van alles te krijgen is. Enkele jonge kinderen hangen wat rond. De zoon van twaalf spreekt al goed Engels. Hij heeft dan ook de gelegenheid om heel vaak te oefenen. Er is ook nog een oudere dochter van zeventien die meehelpt. Ze gaat volgend jaar economie studeren.

Het is 15u. Tijd voor nog koffie en een koekje. Die koekjes zijn hier overal te koop: een soort grote dikke Petit Beurre. De rit is vandaag toch weer zo lastig geweest dat we geen zin meer hebben om nog iets te doen. Het is ook beginnen waaien, en het wordt erg fris. In de verte zien we een onweer naderen. De elektriciteit is uitgevallen, zodat er geen warm water is om te douchen. Frits en Dirkjan douchen dan maar met koud water. Udo wacht nog wat af, maar gaat dan ook maar naar de badkamer.

Er zijn hier ook een koppel Duitsers gestrand met een Mitsubishi 4X4. We zagen hen reeds in Dushanbe in het hostel. Hun motor is defect, waardoor ze slechts nog heel traag kunnen rijden, en niet meer verder kunnen. Ze keren nog deze avond zachtjes terug naar Dushanbe.

Wat later komen ook nog drie jonge Schotten aan met een auto, welke vervolgens weer wegrijdt.

Om zes uur is er weer elektriciteit. Een geluk voor mij, want ik kan nu heerlijk warm douchen en raak er helemaal door opgekikkerd.

Zeven uur: het avondmaal wordt opgediend door de vrouw des huizes. Ze is wat teruggetrokken, maar erg vriendelijk, en kan ook een aardig mondje Engels. Eerst een grote kom soep; daarna Plov met kip. Lekker. Ik eet alles op.

Na het eten wordt de afwas gedaan door de dochter van zeventien. Ze is niet van plan om da rest van haar leven hier in deze verre uithoek van de wereld door te brengen, en wil na de zomer gaan studeren in Dushanbe. Maar ondertussen is het hier reeds vakantie ne helpt ze thuis zoveel ze kan: potten, pannen, en de rest van de vaat worden uitgewassen in het troebele water van het snelstromend riviertje welke doorheen het ganse dorp loopt tot hier.

Om negen uur, het is reeds lang donker, komt het koppeltje Russen uit de Krim ook nog aanzetten, en krijgt ook nog eten geserveerd. Wijzelf zoeken algauw de bedstee op.

 

Dag 93 (Zondag 30 juni 2019):

Langhar (TJ) – Alichur (TJ)

Om vier uur word ik wakker, verlaat de kamer, waar Udo nog slaapt, en installeer mij aan een tafeltje op de overloop. Ik werk het verslag bij, maar rond vijf uur krijg ik het toch te koud, en kruip weer in mijn bed, om nog wat te soezen. Het is buiten ondertussen reeds licht geworden. Om zes uur sta ik dan weer op, ik heb dan niet echt opnieuw geslapen, maar toch rustig gelegen in het warme bed.

Om zeven uur gaan we ontbijten. De Russen vertrekken al, gepakt en gezakt, te voet, op zoek naar een auto om te kunnen meeliften.

Wij vertrekken om 8u, en rijden de bergen in. Het gaat al gauw heel steil omhoog met veel haarspeldbochten, heel lastig. Je kunt hier met moeite van een weg spreken, zodanog dat deze bedekt is door zand en grote rolkeien.

Niet veel later val ik met de motor, wanneer ik met te weinig snelheid in een hoop keien terechtkom. Geen erg; ik ben er op tijd van gesprongen. Udo helpt mij de motor rechttrekken.

Dan is het de beurt aan Frits: bij een lichte afdaling kaatst zijn voorwiel opzij en hij rijdt pardoes de weg af, de helling af, en komt tien meter verder tot stilstand, met moeite de motor nog rechthoudend. Ik kom hem te hulp, en Dirkjan rijdt de motor terug de weg op.

We zien wat verder een groep jonge kinderen die een kudde koeien naar het water leiden om te drinken.

Omstreeks 11u komt Frits écht ten val. In het losse zand raakt zijn voorwiel verzwolgen, en de zwaar beladen motor kantelt naar rechts. Geen zware val, maar zijn voet zit geklemd en voelt erg pijnlijk aan. We trekken de motor recht, maar Frits kan omwille van de scherpe pijn niet op de voet steunen. Ik onderzoek de voet even, maar er lijkt mij niets gebroken of ernstig gekwetst: wel mogelijk verzwikt en gekneusd. Van verder rijden is geen sprake zolang die pijn een normaal gebruik van de voet hindert, en dat kan wel één of meerdere weken duren. Er komt net een terreinwagen aanrijden met chauffeur, gids en twee toeristen uit Tsjechië. We overleggen wat, en vervolgens laden ze de bagage van de motor over in de auto, en nemen Frits mee naar Alichur, waar een verbandpost is. Dat is ook waar wij naartoe rijden; we zullen Frits daar dan ontmoeten. De motor van Frits blijft hier achter. Ik noteer de positie van de motor door middel van mijn smartphone, en geef dit mee met Frits, zodat de motor zo snel mogelijk kan opgehaald worden. Afwachten hoe dit allemaal afloopt.

Wijzelf hebben echter nog 50 km voor de boeg, en vatten voorzichtig de rit weer aan, onder de indruk van het gebeurde, want dit klein banaal voorval brengt alvast de verdere reis van Frits sterk in gevaar.

Even verder komen we weer aan een paspoortcontrole. Ik babbel wat met een jonge Rus die hier gestationeerd is, en meehelpt de rust tussen de verschillende bevolkingsgroepen van Tadjikistan te bewaren. Hij is van Moskou, en is hier nog 4 maanden in dit afgelegen gat gestationeerd, waarna hij nog een jaar in Ishkashim moet doorbrengen. De Russen vinden de stabiliteit in de regio erg belangrijk, want van over de rivier dreigt het Islam extremisme. Hij vertelt verder dat het hier ´s nachts heel koud kan zijn, en soms licht sneeuwt.

We kunnen weer verder. Ik zou er bijna bij vergeten te vermelden hoe mooi het hier is. Het uitzicht wisselt voortdurend. Nu gaan we sterk de hoogte in, over een pas op 4300 m gevolgd door een kleine hoogvlakte over 4 km. Het is erg winderig, maar dat komt wel gelegen, aangezien het erg inspannend rijden is, en wat verkoeling heel welkom is. De wind verplaatst echter ook veel zand, dus ook tot op de weg, welke bedekt is door een dunne laag droog duinzand, waardoor de banden vaak elke grip verliezen, en we de meest gewaagde danspasjes ten toon spreiden. En dan natuurlijk weer een eind naar beneden doorheen een soort canyon, maar dan zonder rivier, maar alweer hier en daar veel keien.

We bereiken de geasfalteerde hoofdweg, welke Khorog en Murghab verbindt overheen een enorme hoogvlakte op 3900 meter, heel breed, met hier een daar een prachtig meer. Een ommetje rond het meer lijkt aanlokkelijk, maar dat gaat dan alweer over onverhard,  en we hebben nu wel even de buik vol van teveel avontuur. Het asfalt dan maar: het is redelijk nieuw en mooi glad, maar gaat vaak op en neer door verzakkingen, waardoor we maar 50 a 60 per uur kunnen rijden. Even na drieën komen we aan in Alichur. We gaan op zoek naar dat ´kliniekje’.  Een paar vriendelijke vrouwen doen open. Het kost wel wat moeite vooraleer ik bevestiging krijg dat dit wel het bewuste kliniekje is, en ik kom al helemaal  niet te weten of ze hier wel röntgen foto´s kunnen nemen. Frits is hier alvast nog niet geweest. We gaan een koffie drinken honderd meter verder in Hotel Golden Fish, wat niet meer dan een barak blijkt te zijn. (Alle huizen zijn hier barakken). Maar koffie hebben ze gelukkig wel. Alichur bevindt zich in een heel uitgestrekte de hoogvlakte op 3900m. Overal waar je rondom je kijkt zie je bergen. De bevolking is hier geheel anders: echte Mongoloïde Aziaten, koperkleurig door zon en verhoogd aantal rode bloedcellen. Ze leven er hoofdzakelijk van de veeteelt: schapen, geiten, yaks.

Om vijf uur komt Frits aan in het kliniekje, dat eigenlijk een gasthuis blijkt te zijn, waarvan de eigenaar dokter of eerder sjamaan zou zijn? Die laatste komt echter maar ’s avonds laat thuis, want hij is op toer met toeristen.

Frits voelt zich ondertussen al veel beter, en kan voorzichtig stappen. Hij heeft echter nog teveel pijn om zelfs maar te overwegen op korte termijn op de motor te stappen. Nu moet alles georganiseerd worden om de motor op te halen, en samen met Frits naar Osh in Kirgistan te transporteren. Hij wordt daarbij geholpen door de chauffeur van de terreinwagen.

Wij gaan terug naar het hotel. Er komen ook nog een paar Engelsen aan op de fiets. Ze blijven eerst enkel eten, maar beslissen dan om toch de nacht hier door te brengen.

Het hotelletje is nieuw, maar heeft bijna geen voorzieningen. Wij zullen met drieën slapen in één kamer, welke nu opgewarmd wordt met een stinkende kachel. Ik vraag om niet meer bij te stoken, zodat het vuur kan uitdoven en we niet verstikken. Er is geen douche, en zelfs geen stromend water. De enige wasvoorziening is een soort lavabootje buiten aan de ingang van het restaurant, met een reservoirtje van vijf liter dat manueel bijgevuld wordt. Het toilet is proper, zonder sas, maar ook zonder stank, in een ruimte waarvan de deur niet dicht kan en steeds op een kier staat.

Om zeven uur gaan we dineren. Eerst soep, en dan nog een gefrituurde goudkleurige vis en frietjes met een slaatje. Allemaal best eetbaar, hoewel natuurlijk geen culinair hoogstandje, en hopelijk zonder staartje.

Nadien gaan we nog even naar Frits, en blijven daar nog een uurtje thee drinken en babbelen met de gasten en de gids aldaar. De lokale ‘dokter’ komt ook langs en onderzoekt Frits. Ook hij vermoedt niets ernstigs.

Rond negen uur gaan we slapen, na een lastige dag op grote hoogte, en reeds wat mindere goede nachten achter de rug. De kamer is nog warm, en de stank is verdwenen.

Een half uur later, ik slaap net, komt Frits ineens binnen in onze kamer om ons advies te vragen: of de motor liggend zou kunnen getransporteerd worden in een gesloten 4X4. Dat zou inderdaad kunnen als de zijkant heel goed zou kunnen ondersteund worden met niet schurend materiaal.

Gelukkig slaap ik snel weer in, niet voor lang echter, want dit harde bed verplicht me om me steeds te verleggen.

Frits schreef:

Het zal een memorabele dag worden maar gelukkig weet ik dat dan nog niet. Hier komt DEEL 1 want het wordt een lang verhaal. We vertrekken richting Alichur, gelegen op een hoogvlakte van bijna 4000 meter. Nadat we Langhar hebben verlaten wordt de weg pas echt slecht. We moeten straks ook een pas van 4300 meter over. Al vrij snel gaat de weg steil omhoog met hele scherpe haarspeldbochten die ook nog eens vol met grote stenen liggen. Het is hard en voorzichtig werken voor iedereen en in het bijzonder voor mij, degene met de minste ervaring. De anderen hebben rond de 40 jaar ervaring. Maar ik kom boven en het wordt weer vlakker. Het landschap is weer adembenemend. We stoppen voor wat foto's en drinken en rijden weer verder. Het blijft keihard werken voor mij. Op enig moment, steeds zoekende naar het makkelijkste spoor op de weg, verlies ik de controle. De motor schiet van links naar rechts en ik probeer als een bezetene te corrigeren. Uiteindelijk schiet de motor naar rechts van de weg af en stuitert tussen grote stenen door. Met al mijn kracht corrigeer ik, zo hard dat, wanneer ik de motor tot stilstand heb kunnen brengen, ik acuut kramp in m'n linkerbeen krijg. Maar we staan nog. Pas veel later realiseer ik mij dat er ook een afgrond had kunnen zijn. Ik moet bijkomen en Dirkjan rijdt, terwijl Alain de motor aan de achterkant vast houdt, m'n motor het lastige terrein af en de weg (nou ja, weg...) weer op. Na 5 minuten rijden we weer verder. Het zal 10 minuten later zijn. Plotseling ligt de weg over een lange afstand vol met fijn zand. Ik volg Udo en hou in m'n hoofd dat mijn snelheid niet te laag moet zijn. Ik rij in het linker spoor. Plotseling is het afgelopen. Ik knal in een fractie van een seconde tegen de harde zandwand aan de linkerkant. Ik lig om, bijna horizontaal en mijn linkervoet klapt om en zit vervolgens bekneld tussen zandwand en motor. Ik gil het uit van de pijn. Al snel zijn de anderen erbij om de motor van mij af te tillen. Mijn voet doet vreselijk pijn maar ik probeer kalm te blijven en blijf rustig schuin tegen de zandwand liggen. Is mijn enkel, want op die hoogte zit het probleem, gebroken? Alain (die huisarts is) zegt terecht dat daar nu niets over te zeggen is en dat alleen een röntgenfoto dat uit kan wijzen. Ok zeg ik, dan moeten we maar zien of dat ergens kan, wetende dat we op bijna 4000 meter hoog zitten op de Pamir Highway in onbewoond gebied, op een parcours waar we nauwelijks een 4x4 hebben gezien. Het eerstvolgende dorpje is Alichur, op een 4000 meter hoge hoogvlakte, en nog een heel eind weg. Maar dat ik vervoer nodig heb is wel duidelijk, schrijf ik met gevoel voor understatement. Het is lastig schakelen met een mogelijk gebroken linker enkel. Ik probeer te gaan staan met behulp van de anderen en probeer voorzichtig mijn linkervoet op de grond te laten rusten maar zodra ik dit doe wordt de pijn nog erger. Hoe gaan we dit oplossen?

Na 10 minuten zien we in de verte een 4x4 aankomen. Ze stoppen vanzelfsprekend als ze mij op de grond zien zitten. Iedereen helpt elkaar hier indien nodig. Het zijn mijn redders! Chauffeur /gids Turat en zijn zoon Abdul rijden een week rond met Lorenza en Matej, dertigers uit Praag. Ook zij zijn op weg naar Alichur om daar net als wij te overnachten. Turat vertelt dat er in Alichur een kliniekje is. Ze helpen mij in de auto, mijn bagage wordt afgeladen en gaat mee op het dak. De motor blijft achter en Dirkjan, Udo en Alain rijden vanzelfsprekend ook naar Alichur. De pijn is inmiddels dragelijk maar ik moet het niet in m'n hoofd halen m'n voet te bewegen. De ontzettend aardige en bezorgde Tsjechen vragen of ze hun dagtocht af mogen maken voordat we naar Alichur gaan of dat ik liever meteen daar naar toe wordt gebracht. Ik zeg dat geen probleem te vinden dus ik krijg nog een tocht langs een aantal mooie plekken zoals een meer en een mini geiser kado, inclusief lunch. Het gaat min of meer off-road, tegen steile hellingen op en uiteindelijk belanden we op het geasfalteerde (relatief begrip hier) deel van de Pamir Highway waar de vrachtwagens uit China over rijden en arriveren in Alichur. Ik wordt naar binnen geholpen en met zorg omringd door iedereen. Onderweg had Turat gezegd dat er in de homestay, die tevens het kliniekje blijkt te zijn, een rontgenapparaat is. De eigenaar, die er niet is, zou ook dokter zijn? Inmiddels zijn mijn kameraden ook gearriveerd en zij hebben hun intrek genomen in een homestay 50 meter verderop die wordt gerund door Nazar, de neef van de eigenaar/dokter van mijn homestay. Ze komen bij mij langs en de immer goed voorbereide Alain heeft een compressiekous mee genomen. Het is uitermate pijnlijk het ding met zijn hulp aan te trekken maar zeer zinvol omdat dit, als er alleen sprake zou zijn van een kneuzing, het herstelproces bevordert. Alain, met een slag om de arm, denkt inmiddels dat er misschien toch geen sprake is van een breuk. Maar we zullen het zien als de dokter er is. Ondertussen wordt er met Turat, de gids overlegd hoe nu verder met mijn transport en dat van de motor naar Osh in Kirgizië, onze voorlopige eindbestemming waar we een aantal dagen blijven voor onderhoud en reparatie van de motoren. Ondertussen is de eigenaar /dokter gearriveerd en hij onderzoekt mijn voet en komt ook tot de conclusie dat er waarschijnlijk niets is gebroken. We maken geen foto en ik vraag me zelfs af of er wel een rontgenapparaat is. Er wordt afgesproken dat de eigenaar morgen met 3 mannen uit het dorp 70 kilometer terug zal rijden om mijn motor op te halen en naar de homestay in Alichur te brengen. Dan zal er de dag daarna een pickup truck worden geregeld waar de motor op en ik ingezet zal worden om mij naar het 500 km verderop gelegen Osh te brengen. M'n tochtgenoten zullen op hun gemak in een paar dagen naar Osh doorrijden.

Na het eten, waarbij ik gezellig heb zitten praten met Lorenza (die Italiaanse is maar al 15 jaar in Praag woont en werkt als software consultant) en Matej (die voetbalcoach is en jonge spelers traint voor een professionele carrière) komen Dirkjan, Udo en Alain nog even langs. We constateren dat een foto niet nodig is en we vragen ons af wat voor dokter Ibrahim, want zo heet de eigenaar, is. Ook nergens iets medisch te ontdekken in dit hele simpele huisje. We vragen ons af of er inderdaad nog ergens een oud uit de Sovjettijd overgebleven röntgenapparaat staat. Gelukkig spreekt Nazar, de neef van Ibrahim die de homestay waar mijn kameraden verblijven runt (50 meter verderop) goed engels en dat zal de komende dagen erg goed van pas komen. We gaan slapen, ik samen met Turat en zijn zoon Abdul op een kamertje waar eerst nog even een kachel, gestookt op takjes en vlgs mij mest, heeft gebrand. We zitten tenslotte op 4000 meter. Dat is trouwens goed te merken aan een hoofdpijn die de kop opsteekt. Turat begint te zagen en ik zal een doorwaakte nacht hebben, niet in de laatste plaats door een aantal bezoekjes aan het gat in de grond in het hokje buiten (de wc) vanwege de bekende reizigersdiarree waar ik al een paar dagen last van heb. Ik ben trouwens kilo's afgevallen door de reis. Maar de ongelofelijk mooie sterrenhemel maakt het helemaal goed en bibberend van de kou geniet ik daar toch van.

 

Dag 94 (Maandag 1 juli 2019):

Alichur (TJ) – Murghab (TJ)

Slecht geslapen. Hoofdpijn door de hoogte en een verstopte neus. Ik heb de nacht moeten doorbrengen op een plank bedekt met een twee centimeter dikke viltlaag. Gelukkig had ik geen kou. Ik sta op en profiteer van de vroege ochtendrust om op mijn gemak een bezoek te brengen aan de enige ruimte waar de koning te voet gaat. De koude brengt me wel snel bij mijn positieven en neemt al gauw de neusverstopping weg. Het heeft niet gevroren, noch gesneeuwd. Een vrachtwagen staat voor de deur. Er is dus blijkbaar nog een andere gast. De anderen slapen nog, dus kruip ik weer in bed, en probeer tevergeefs nog wat te slapen. Ik hoor eerst de vrachtzagen vertrekken, en vervolgens de Engelsen op de fiets.

Om zeven uur gaan we samen ontbijten: een spiegelei, dat ik tegen mijn zin naar binnen werk, wat koekjes en confituur. Ik kan gerust zeggen dat deze overnachting wel de minste was van de hele reis tot nog toe, hoewel de jonge patron, Nazar, heel vriendelijk en gedienstig is.

We laden de motoren en passeren langs de Homestay waar Frits gelogeerd is. Hij is op de been, en heeft redelijk geslapen. We maken afspraken voor de komende dagen. Ondertussen komt daar net een oude UAZ pick-up, zo een typisch Russische bak met vierwielaandrijving, een zuiplap die bijna niet kapot te krijgen is, maar ook dagelijks wat sleutelwerk vergt.

 

Wijzelf nemen afscheid van Frits. Wanneer zien we hem terug? Hoe gaat dit alles aflopen?

Het wordt alweer een heel mooie rit naar Murghab over een weidse hoogvlakte over redelijk asfalt, waardoor we alles rondom ons goed kunnen opnemen. Een grote kudde yaks worden de hooglandsteppe ingebracht.

Wat verder staan twee vrachtwagens aan de kant van de weg. De ene is vooraan volledig verhakkeld, want hij is op de aanhanger van de andere ingereden.

Ook een Tadjiek op een enorme yak is komen kijken, en hangt er wat rond. De grote stier loopt wat verder te grazen, waardoor wij het enorme beest wat beter kunnen zien. Het heeft een mooie zadelbekleding.

We passeren het minidorpje Mamazaïre; vooral het bordje is een foto waard.

Uiteindelijk dalen we langsheen een ingesneden dal iets af, en naderen we kort na de middag Murghab, waar we een laatste paspoortcontrole moeten ondergaan. Murghab ligt dan alweer in hoogvlakte op 3650m.

We zakken af in Hotel Pamir, een groot tot op de draad versleten hotel, maar comfortabel en met duidelijke Sovjet-stempel. Er is traag internet, evenals warm water, propere toiletten, én… zachte bedden.

We drinken thee, plegen wat onderhoud aan de motoren, en gaan dan douchen. Udo en ik drinken dan weer wat thee, en gaan vervolgens op stap. Het stadje werd opgericht door de Russen eind 19e eeuw als Pamirski Post, een soldatengarnizoen dat deze verste zuidoostelijke uithoek van het Tsarenrijk moest beschermen. Het is pas in de Sovjettijd dat het werd uitgebouwd tot stad en administratief centrum van de regio. Van heel dat verleden is nog heel wat te merken: veel administratieve gebouwen in Sovjetstijl en herdenkingsmonumenten.

Lenin staat er nog steeds te zwaaien, en er is zelfs een kleine kopie van de Mama Rassia van Volgograd.

Wat verder zien we dan een heel grote actieve kazerne met veel materiaal. Het stadje heeft zo een tienduizend inwoners, is de draaischijf voor de drugshandel vanuit Afghanistan, en vormt verbinding met Dushanbe, Osh in Kirgistan, en China. De nomaden zijn verhuisd naar stenen huizen, die hen wat meer bescherming bieden, want het grootste deel van het jaar is het hier bitter koud. Het is reeds late namiddag, en kleine kudden schapen en geiten worden tussen de huizen door naar kleine binnenplaatsjes gebracht in het stadje zelf. Een moskee staan op vijfhonderd meter van het stadje te midden de hoogvlakte, naast de rivier.

We gaan tanken rechtover hotel: de benzine wordt eerst in lege waterflessen van vijf liter gegoten, en vervolgens in de tank van de motoren.

In het hotel zit ook een Duits koppel in een kleine BMW personenauto. Ze zijn sedert januari onderweg en slapen in de auto, waarvan ze de achterbank verwijderd hebben.

Er komen drie Russen aan uit Kazachstan op zware motoren. Eén ervan, Slava, geeft me zij telefoonnummer: bij problemen staan hij en zijn club, de Freeriders, voor ons klaar in Almati. Dan komt er ook nog een Let aan op een KTM; hij werkt in Almati en heeft een weekje vrij genomen.

Het diner mag er wezen. Ik doe mijn best om weer wat op gewicht te komen.

En dan het bed in, en snel alle verloren slaap inhalen.

Frits schreef:

Om een uur of half 9 vertrekken Lorenza en Matej. Zij reizen nog 4 dagen door Tatjikistan. We nemen hartelijk afscheid van elkaar en ik bedank ze nog een keer uitvoerig en dat geldt ook voor Turat en Abdul. Even later komen ook m'n reisgenoten afscheid nemen. Zij zullen in 2 of 3 dagen naar Osh rijden en kunnen mij gerust achterlaten want mijn vervoer is geregeld. Even later komt de oude Russische pickup langs met 3 mannen erin. Ibrahim stapt ook in. Ze gaan met 4 man sterk m'n motor ophalen. Ibrahim heeft mij nog een kruk gegeven en dat is prettig. Als ze weg zijn daalt de enorme stilte van deze hoogvlakte op mij neer. Ik zit op een krukje voor de homestay en naast mij staat mijn kruk. Prachtige witte wolken tegen een blauwe lucht. Zo nu en dan hoor ik een kinderstem of een geit. De mensen zijn hier straatarm maar sommigen hebben een kleine kudde geiten. Soms stopt er een Chinese vrachtauto 100 meter verder op de Pamir Highway die wat wil eten bij de homestay van Nazar. Je hoort ze van verre aankomen. Door het slechte wegdek met veel gaten maken de containers een enorm kabaal als ze door zo'n gat rijden. De vrouw van Ibrahim vraagt regelmatig of ik chai (thee) wil. Ik drink zelden thee als koffiefanaat maar ik moet op deze reis inmiddels tientallen liters hebben gedronken. Zo hobbel ik de dag een beetje door. Zo nu en dan fietst Nazar even langs en praten we wat. Pas tegen een uur of 6 hoor ik de oude Russische pickup weer aankomen.

Ze hebben erg hun best gedaan de motor op de laadbak te beveiligen met grote autobanden waar hij schuin tegenaan ligt. Ze hebben hem goed gezekerd. Ik had ze ook nog een aantal van mijn spanbanden meegegeven. Na het afladen start hij meteen weer. Mooi zo. Maar er is ook slecht nieuws: Ibrahim probeert mij iets duidelijk te maken maar ik begrijp het niet. Ik vraag Nazar te bellen om te komen vertalen. Hij is er snel en het slechte nieuws is dat de pickup truck pas over 4 a 5 dagen beschikbaar is. Wat nu? Ik heb niet zoveel zin om nog zoveel dagen op 4000 meter te blijven want ik heb nog steeds hoofdpijn. Er is iemand in het dorp met een grote Mitsubishi 4x4 zegt Nazar, misschien past ie daarin als we de achterbank eruit halen. Een half uurtje later komt een jonge vent met die grote bak aanrijden. Ik beoordeel de binnenruimte en schud mijn hoofd. Dat gaat niet passen. En op het dak dan, suggereert Ibrahim in de vertaling van Nazar? Ik kijk hem ongelovig aan en hij ziet ook wel in dat dat echt niet kan. Daar staan we dan. Wat nu? Er gaan eerst wat eten. Ik mag op hun kamer mee-eten en dat gebeurt gewoon op kleedjes op de grond, in tegenstelling tot de huiskamer voor de gasten waar een enorm bankstel staat. Tijdens het eten overleggen Ibrahim en Nazar volgens mij nog steeds over vervoer. En dan komt er ineens een verrassend voorstel: ik ga mee in de pickup van de jonge man en Ibrahim rijdt op mijn motor. Zo zullen we gezamenlijk naar Osh rijden morgen. Meer dan 500 km over de gedeeltelijk zeer slechte Pamir Highway, naar verwachting 15 uur rijden. Ik heb geen idee of Ibrahim goed kan rijden maar op een onberedeneerde manier heb ik er wel vertrouwen in. Nazar zegt dat hij goed kan rijden. We spreken af om de volgende ochtend om 6.00 uur te vertrekken. Ik ben opgelucht.

 

Dag 95 (Dinsdag 2 juli 2019):

Murghab (TJ) – Sari Tash (KG)

Heerlijk geslapen. Van de hoogte heb ik niets meer gemerkt, hoewel we hier op meer dan 3600 meter verblijven. Ik sta op om vijf uur en ga me douchen, nu er nog warm water is, want dat zou straks wel eens kunnen veranderen. Ik drink een koude koffie, zo een koud zoet brouwsel met melk en suiker gemaakt met een zakje. Dat smaakt na die hete douche.

Ik werk wat aan de blog, offline, want het internet werkt zo traag dat er toch niets mogelijk is behalve soms wat email en whatsapp. Ik heb een achterstand opgelopen met de blog. De dagen zijn zodanig gevuld… De zon schijnt mijn kamer in. De lucht is bijna totaal helder behalve een paar wolkjes boven de bergtoppen.

Om zeven uur gaan we ontbijten: drie paardenogen, wat brood, koffie en confituur. Dirkjan wil toch nog eerst nog een tankje benzine gaan bijkopen, want zijn Tadzjieks geld is nog niet op. Het wordt natuurlijk weer een belevenis van jewelste, met het Tadzjieks gezinnetje van het benzinestation, en een vader en zoon die daar plots komen aanzetten op een vijftig jaar oude Ural met zijspan, die klinkt als destijds die ouwe tracteur van Boerjan.

Het is halfnegen, halftien Kirgiese tijd, wanneer we uiteindelijk uit Murghab wegraken. Er scheiden ons tweehonderddertig kilometers van Sari Tash in Kirgistan. Het asfalt is aanvankelijk erg goed, en we raken vlot vooruit, ware het niet dat de omgeving veel te mooi is, en we voortdurend stoppen om foto’s te nemen.

Het gaat steeds hoger, de weg wordt slechter, en de verharding verdwijnt. Gelukkig heeft het deze nacht niet geregend, en is de modder na de sneeuwval van twee dagen terug grotendeels opgedroogd.

We bereiken de top van de Ak-Baital Pas op 4655m probleemloos, en nemen er wat foto’s.

We dalen weer wat af; stoppen, rijden, stoppen, rijden, foto´s nemen.

De weg is zodanig mooi dat mijn rugzakje met superlatieven nu al helemaal leeg is.

Twee terreinwagens met toeristen staan langs de kant van de weg met platte tube. Het Nederlandse en het Spaanse meisje staan er ook. We houden even halt en nemen een foto.

De weg wordt weer beter, en zelfs bijna perfect voor onze motoren. We rijden vanaf hier langsheen de Chinese grens; de verboden grenszone is volledig afgeboord door paaltjes en draad. Nu en dan steekt een rost marmotje snel de weg over.

We zien plots in de verte de mooie azuurblauwe schittering van het enorme Karakul meer.

 

We rijden er vervolgens langsheen, en houden halt in Karakul zelf. De militaire post is er bijna volledig vervallen, maar aan de ingang zie ik wat beweging; er moet dus nog een klein garnizoentje gehuisvest zijn. We stoppen rechtover de kazerne aan een Guesthouse en nemen er koffie  De eigenaar is druk bezig deuren aan het schilderen. Hij is een echte klusser en alles is perfect onderhouden. Zijn vrouw brengt ons koffie, koeken, spekken, brood en heel lekkere frambozenjam (hoewel niet mijn favoriete jam).

Dan rijden we weer verder, weer naar boven, na een laatste blik op het wondermooie Karakulmeer.

Eerst een pas op 4330m, gevolgd door een kort hoogplateautje. Dan weer naar boven, naar de grens. In de verte schittert de besneeuwde top van de Lenin piek op meer dan 7000 meter. De weg wordt weer slechter, hier en daar modderig zelfs. De Tadzjieks grenspost ligt even voor de top. De aard van de gebouwtjes, de rommel en het verval rondom, en de voorzieningen binnenin laten vermoeden dat de leefomstandigheden hier tijdens het grootste deel van het jaar afschuwelijk hard moeten zijn. We raken vlot door de administratie heen, hoewel alles nog op papier gebeurt, en dus wat tijd vergt. We ontmoeten twee Australiërs, vader en zoon, die elk op een lichte motor, gehuurd in Kazachstan, Tajikistan binnenrijden. Men probeert ons nog een desinfectie van de motoren aan te smeren, maar ik laat mij niet overdonderen, en zeg dat dat helemaal niet hoeft.

Nu weer verder naar boven, op naar de laatste Tadzjiekse pas, toch weer zeer hoog op 4365m. De weg wordt steeds slechter. Het is opletten om niet te schuiven in de rode blubber. Op de top staat een mooi standbeeld van een steenbok.

Hier zijn we nu in Kirgistan. De grenspost zelf ligt tien kilometer verder, op lagere hoogte, wat heel wat comfortabeler is voor de douaniers, zeker buiten het zomerseizoen.

De afdaling gaat vlot, maar toch hier en daar door diepe plassen, modder, riviertjes. Aan de rand van de weg staat een huis. Kinderen komen op ons af gerend en doen teken om te stoppen. Ze vragen of we hier niet willen overnachten. Het huis is een Homestay, welke moet zien te overleven van reizigers die omwille van tijdsgebrek of slecht weer stranden tussen de twee grensposten in. Ook de moeder komt aanzetten. Ze is erg teleurgesteld wanneer ik haar uitleg dat we reeds een overnachting geboekt hebben in Sari Tash, een uurtje verderop. Ik stop haar een kleinigheid in de handen, ‘voor de kinderen’.

Even later bereiken we uiteindelijk met natte voeten de Kirgiese grenspost. Eerst komt een paspoortcontrole door de militairen, en dan volgt Immigratie en tijdelijke import van de motoren. Dirkjan blijft weer hangen, ziet onze motoren niet staan aan het gebouwtje links opzij, en verlaat gezwind zonder stempel, en zonder importpapieren de grenspost. De douanier raakt licht in paniek: ´Hij zal grote problemen krijgen als hij niet over de juiste documenten beschikt!’. Na overleg met de douanier mag Udo er achter aan om hem terug te halen, wat dan na een twintigtal minuten ook lukt, omdat hij even halt gehouden heeft bij een paar kinderen op een ezel.

Maar na een half uur is dit ook alweer achter de rug. Én, volgens de douaniers hebben we nu importpapieren voor alle landen die in de Russische Douane Unie zitten, dus ook Kazachstan, Mongolië en Rusland. Als we dát mogen geloven, zal ons dat wel heel wat tijd besparen bij de volgende vier grensovergangen.

Nu gaat het vlot: de weg is recht, geasfalteerd, en zacht aflopend naar Sari Tash, op 3200m. We bereiken een kruispunt. Naar links richting Dushanbe, over een pas en een grenspost welke niet doorgankelijk is voor toeristen, naar rechts richting China. Van hieruit  zouden we nog een zijsprongetje kunnen maken naar het basecamp van Peak Lenin, maar laten dat voor wat het is, omdat de weg er naar toe vermoedelijk te lastig is op onze motoren. We rijden dus rechtdoor, naar Sari Tash, een paar kilometer verderop. Daar kunnen we onmiddellijk intrek nemen in het mooie Guesthouse Muras, gerund door een Kiergiese familie, die, heel bijzonder, Christen protestant is, en bestaat uit onze gastvrouw, een veertigtal jaar oud, haar moeder, en de zoon van haar overleden broer. Tijdens de winter wonen ze in Osh. Het Guesthouse heeft een prachtig uitzicht op Peak Lenin.

Er zitten al drie wielertoeristen, twee Italianen en een Spanjaard, en dan nog drie Russen uit Moskou.

Na het avondmaal babbelen we nog wat met de Italianen en de Spanjaard, en gaan dan slapen. Het zal een lange nacht worden, want er is geen andere matras dan een zak met wat gewatteerde vulling op een harde plank.

Frits schreef:

Om 5 uur gaat m'n telefoon om me te wekken. Het is nog donker. Ik controleer voor de laatste keer of ik al mijn bagage heb. Er wordt in stilte ontbeten, wellicht vanwege het vroege uur. Om kwart voor 6 staat de Mitsubishi voor de deur, de bagage wordt ingeladen en we hijsen Ibrahim in mijn motorpak en we vertrekken. De afstand tot Osh is meer dan 500 km en we moeten de hoogste maar ook mooiste pas van de Pamir Highway over, de Ak Baital pas op 4655 meter. Ibrahim rijdt voorzichtig door de ochtendschemering. De weg is weliswaar geasfalteerd maar er zitten veel potholes in. We gaan richting Murghab. Eenmaal daar aangekomen tanken we en kopen we nog water, koekjes en cola voor onderweg. Na een half uurtje wordt er even gestopt bij een yurt waar je ritjes op een kameel, yak of paard kan maken. Iedereen kent elkaar hier maar waarom we hier stoppen is me niet duidelijk, in ieder geval kennen Ibrahim en Nazar hier iedereen. Uit m'n ooghoek zie ik langs de weg een lifter met rugzak staan. Ibrahim en Nazar vermaken zich met de kameel en de lifter komt op mij toelopen. Het blijkt Igor, de jonge Rus uit de Krim te zijn die vannacht in de yurt heeft geslapen en graag mee wil richting Osh. Geen probleem, we hebben ruimte en bovendien is het hier normaal om lifters mee te nemen, locals en toeristen. Nazar amuseert zich kostelijk, kennelijk is dit een bijzonder uitje voor hem en bovendien is de jonge chauffeur een goede vriend van hem. Hij vertelt over zijn leven en ambities, ik vertel het een en ander over Nederland. Het landschap wordt steeds mooier en we stijgen langzaam richting de pas. Daar zullen we op Ibrahim wachten die achter ons rijdt. Bij het bord stoppen we en wachten. Er komt een Letse diplomaat aan die stopt en we maken een praatje. Hij is gestationeerd in Astana en maakt een rondje zoals hij eufemistisch zei. Nadat Ibrahim is gearriveerd vertrekken we naar beneden in een schitterend landschap, op weg naar Karakul Lake, een van de hoogtepunten van de Pamir Highway. Rechts van ons loopt een hek met prikkeldraad, neergezet door China want we rijden hier langs de grens. Straks zal ik nog even China inlopen op een plek waar het prikkeldraad kapot is en een foto nemen. De tocht naar Karakul Lake, dat je al van verre ziet liggen, is adembenemend, net als de blauwe kleur van het meer. Na veel foto's en wat praatjes met een paar overlanders op de fiets rijden we door, richting de grens Tajikistan /Kirgizië. Want in dat laatste land ligt Osh. De grenspost ligt op een pas.

Na de prachtige tocht langs het Karakulmeer en m'n bezoekje aan China stijgen we weer. De grenspost van Tajikistan ligt op een pas. We raken vrij snel door de Tajiekse douane. Maar dan moeten we door 17 km niemandsland naar beneden naar de Kirgizische grens. Vannacht heeft het hier gesneeuwd maar de sneeuw is inmiddels gesmolten en heeft de weg in een modderpoel veranderd. Het is bijzonder lastig voor Ibrahim om hier te rijden, temeer omdat de weg niet verhard is. Maar hij redt het zonder vallen tot de Kirgizische grens. Ook daar geraken we vlot doorheen. En dan ontvouwt zich na 20 minuten rijden opnieuw een adembenemend landschap. We rijden over een hoogvlakte die vrijwel volledig is omringd met bergen waar eeuwige sneeuw op ligt. De weiden zijn groen en je ziet overal yurts staan waar mensen wonen, met kuddes schapen , yaks en paarden. Een prachtig gezicht! Nadat we de hoogvlakte hebben verlaten gaan we wat eten in een cafeetje langs de weg. Het is nog een eind naar Osh. Een aantal keren heb ik aan Ibrahim gevraagd of hij niet te moe wordt. Tot de lunch heeft hij vrijwel 9 uur achter elkaar gereden. Hij zegt van niet. Het landschap verandert. We zitten lager en het wordt groener. Mensen wonen gewoon langs deze hoofdweg, in yurts of een soort woonwagens. Onderweg stopt Ibrahim nog een keer om te bidden. Uiteindelijk zijn we rond 21.00 uur in Osh. Dan heeft Ibrahim 15 uur op de motor gezeten, ongelofelijk met al die moeilijke stukken. Ze zetten mij met m'n bagage af in een guesthouse. Ik douche en val na 2 minuten in slaap. Morgen met een taxi naar het hotel dat Alain heeft geboekt en waar zij ook morgen aankomen. Een aantal foto's van onderweg naar Osh, de laatste etappe.

 

Dag 96 (Woensdag 3 juli 2019):

Sari Tash (KG) – Osh (KG)

Dit is toch een echt Guesthouse, maar de uitbaters verblijven hier ook, en eten bijna gelijktijdig met ons, aan dezelfde tafel, en delen dezelfde badkamer en toilet. Ik ben als eerste op, en zie één voor één iedereen opstaan, aan zijn taken beginnen, of zijn dag voorbereiden. Wanneer het ontbijt klaarstaat kunnen reeds zes man beginnen eten. Wanneer Udo opstaat en erbij komt, ruimt iemand plaats voor hem.

We maken ons op het gemakje klaar, nemen afscheid van iedereen, en gaan tanken, voor het eerst sedert een week aan een normaal benzinestation. Vanuit Sari Tash rijden we dan onmiddellijk noordwaarts weer de bergen in, de Alay bergen ditmaal, alweer erg mooi over een uitstekende weg, met hier en daar toch een put of een verzakking.

Hoe mooi de weg ook lijkt, in deze landen mag je aandacht nooit verslappen. Daarom trachten we toch nu en dan een koffie te drinken, meestal moeilijk te vinden onderweg, en eten we ’s middags niet, want een volle maag wordt gevolgd door de klop van den hamer.

In de verte doemen zwei kleine Italiener op, zwoegend op hun fiets. We steken ze zwaaiend en moeiteloos voorbij.

Net na de Taldyk Pass op 3600m volgen een mooie reeks wijde haarspeldbochten, en bijzonder, de oude vroegere weg ligt er hier en daar versleten en in onbruik naast.

Naast de weg kronkelt een riviertje van 1 meter breed zachtjes naar beneden doorheen een smalle strook grasland naast de weg. Overal staan woningen van nomaden:  kleine yoerts met daarnaast vaak een oude treinwagon; ze kweken vooral paarden, die meestal vrij rondlopen, en dus ook soms de weg oversteken. De rivier doet dienst als waterleiding. Vermoedelijk verhuizen ze vóór de winter naar lager gelegen gebieden.

In Gulcha maken we een koffiestop, aangelokt door een verleidelijke affiche aan de straatkant.

Binnen staat wel een mooie koffiemachine, maar is er geen koffie. De dochter wordt op pad gestuurd om die te gaan halen in het winkeltje verderop. De vijf minuten worden er al gauw bijna dertig. Ondertussen komt de moeder nu en dan vragen of we ook iets anders willen, en vraagt ze welke koffie we willen. Uiteindelijk komt de dochter terug met de koffie, komt nogmaals de bestelling opnemen, en gaat dan aan de slag.

Dan weer de motor op, de bergen in, weer over een hoge pas, om vanaf daar dan heel langzaam af te zakken naar Osh, in de Fergana vallei, 80 kilometer verderop. De bewolking neemt toe, en in de verte dreigt hier en daar een onweer. Het verkeer wordt drukker. De buitenwijken van Osh blijven echter erg landelijk. Overal is er drukte en landbebouwing, heel erg rommelig, hetgeen mij hier en daar herinnert aan mijn eigen land, maar ook aan het Frankrijk van mijn jeugd.

We rijden in een hele boog om Osh heen, en bereiken dan via het Noorden Hotel Orient, waar Frits ons staat op te wachten. De motoren krijgen een mooie parkeerplaats, en we brengen onze bagage naar onze comfortabele kamers. Dan gaan we samen een koffie drinken, in het restaurant van het hotel. We zijn hier niets te vroeg, want buiten barst een onweer los met hevige regen.

´s Avonds nemen we samen een taxi naar een mooi restaurantje in het centrum.

We zijn er net op tijd binnen: het begint alweer te regenen. Gelukkig heb ik ook wat extra kledij bij, want het wordt meteen een pak frisser. Voldaan nemen we dan een taxi terug naar het hotel. Het was lang geleden dat we zo lekker gegeten hadden.

Een goed bed maakt de dag compleet.

 

Dag 97 (Donderdag 4 juli 2019):

Vrije dag in Osh (KG)

Ik heb redelijk goed geslapen. Buiten is geen wolkje aan de lucht. Het zal weer warm worden. Ik pruts wat op de kamer, en ga even voor achten de motor afspoelen.

Het ontbijt mag er zijn. Veel vruchten. En ook enkele taartjes voor de liefhebbers.

Rond negen uur rijden Dirkjan, Frits en ik naar Muztoo, een motoservicezaak die ook motortours organiseert in de regio. Daar zijn de vervangonderdelen voor Frits’ voorvork via DHL aangekomen. Ikzelf ben op zoek naar een terreinband voor een redelijke prijs, want ik ga die band zomin mogelijk gebruiken, enkel in Mongolië.

Alles gaat er wat chaotisch aan toe. Het duurt dan ook enige tijd voor we te horen krijgen wat en hoe, en wanneer de motor zal klaar zijn. Dirkjan is ondertussen zelf wat aan het klussen aan zijn motor: olie en oliefilter vervangen. Rond twaalf uur verlaten Frits en ik de zaak: Frits gaat bij mij achterop. Hij zal een telefoontje krijgen wanneer zijn motor klaar is. Nu op zoek naar Zorromoto, een andere zaak die hier in de buurt zou moeten zitten. Die is niet te vinden, maar we slagen er wel in geld te wisselen, wat ook nog op ons todo-lijstje stond. Na nog wat navraag bij buurtbewoners wijzen ze ons opnieuw Muztoo aan: Zorromoto is verhuisd naar het centrum van de stad.

Terug in het hotel gaan we koffie drinken en rond twee uur vertrek ik met Udo in een taxi naar het Museum Suleiman Too. Het bijzondere aan dit museum is de locatie en de betekenis in de loop van de geschiedenis. Osh is een drieduizend jaar oude stad gelegen aan het begin van de Ferganavallei als je uit de bergen uit het Oosten komt. In de vlakte verrijzen enkele rotsen waaronder deze grote Suleiman rots, welke al duizenden jaren als pelgrimsoord dient, en tegelijkertijd het middelpunt is van de zijderoute in Centraal Azië, en om die reden door de Unesco als Werelderfgoed werd geklasseerd.

We klimmen naar boven, en krijgen een mooi uitzicht op Osh.

De Sovjets hebben er een grote veertig jaar terug een museum in ondergebracht.

Het museum heeft wel wat, mooi ondergebracht in de koele rots, maar is qua inhoud niet zo heel bijzonder. Het bevat een beperkte collectie etnologische, archeologische en natuurhistorische elementen.

Het is erg warm buiten, en het eerste wat we na de afdaling doen is een ijsje eten. We passeren voorbij een kapperszaakje welke ons op gedachten brengt…

Dan met een frisse kop nog een koffie op mooi terras. Hier kunnen we vanavond weerkeren voor het diner.

We gaan dan te voet weer verder met een kleine passage langsheen de bazaar van Osh, en dan met de taxi terug naar het hotel.

Een tijdje later komt Frits er ook aan op de motor, die perfect hersteld is, en weer goed rijdt. Na wat opfrissing nemen we allen samen de taxi naar het terrasje, waar ik de groep trakteer ter gelegenheid van mijn verjaardag. Leuke avond, we vormen een mooie bende!

Dan terug naar hotel. We kopen een toetje in het supermarktje naast het hotel, en zoeken dan de rust op in onze kamer.

 

Dag 98 (Vrijdag 5 juli 2019):

Vrije dag in Osh (KG)

Ik ben vroeg wakker en sta vroeg op. We hebben de komende dagen een en ander te plannen, hotels te boeken, routes uit ts stippelen. Ik werk de blog bij, maar blijf achterop. Ik was ook nog wat kleren uit, want de komende dagen zijn we onderweg naar Bishkek, de hoofdstad van Kirgistan.

Na het ontbijt doen we nog wat motoronderhoud. Ik controleer de voortrein van mijn motor, en merk ook een minimale speling. Ik zal dus de komende week eens het balhoofdlager wat moeten bijstellen. De ketting staat nog steeds op de goede spanning: Ongelooflijk dat die na 14.000km nog zo weinig versleten is. De olie zal ook eens moeten bijgevuld worden, maar daarvoor wacht ik tot de motor eens op een goede ondergrond staat. Dan is het de beurt aan Frits’ motor, waar de voorvorken er gisteren uitgehaald werden en voorzien van nieuwe glijbussen. De montage en afstelling van de voortrein is bij de Transalp bijzonder en delicaat, en de meeste vreemde mecaniciens kennen de juiste procedure niet. Dus maak ik de vooras weer los, en zet alles opnieuw vast volgens het boekje. Dit garandeert de beste werking, geen vroegtijdige slijtage van remmen of glijbussen, en geen afgebroken boutjes.

Het is ondertussen wachten op Udo en Dirkjan, die maar niet terugkomen van een kleine boodschap in de stad.

Dan toch maar met Frits en zonder Dirkjan naar Zorromoto in het centrum van de stad. Onderweg raken we plots in een enorme chaos van auto’s die uit twee smalle éénrichtingsstraten komen in de tegenovergestelde richting als wij. En we moeten net in die straat zijn, maar mogen er niet in. Ik zie een agent, en vraag hem hoe ik daar kan komen. Hij kijkt naar de motoren: ‘Rij er maar in’. Ik wacht tot er een gaatje is, en voorzichtig schuiven we het smalle straatje in, in de verboden richting, langsheen de auto’s die uit de andere richting komen, en zelfs langsheen een politieauto, die niet eens naar ons kijkt. Dan toch even de weg vragen, want een huisnummer zie je hier maar eens om de honderd huizen. En, wat een toeval, het motorzaakje bevindt zich net in de slag waar wij nu de weg vragen. Vijf minuten later ben ik aan het zoeken naar een geschikte modder-en-sneeuwband, en nog eens vijf minuten later vind ik een bijna nieuwe band vind voor een zacht prijsje. Ik heb die maar een paar weken echt nodig in Mongolië, waar misschien hier of daar modder te verwachten is.

We keren terug naar hotel, een uurtje rusten, terwijl Udo zijn motorkoffer reinigt, waar olie in uitgelopen is. Rond vier uur ga ik met Udo ditmaal stap naar een bazaar dichtbij, maar daar worden vooral auto-onderdelen verkocht. Ik vind er ook sokken, want er is weer een paar versleten. Tegenover de bazaar bevindt zich een oude Sovjetachtige wijk, waar, onafgezien van de auto’s de tijd als het ware is blijven stilstaan. Oude versleten woonblokken, enorme bovengrondse buizen met verwarmingswater, open riolen, kleine winkeltjes, troep, en opgeschoten onkruid tussen de boompjes die de straat afzomen. We gaan er uiteindelijk een koffie drinken, en keren dan zachtjes terug naar het hotel.

Ik zet mij weer aan het werk aan de blog, maar raak niet ver, want we gaan straks wat vroeger eten. Dus eerste douchen, en dan met taxi naar het centrum voor diner in restaurant Etno.

Het wordt weer een leuk en heel lekker etentje, voor de derde maal op rij. Osh zal mij toch ook alweer bijblijven als een leuke aangename stad.

Terug in het hotel vragen we of we kunnen ontbijten om zeven uur, want we willen om 8 uur kunnen vertrekken naar Toktogul, voor een rit van 400km.

 

Dag 99 (Zaterdag 6 juli 2019):

Osh (KG) – Toktogul (KG)

Om zeven uur staan wij klaar aan de ontbijttafel, maar het ontbijt is er nog niet… Dan maar wat verder de motoren opladen.

Geen paardenoogje ditmaal bij het ontbijt, maar het zal de pret niet drukken: we zijn er weer helemaal klaar voor, om een lange rit aan te vangen langsheen één van de drukste verkeersassen van het land: die tussen de twee grote steden Osh en Bishkek.

Om acht uur verlaten we het terrein van het hotel, uitgezwaaid door de receptionist en de bazin. Maar we raken niet ver, want de motor van Udo heeft er vandaag niet veel zin in. Bij het gasgeven gaat ie sputteren, en weigert dienst. Na een tiental minuten proberen komt er toch wat meer fut in, aanvankelijk nog wat sputterend, en ineens is het euvel vanzelf verdwenen. Vermoedelijk is er door de hevige regen wat water in het ontstekingssysteem terecht gekomen, en dan weer verdampt door de opwarmende motor. Nu nog de stad uitraken en de juiste uitgangsroute nemen voor Bishkek. Dat loopt echter niet zoals gepland, want we komen op een steeds smallere weg in een buitenwijk, en op de duur zelfs op een onverharde weg langsheen een droog kanaal doorheen modderige plassen, ontstaan door de hevige regen vannacht. Ik voel plots mijn achterwiel opzij schuiven, kan de motor niet meer houden, en daar gaat ie. Het lastigste wordt de motor rechttrekken uit de bruine smurrie, maar dat lukt uiteindelijk toch. Schade is er niet, enkel poetswerk voor één van de komende dagen. Het wordt er niet beter op, de wegje staat al niet meer op de GPS, dus sturen we Dirkjan op verkenning, of we hier nog verder kunnen, ofwel rechtsomkeer moeten maken, terug door de smurrie. Ondertussen komen drie mensen uit de buurt op ons af, en al gauw slaan we aan de praat.

Ze zeggen dat we zowel voort kunnen rijden als weerkeren; het is even moeilijk. Dirkjan en Udo komen inmiddels weer, en we beslissen voort te rijden, want minder modderig dan de weg terug. We moeten wel de droge bedding van het kanaal over, wat even moeite kost, maar toch probleemloos verloopt. En vanaf dan gaat het vlot verder, tot we een kwartier later de drukke hoofdweg naar Bishkek bereiken.

De eerste tweehonderd kilometer zijn geen pretje: er is veel verkeer, en de chauffeurs rijden roekeloos. Net vóór Uzgen steken we alweer de twee Italianen voorbij die ook in Sari Tash verbleven. Het is tijd voor de koffiepauze. We installeren ons in Uzgen op een terrasje, en daar komen de Italianen er aan. Ze vervoegen ons op het terras, wij bieden hen een koffie aan, en zij delen een pak koekjes uit. Van hier uit scheiden onze wegen zich, want zij trekken het binnenland in, terwijl wij op de hoofdweg blijven.

Het verkeer wordt iets minder, en we raken iets vlotter vooruit, maar het is erg warm, en rond drie uur koop ik onderweg een meloen, en zoeken we een pleisterplaatsje. Even later zitten we nog eerst eens aan de koffie op een terrasje, waar de baas met zijn zoontje van nog geen twee jaar poseert op de motor van Frits. Dan komt er een busje Oezbeken aan, die luidruchtig verbroederen met onze bende, en vervolgen een grote watermeloen uit het busje halen en aan ons schenken, en onmiddellijk wegrijden. Aangezien we dat enorme ding op de motor niet kunnen meenemen, geven we het aan de bazin van het cafeetje, die echter voorstelt om de meloen voor ons te versnijden. Dan maar ook onze gele meloen erbij, en beide meloenen worden verdeeld onder ons en de bende kinderen.

De weg is hier alweer echt mooi, en van goede kwaliteit, zodat we de omgeving goed in on ons kunnen opnemen. We rijden langs de rivier Naryn, die op ons traject driemaal afgedamd wordt, met eerst tweemaal kleine langgerekte stuwmeertjes, maar bovenaan het enorme Toktogulmeer, waar het stadje Toktogul ligt, onze eindbestemming. Het meer heeft een prachtige kleur, en blijft zijn kleur zelfs behouden wanneer de hemel wat betrekt. Het kunstmeer is 65 km lang zodat we zo een honderdkilometer moeten omrijden om bij Toktogul te raken. Het stadje is een echt Sovjet product: aangelegd in dambordpatroon, met brede straten, omzoomd door twee rijen bomen langs elke kant, zodat ook makkelijk kan gewandeld worden in de schaduw van de bomen. Het doet mij wat denken aan Staraja Russa.

Nog vóór zeven uur bereiken we dan Hostel Rahan, waar we twee kamers gereserveerd (en al betaald) hebben. Maar die twee kamers blijken reeds bezet, en er wordt ons een slaapzaal toegewezen. Ik blijf rustig maar vastberaden. De gastvrouw is toch echt vriendelijk en oplossingsgericht, en gaat spreken met de jonge Nederlanders aan wie ze onze kamers gaf, en tien minuten later krijgen we dan toch de kamers waarvoor we betaalden. Het hostel is prima in orde: klein, maar proper en comfortabel. Het parkeerplaatsje staat vol moto’s, vooral Suzuki´s DR650 welke de Nederlanders huurden in Kazachstan.

De Garmin GPS van Frits heeft water geslikt, veel water…, vermoedelijk tijdens de hevige regen in Osh, en moet uitdrogen. In feite zou ie moeten opengevezen worden om zo snel uit te drogen, want oxidatie binnenin is dodelijk voor zulke toestellen…

Onze gastvrouw doet haar best om ook nog voor ons eten klaar te maken, wat dan geserveerd wordt onder een afdakje met een laag tafeltje en kussens. Aan zo een tafel kun je aanliggen, in kleermakerszit liggen, of zitten met je ene been onder je zitvlak.

Geen van die mogelijkheden bevalt mij echter, en vind dan de goede houding: gewoon zittend met mijn benen languit uitgestrekt onder de tafel. We krijgen een mooie maaltijd met een slaatje, vlees, en geprakte aardappelen.

We blijven nog wat nababbelen en thee drinken, en gaan dan uiteindelijk slapen. Er is geen nachtelijk lawaai van de andere gasten, wat ons een rustige nacht verzekert.

Fris heeft het prima gedaan vandaag, zelfs doorheen de blubber, voor de eerste keer weer op de motor na de val vorige week. Hij was uiteindelijk maar vijf dagen buiten gevecht, maar zal het nog enkele weken wat kalmer aan moeten doen.

Frits schreef:

Lieve vrienden en familie, dank voor alle lieve reacties in de afgelopen dagen. Het gaat een stuk beter en ik ga vol goede moed weer op pad. Wij vertrekken nu richting Bishkek (Kirgizië), dan richting Almaty (Kazachstan), stukje Rusland om in Mongolië te komen. I will keep you posted!

 

Dag 100 (Zondag 7 juli 2019):

Toktogul (KG) – Bishkek (KG)

Ik wordt even voor vijven wakker, sta op en verlaat de kamer om Frits niet wakker te maken. Ik kan nu nog wat rustig aan de blog werken, maar de achterstand haal ik voorlopig nog niet in. Wanneer Frits ook opstaat ga ik douchen en mij klaarmaken, want we willen wat vroeger vertrekken.

Het ontbijt wordt geserveerd in een kleine ruimte met een grote tafel, waardoor we telkens moeten opstaan om de anderen te laten passeren. Het ei met ajuinen laat ik aan mij voorbijgaan. We worden bediend door een hele lieve giechelende bakvis, die nauwelijks wat Engels kan, veel over en weer moet lopen, maar er voor de rest toch plezier in heeft.

Ik neem afscheid van onze gastvrouw en van haar vader, en geef haar nog een pluimpje, want ze verdient het. Dit was alweer één van de beste hostels op onze reis. We vertrekken om acht uur, en rijden zachtjes weer de bergen in, steeds hoger en hoger, met het prachtige meer als een mooie herinnering achter ons.

Ik heb mij gelukkig goed gekleed, want het blijft maar stijgen, en het wordt steeds maar frisser. Aan een hypermodern tankstation ontmoeten we een paar arabieren… heel speciaal volkje.

We gaan de Ala Bel pas over op bijna 3200 meter, waarna we weer wat zachtjes afdalen in een lange hoogvlakte, waar veel nomaden hun kampement opgeslagen hebben. Dat bestaat tegenwoordig niet enkel uit een yoert, maar veelal ook een afgedankt spoorrijtuig, verroest, met soms zelfs gaten in het dak. Misschien verblijven ze hier enkel in de zomer, en hebben ze nog een huis of appartement voor de wintermaanden?

Na deze vlakte stijgen we weer, om dan doorheen een lange tunnel te rijden, gelukkig goed verlicht, waarna we de lange afdaling beginnen van 2600m naar Kara-Balta, op nog geen 800m. Het wordt daar drukkend warm, boven 35 graden. Nu nog 60 km grote weg naar Bishkek, een echte beproeving want druk, stoffig, slechte chauffeurs, en dan vooral de wegenwerken, die dertig jaar terug al nodig waren, tien jaar terug gestart zijn, waar hier en daar drie man werkt, kortom, zoiets zoals wij gewoon zijn in België, maar nog wat erger.

Bishkek werd planologisch aangelegd door de Russen einde !9e eeuw, en werd al gauw het bestuurlijk centrum van de regio, en later, onder de Bolsjewieken, zelfs van de gehele Sovjetrepubliek Kirgizië. En dat is er ook aan te zien. Er zijn brede straten met bomen, vele parken, monumenten en gebouwen, en dat alles in die typische Sovjetstijl zoals ik zo vaak aantrof in Rusland. Maar de infrastructuur is oud en versleten, en dringend aan opfrissing toe.

We werken ons gemakkelijk door het stadcentrum heen, tot aan Hotel Salut, een écht Biker’s Hotel, in die zin dat het gerund wordt in samenwerking met een motortransportfirma uit Polen, ADV-factory, en dat van hieruit ook rondritten doorheen de regio organiseert. De manager rijdt zelf op een mooie oude Africa Twin met Poolse nummerplaat. Udo en Dirkjan verbleven hier ook de eerste dagen na hun aankomst in Bishkek. Rondom het hotel, achter het hek bevinden zich tientallen motoren, wachtend om een rit te beginnen, of om terug verscheept te worden naar huis.

We nemen onze intrek in onze kleine comfortabele hotelkamers, douchen, en gaan dan op zoek naar wat te eten in de buurt.

 

Dag 101 (Maandag 8 juli 2019):

Vrije dag in Bishkek (KG)

Ik heb vandaag vrij lang geslapen, maar wat onrustig door de grote hitte.

We ontbijten om acht uur, waarna Frits en ik een taxi nemen naar het Mongoolse Consulaat, dat vermoedelijk om 9 uur opengaat. Na wat aanbellen komt een vriendelijke man ons melden dat het kantoor slechts om tien uur opengaat, wat betekent dat we nog een uurtje tijd te doden hebben. Frits, met zijn pijnlijke voet, installeert zich op de bank in het parkje; ikzelf ga de omgeving afstruinen, terwijl het al aardig warm begint te worden. Behalve het gewone leven op straat beleef ik hierbij niets speciaals. Toch even een teken van herkenning: ze verkopen hier ook Kvas, een niet-alcoholische verfrissende zoete drank, gebrouwen uit brood, overgenomen van de Russen.

Om tien uur worden we dan goed ontvangen in het consulaat, moeten nog wat papieren invullen, en worden dan weer buitengelaten met een betalingsopdracht in een bank verderop.

Ons visum mogen we dan ophalen overmorgen, woensdag, om 11 uur.

De bank ‘drie straten verderop’ blijkt wel heel wat verder af te liggen dan eerst gedacht, wat wel een tegenvaller is voor Frits, wiens voet nog behoorlijk pijn doet bij langdurig stappen.

Ik zie een kapperszaak, en overtuig Frits om zijn haar híer en nú te laten knippen, terwijl ik de visumkosten voor ons beiden ga betalen in de bank, nog eens 500 meter verder. Gelukkig loopt de betaling gesmeerd, en raken we tegelijkertijd wat 1-dollarbiljetten kwijt, waarmee we bij de gewone Kirgies niet kunnen betalen. De banken rekenen hen extra kosten wanneer ze de kleine coupures willen inwisselen voor Kirgiese Soms. Ik moet echter geen extra kosten betalen. Ik keer terug. Hier en daar vallen mij enkele details op in het straatbeeld. Hier in Verweggistan heeft men meestal geen moeite met de geschiedenis van de laatste honderd jaar.

Ik haal Frits weer op. Het loopt nu aan tegen de middag. We nemen een koffie om de hoek, en vervolgens een taxi naar het hotel.

We vervangen het voorste tandwiel op Frits’ motor, wat normaal een klusje van enkele minuten zou moeten zijn, maar uiteindelijk heel wat werk vergt, omdat hij een nauwelijks passend speciaal model meegebracht heeft van thuis. Maar beter nú alles in orde brengen, dan dat de ganse groep ergens in de loop van de volgende weken ergens, God weet waar, opgehouden wordt.

Frits wil nog een voorband kopen, nu we in deze grootstad zijn, en de hotelmanager zegt dat hij nog wel wat liggen heeft in de kelder. Daar ligt onder andere nog heel wat spul dat hier ooit naar toe gestuurd is, maar waarvan de eigenaar nooit is komen opdagen of hier nooit geraakt is. We vinden een geschikte band voor een geschikte prijs. Ook ikzelf wil wel de achterband monteren, welke ik in Osh kocht; dat is dan allemaal achter de rug. Ik vertrek samen met Frits en met de hotelmanager naar een goede bandenzaak aan de rand van de stad.


We (ik) moeten wel zelf de wielen uithalen en weer monteren, maar de montage van de banden gebeurt snel en professioneel.

66266677_143970970121330_6425387154897108992_n (1)

Rond 18 uur zijn we terug in het hotel.

Om 19u nemen we met zijn vieren een taxi naar restaurant Bella Italia, en krijgen er een goede maaltijd voorgeschoteld. Frits en Dirkjan nemen daarna een taxi terug naar het hotel. Udo en ik lopen te voet terug, iets meer dan twee kilometer. Het is wel warm, maar er is in ‘Bishkek by night’ toch heel wat te zien.

Er loopt nog heel wat volk op straat, vooral gezinnetjes met heel jonge kinderen.

 

Dag 102 (Dinsdag 9 juli 2019):

Vrije dag in Bishkek (KG)

Terug een warme zwoele nacht. Ik sta om zes uur op en zet mij achter de computer om weer een klein stukje bij te schrijven. Ik wil straks mijn motorkledij laten wassen, want hier hebben ze er ervaring mee. Ik verwijder alle inhoud en de beschermingen, en geef ze af aan de receptie.

Udo is er niet om 8u aan het ontbijt. Zijn motor staat er ook niet. Een kwartiertje later komt hij terug van een ritje met fotoshoot door de stad. Hierbij heeft hij wat vertraging opgelopen omwille van een bekeuring voor verkeerd parkeren, waarbij na wat onderhandelingen een heel klein bankbriefje van eigenaar verwisseld is.

Na het ontbijt volgt een uitgebreide planning van de route en de overnachtingen de komen weken, want we moeten Mongolië inreizen op een welbepaalde datum, om daar onze gids met volgwagen te ontmoeten. Het wordt 13u voor we alles geregeld hebben.

Ik maak vervolgens met Udo een stadswandeling, terwijl Dirkjan op zoek gaat naar een band en een ketting. Frits wil zijn voet wat sparen en blijft ter plaatse. Udo en ik lopen tot aan het centrum.

Aangezien Bishkek vooral beginnen groeien is sedert de jaren veertig, dateren de oudste gebouwen uit de Sovjetperiode. Maar het is toch aangenaam wandelen, want er zijn brede voetpaden, en veel schaduw door de bomen die de vele lanen afzomen. Dan wordt het tijd voor een koffie, plus wat baklava voor mij, en een ijsje voor Udo.

Wat verder is een groot winkelcentrum. Ik stap er binnen in een kledingzaak, en koop er een broek ter aanvulling van diegene die ik heb, welke vuil is en ondertussen hier en daar opgelapt. Udo heeft wat al sedert een paar weken wat last in de rug, en we hervatten langzaam de lange terugweg naar het hotel.

In de late namiddag komt er een oudere man aan op een bijna dertig jaar oude BMW 1000GS. Hij stapt wat moeizaam af en neemt intrek in het hotel. Het is een Italiaanse huisarts, nog steeds aan het werk, maar nu op vakantie. Hij is niet veel van zeggen.

Dirkjan is er om 19u nog steeds niet, dus gaan we eten zonder hem, en laten een boodschap achter waar we zitten.

Wanneer we terug in het hotel zijn komt Dirkjan er ook net aan. Het heeft lang geduurd om een nieuw ketting en een nieuwe achterband te monteren. Hij heeft honger en bestelt via de receptie een pizza, die algauw geleverd wordt door een pizzakoerier. We blijven nog wat babbelen, maar zoeken dan onze kamer op.

 

Dag 103 (Woensdag 10 juli 2019):

Bishkek (KG) – Balykchy (KG)

Vandaag is weer een verplaatsingsdag. We zullen Bishkek verlaten en oostwaarts rijden naar Balykchy, aan het Issyk Kul meer.

We kunnen het kalmpjes aan doen deze morgen, want vóór we kunnen vertrekken moeten we nog om 11u de visa voor Mongolië afhalen op het consulaat. We blijven dus wat langer aan de ontbijttafel zitten. En dan nog maar wat op de computer werken aan de blog, alles inpakken en de motor laden.

Om half elf rijden Frits en ik naar het consulaat. Daar zijn we niet alleen. Vermoedelijk gaat straks het consulaat dicht omwille van de jaarlijkse vakantie welke telkens plaatsvindt tijdens het Naadam festival in Ulaan Baatar.  We moeten even wachten, maar verlaten opgelucht het consulaat met het laatste benodigde visum op zak.

Nu nog Udo en Dirkjan weer oppikken, afscheid nemen van de hotelbaas, en rond de middag verlaten we Bishkek. Het is erg warm, er is veel verkeer, en de route is saai. Het is dus lastig rijden. Na een uurtje heeft Udo een terrasje gespot, waar we afzakken voor een koffie, en een hapje voor Udo en Dirkjan. Ik heb ook wel trek, maar durf niets te eten uit schrik voor slaperigheid op de motor. Daar komt de Italiaan op de BMW ook ineens af, kijkt wat rond, zegt even gedag, maar zet dan op zijn gemakje weer zijn weg verder.

Er zijn veel snelheidscontroles. Opeens worden we aangehouden: iemand van ons heeft te snel gereden, maar ze weten niet wie. Dan pikken ze Udo er uit, hij reed voorop, en smeren hem een boete aan het been, onmiddellijk te betalen, wat wettelijk niet mag, en dus in de zakken van de agenten verdwijnt. Verkeersborden met maximumsnelheid staan er niet, maar flikken staan er wel, wel om de vijf a tien kilometer, en pikken er de ene na de andere vakantieganger uit, meestal Kazachen. Wat later is Dirkjan aan de beurt: zijn voorlicht brandde niet. Hij leutert er zich grotendeels uit, en betaalt dan toch een heel kleine som om er vanaf te zijn. We rijden heel voorzichtig verder aan minder dan zestig per uur, en dat op een autosnelweg, en bereiken uiteindelijk Hotel Azimut in Balykchy, op 1700 meter boven de zeespiegel.

Het is een nieuw proper hotelletje, met alle nodige comfort. Uitladen, douchen, wat rusten. Ik haal de GPS van Frits uit elkaar: er is alweer vocht ingekomen na een nachtje in de regen. En dan op zoek naar wat te eten. Frits gaat niet mee; hij wil niet ver stappen en kocht wat fruit en ander proviand in de grote supermarkt naast het hotel. We zien heel veel kleine eettentjes, maar verschrikkelijk primitief.

We blijven dan maar stappen tot we iets vinden dat net dát ietsje beter is dan de rest, en waar reeds redelijk wat volk zit. Veel keus hebben ze niet, de haastige vriendelijke dienster ratelt dan nog van alles onverstaanbaars, maar we krijgen te eten voorgeschoteld: Dirkjan een bord Lagman, dat zijn noedels met groenten en vlees, Udo en ik een slaatje met geroosterde schapenvleesbrokken, lekker, sappig en níet aangebrand.

Dan weer te voet het hele eind terug. De herinnering aan Lenin wordt ook hier nog levendig gehouden.

 

Dag 104 (Donderdag 11 juli 2019):

Vrije dag in Balykchy (KG)

Ik wordt om vijf uur wakker en ben goed uitgerust. Om Udo niet wakker te maken sluip ik stilletjes naar beneden naar de cafetaria, en voeg wat foto’s toe aan de blog, wat een tijdrovend karweitje is, want ik moet de tekst lezen, hier en daar nog wat veranderen, en moet dan vervolgens uit de massa foto’s nog een geschikte selecteren en toevoegen. Ik raak zodoende tot in Pensjikent, maar moet dan onderbreken voor het ontbijt. We ontbijten lang en langzaam. We hebben beslist om vandaag geen uitstap op de motor te maken, want te ver en te lastig, maar straks wel te gaan wandelen naar het meer.

Om tien uur zijn we dan zover: we slaan een zijwegje in van de hoofdweg, en lopen doorheen een stoffige rommelige straat richting het meer. Er is wel een zware zon, maar het is op deze hoogte toch niet overdreven warm, en er staat een fris windje. Onderweg bezoeken we een Russisch orthodoxe kerk, binnenin rijkelijk beschilderd, aangekleed, en versierd.

Van daaruit slaan we rechtsaf, stappen over de spoorweg, en komen aan een uitgestrekt grasland, met een beekje, spelende kinderen, paarden en koeien, en daarachter het enorme Issik Kul meer.

We volgen de rand van het meer, en komen op een drukbezocht strandje, waar veel mensen zonnen en baden.

Er is een terrasje waar ze koffie serveren: dat wordt onze eerste stop.

Van hieruit slaan we het strandgebeuren wat gade, en praten met een Kazach, die op vakantie is, en hier een tussenstopje maakt om wat af te koelen. Hij trekt seffens verder omdat het strand en het water verderop aantrekkelijker zijn.

Wij gaan nu verder, opnieuw het stadje in, en bereiken de oude bazaar, waar een drukte van jewelste heerst. We lopen wat rond in de bazaar. Dirkjan koopt er een zonnebril. Hij is de vorige ergens kwijtgeraakt. We stappen uiteindelijk een ini-minirestaurantje binnen met twee kleine tafels, waarvan al één bezet is: huizeke vol dus. We bestellen nog een koffie, en een paar aardappelkoeken, heet gebakken en heel erg lekker. De vrouw aan de andere tafel, onze leeftijd, is niet op haar mondje gevallen en knoopt een heel gesprek aan met ons.

Dan weer naar het hotel voor wat platte rust. Ik steek de GPS van Frits weer in elkaar; hij lijkt goed uitgedroogd. De stroom er op, en ja, hij werkt weer. Dan nog wat modder van mijn motor afwassen, want anders raken mijn propere kleren besmeurd. Frits heeft honger: dus ik moet hier stoppen met de blog, maar ben net volledig bijgebeend.

Aangezien de restaurants een paar kilometer verwijderd zijn van het hotel, en Frits zijn voet nog wat moet sparen, nemen we een taxi. Die zijn hier overal bij de vleet aanwezig en erg goedkoop. Ik bestel lagman: noedels met vlees en groenten.

 

Dag 105 (Vrijdag 12 juli 2019):

Balykchy (KG) – Tossor (KG)

Ik sta op en zet mij aan het werk: ik moet absoluut wat achterstand met mijn foto’s wegwerken, wat dan ook voor een deel lukt.

Ik kan nu eindelijk een bijna afgewerkt deel 4 van de blog publiceren: het deel van Verweggistan zonder Udo en Dirkjan, dus tot aan Dushanbe.

We zitten vandaag wel erg lang aan het ontbijt. Udo en Dirkjan blijven wat babbelen met een jong Duits koppel welke hier op de fiets rondreizen. Uiteindelijk vertrekken we dan toch even voor tien uur. We zijn niet haastig want hebben slechts een beperkte verplaatsing op het programma gezet. Alweer zien we snelheidscontroles door de politie: We zagen dit nergens anders in Kirgizië, wat wel overeenkomt met de verhalen dat ze vooral de buitenlandse vakantiegangers viseren, in wie ze een gemakkelijke en veilige prooi zien om wat geld afhandig te maken. We letten extra op en laten ons niet vangen.

De route loopt langs de zuidelijk kant van het meer, welke een prachtige blauwe kleur heeft, en zo groot is dat de overkant enkel kan vermoed worden door de aanwezigheid van de bergen, die de grens vormen tussen Kirgistan en Kazachstan.

Aan de rand van de weg zien we een jonge motard met een BMW, en enkele kilometers verder twee oude Honda’s, een Africa Twin en een Transalp. De bagage is afgeladen en ligt op de grond. Vermoedelijk hebben ze problemen. We stoppen, en inderdaad, de Transalp heeft een lekke voorband, welke nog maar deze morgen hersteld werd onderweg. Het Transalpje is meer dan dertig jaar oud, zo een met een zwart blokje, één van de eerste die op de markt verscheen, en duidelijk wel aan wat onderhoud toe. De twee jonge Tsjechen hebben zelf geen extra binnenband meer, en zitten nu dus in de rats. De man op de BMW die we eerder zagen is hun vriend, die ook op zoek is naar een herstelplaats waar hij een versleten wiellager kan laten herstellen. Wij hebben wél voldoende binnenbanden bij, en helpen de Tsjechen de voorband te herstellen. Het duurt wel even, want de motor heeft geen middenbok. Dus gaat één van de twee op zoek naar een enorme kei, en ondersteunen we het motorblok zodanig dat het voorwiel kan verwijderd worden.

Bovendien is de velg rot, waardoor vermoedelijk metaalschilfers loskomen en de binnenband beschadigen. De velg moet dus eerst met Ducttape afgeplakt worden. Ik gebruik vervolgens één van mijn cartridges met gecomprimeerde lucht om de band op spanning te brengen. Gelukkig zijn hier heel wat bomen die voor schaduw zorgen. Ons werk zit er uiteindelijk op, wat toch alles samen een tweetal uur gekost heeft, maar ze kunnen nu alles weer opladen en hun reis verderzetten.

We hervatten de reis, rijden hier wat verder af van het meer, steken een heuvelrij over, en komen in een grote alluviale vlakte waar aan landbouw wordt gedaan. Gezien de aanwezigheid van klei zijn de meeste huizen gemaakt van gedroogde kleiblokken. Zelfs nieuwe huizen, opgebouwd uit een betonnen geraamte, hebben vaak muren van gedroogde klei.

We steken weer de heuvels over en rijden alweer langs het Issyk Kul meer. Hier zijn er drukbezochte strandjes, met alle bedrijvigheid welke er bij hoort. Horeca, camping, parkings,… Hier en daar staan onafgewerkte geraamtes van hotels, en zelfs een enorme ruïne van een attractiepark.

We stoppen bij een restaurantje om een koffie te gaan drinken: Frits en Dirkjan laten zich verleiden tot een bord frieten met mayonaise en een cola. Het is gelukkig niet te ver meer rijden, en ook niet te heel warm.

In Tossol slaan we de aardeweg in die naar ons ‘hotel’ leidt. Gelukkig is het droog en is de aarde keihard. Het Ecohotel blijkt eigenlijk eerder een Guesthouse met primitieve bungalows op 50 meter van het strand. Er is veel ruimte en veel groen: vooral abrikozenboompjes, waarop hier een daar reeds een rijp vruchtje, plukkensklaar.

´s Avonds is er gebakken vis met aardappelen, met een stuk abrikozencake en watermeloen als dessert.

We gaan nadien nog even wandelen langs het strand. Het is ondertussen donker geworden.

Ik neem nog een douche en ga slapen.

 

Dag 106 (Zaterdag 13 juli 2019):

Tossor (KG) – Karakol (KG)

Ik sta op omstreeks halfzes en installeer mij op het terrasje van de bungalow. De hond van de eigenaars komt mij begroeten, en gaat zich direct daarna weer knus installeren op de kussens van het terras. Het is aanvankelijk nog wat fris, want we zitten hier toch op ongeveer 1700m hoogte. Even later komen de zonnestralen over de bomen heen en krijg ik het al gauw comfortabel warm.

De komende week hebben we een grote verplaatsing voor de boeg door een enorm land dat grotendeels uit steppe bestaat, en waar weinig steden en overnachtingsmogelijkheden zijn: Kazachstan. We moeten dus alles minutieus plannen, wat toch wat opzoekwerk vergt. Ook probeer ik de blog zodanig bij te werken dat ik er de komende week zo weinig mogelijk werk aan heb.

Om 9 uur pas kunnen we hier ontbijten: het hotel is een eco-hotel, wat betekent dat het gerund wordt door een soort groene jongens en meisjes, zoals overal niet van het ijverigste soort, en een ochtendstond met enkel gras in de mond. Maar het ontbijt mag er wel zijn. Er is vers brood; Frits is meegereden met de baas tot in het naburige dorpje om toch aan vers brood te geraken.

We laden de motoren, ik ga betalen en afscheid nemen, en we kunnen vertrekken. Ons vertrek loopt plots toch behoorlijk mis: ik kom ten val in een door het hoge gras verborgen put op het wegje doorheen de boomgaard, maar zonder erg. Geen kwetsuren en geen schade aan de moto. De baas is komen toegelopen en voert als verontschuldiging aan dat het wegje bedoeld is voor auto’s…

Onze eindbestemming is niet ver weg, het stadje Karakol, bijna 100km oostwaarts. We hebben dus tijd voor een zijsprongetje naar de Barskoon waterval. De weg bestaat echter uit verharde modder, en Frits besluit na een klein eindje rijden om terug te keren naar de hoofdweg en ons daar op te wachten. De weg is redelijk gemakkelijk berijdbaar aangezien het droog is, en al gauw spotten we de waterval wat hoger in de bergen. Langs de kant van de weg is een grote parking, bijna volledig ingenomen door Kirgiezen, die ergens in de stad wonen, maar hier op zaterdag samenkomen op de buiten, waar hun voorouders eeuwen leefden als nomaden.

Mijn motor trekt algauw heel wat belangstelling, totdat ineens een jonge man verschijnt met een getemde arend, die gebruikt wordt voor de jacht.

IMG-20190713-WA0005

De arend steelt natuurlijk de show. Hij neemt zelfs even plaats achter op mijn motor, en wordt vervolgens losgelaten in de lucht. De jongeman springt op een paard en gaat er achter aan.

We kijken dan nog wat rond en besluiten ook terug te rijden, gezien de hemel betrekt, en we de afdaling liefst niet op een modderige weg in de regen doen. En daar komt net de man terug te paard met de arend op de arm.

We raken zonder problemen snel terug op de hoofdweg, en zien in de spiegels de zwarte onweerswolken volgen. Het begint wat te druppelen, maar zonder erg. We pikken Frits op, die daar even verder zit te wachten, en bereiken Karakol rond drie uur.

Hotel Madanur is snel gevonden, want aan het begin van de stad. De kamers zijn nog niet klaar, maar dat komt goed uit, want we zijn toe aan een koffie in het leuke cafeetje, wat ons ertoe gebracht had dit hotel te reserveren. We hebben allen een eigen kamer, en kunnen vlot onze intrek nemen en douchen.

We rommelen nog wat aan de motoren, en gaan dan met zijn vieren samen zitten om de definitieve afspraken te maken voor de komende reisdagen tot aan Mongolië. Dit moet goed gepland worden aangezien we precies op 22 juli aan de grens verwacht worden voor een begeleide tocht door Mongolië met auto, gids, tent en voedselvoorziening, welke we geregeld hebben via Marco van Motortrails. We bespreken de route, en beginnen de hotels te boeken.

We onderbreken even voor het diner, en gaan dan na een uurtje weer verder tot bijna 11u, waarna we elk onze kamer opzoeken om te gaan slapen.

  

Dag 107 (Zondag 14 juli 2019):

Vrije dag in Karakol (KG)

Ik sliep vannacht op een soort tempur matras: dat lijkt redelijk hard, maar neemt de vorm aan van je lichaam. Dus heb ik heerlijk geslapen. Ik sta op om vijf uur, en hoor dat de haan zijn best doet: hij stelt zijn hennetjes gerust dat hij zich vandaag niet als een gentleman zal gedragen. Honden, vogels, ezels, algauw zijn ze allen mede van de partij.

Om 8 uur schuiven we aan voor het ontbijt: een buffet, lekker en uitgebreid, We nemen er onze tijd voor, want het zal de komende weken vermoedelijk sneller moeten gaan, of eerder beperkt zijn. Dirkjan gaat nog wat aan zijn motor werken, terwijl Frits en ik de bandenspanning van onze motoren controleren en wat op peil brengen.

En nu op stap doorheen het stadje.

Frits blijft in het hotel, hoewel hij wel zin heeft om mee te gaan. Het is al warm en drukkend. Deze stad is de oudste stad rond het Karakolmeer, en dateert uit de Tsarentijd, toen hier een militaire post werd opgericht.

Eind 19e eeuw nam het aantal bewoners flink toe door een toestroom van Dungans, Chinese moslims die vluchtten voor het oorlogsgeweld in China. Udo en ik gaan nu op zoek naar de moskee van die Dungans.

De moskee is volledig in hout opgetrokken zonder nagels, en nogal opzichtig beschilderd. De dakstructuur heeft een duidelijke pagodestijl. Ook hier staat de tuin vol fruitbomen, vooral abrikozen.

We gaan weer op stap. Rond de bazaar loopt wel wat volk, maar de markt is niet echt open, behalve wat winkeltjes en kraampjes waar vooral lokaal fast food verkocht wordt. De stad telt verder nog tal van oude gebouwen, vooral in Sovjetstijl, zowel qua vorm als kleur. Het enige andere echt historisch gebouw in de stad is de kathedraal van de Heilige Drievuldigheid, ook in hout opgetrokken.

Het hout is donker, verweerd en verkleurd. Het is aan de buitenzijde enigszins verwaarloosd. Toch is het mooi en indrukwekkend. Binnenin is de houten structuur niet zichtbaar want nogal strak ingericht en beschilderd in het typische Sovjet wit en blauw, vermoedelijk de enige kleuren verf welke destijds zonder enige beperking beschikbaar waren. Aan de straatkant staan een tiental kraampjes waar vooral opzichtige plastic bloemen worden verkocht.

We gaan Café Zarina binnen, een verzorgd etablissement waar we hopen een koffie te kunnen krijgen. Het aanbod is erg beperkt: de uitgebreide kaart wordt door het dienstertje al gauw gereduceerd tot 2 soorten koffie, zwart of met melk én suiker, en 1 soort gebak. De keuze is snel gemaakt en blijkt dan ook nog uitstekend, zodat we een half uurtje later tevreden de wandeling hervatten, terug naar het hotel.

Platte rust, wat rommelen, en daarna de routekaarten voor Kazachstan en Rusland downloaden en plaatsen in de GPS.

We gaan vroeg eten, om tijdig te kunnen gaan slapen.

Na het diner gaan we betalen aan de receptie, zodat we morgenvroeg vlot kunnen vertrekken. Op onze vraag of we reeds vroeger dan om 8u kunnen ontbijten, krijgen we een njet op het rekwest. Maar de keukenhulp is er om halfacht…

 

Dag 108 (Maandag 15 juli 2019):

Karakol (KG) – Zharkent (KZ)

Even voor achten kom ik aan de ontbijttafel. Mijn motor is grotendeels bepakt en ik sta quasi vertrekkensklaar. De anderen waren er vroeger dan ik; Frits en Dirkjan hebben reeds ontbeten. Uiteindelijk sta ik dan toch nog bijna als eerste effectief klaar om te vertrekken.

De vallei ten Oosten van het Karakolmeer is erg mooi. Er wordt aan intensieve landbouw gedaan want de grond is erg vruchtbaar. Het ene dorpje na het andere wisselt zich af. Aanvankelijk is de vallei nog meer dan vijftig kilometer breed, maar wordt steeds smaller en gaat steeds hoger naarmate we meer oostwaarts rijden. Het asfalt houdt op na het laatste dorpje, en de twee bergketens versmelten, wat het einde van de vallei betekent. We trekken een kleine pas over en komen in een gans ander landschap: een hoogvlakte met steppeachtige begroeiing. Hier wonen nomaden die prachtige paarden kweken. De kudden paarden lopen hier en daar vrij rond en versperren soms de weg.

We worden tegengehouden aan een politiepost: ze vinden het de moeite niet om onze paspoorten te controleren, maar wel om een praatje te slaan. Ondertussen nemen we wat foto’s van de va-et-vient aan de bareel, waar iedereen toch even moet stoppen.

We zetten onze weg verder over een redelijk goed berijdbare grindweg, en bereiken dan de Kirgizisch-Kazachse grens, welke ons toch een uur kost om er doorheen te geraken vanwege de drukte. Tien kilometer verder begint opnieuw het asfalt. Het zwaarste is achter de rug.

Kazachstan is een echte revelatie: de landschappen wisselen snel af, heuvels, steppe, woestijn, en hier en daar een oase. Ook blijven we redelijk op hoogte, zodat de temperaturen draaglijk blijven, en nooit boven 34 graden uit komen.

Charyn Canyon is een soort Grand Canyon, maar dan een mini-versie. Dank zij de redelijk goede wegen hebben we voldoende tijd om te genieten van dit alles, hetgeen de voorbije weken niet altijd het geval was.

De laatste 50km rijden we over een gloednieuwe autosnelweg welke de hoofdstad Almaty met China verbindt. De snelweg is echter nagenoeg leeg.

Zharkent is onze eindbestemming. Het ligt ongeveer twintig kilometer van de Chinese grens. Alweer is men in dit hotel grotendeels in het ongewisse over onze komst, maar is er gelukkig genoeg plaats vrij. We worden heel vriendelijk ontvangen. Omdat er cash betaling verlangd wordt gaan we alvorens de motoren af te laden op zoek naar een geldautomaat, wat minder simpel blijkt dan gedacht, want de meeste zijn buiten gebruik, of aanvaarden geen buitenlandse kaarten. Maar de zesde automaat laat zich gelukkig plunderen, waarna we snel het hotel terug opzoeken, en een deugddoende douche kunnen nemen.

We kunnen eten in de kleine cafetaria van het hotel, en worden snel en goed bediend. Wanneer we vragen naar een ijsje als afsluiter blijkt er geen ijs in huis. Maar geen probleem: binnen vijf minuten komt dit wel in orde… En inderdaad, een mooie ijscoupe wordt geserveerd… en nét op dat moment valt de elektriciteit in gans de straat uit, zodat we eerst met het licht van de smartphones, en vervolgens met een goeie ouwe kaars het lekkers zien naar binnen te spelen vooraleer het smelt.

En dan naar bed, tevreden over de alweer mooie voorbije dag.

 

Dag 109 (Dinsdag 16 juli 2019):

Zharkent (KZ) – Taldykorgan (KZ)

De naam van dit stadje is heel toepasselijk op de weersgesteldheid: we bevinden ons in Zharkent, en we verwachten vandaag en de volgende dagen ‘Zhara’ (hitte). Wanneer ik rond halfzeven naar beneden ga, lopen buiten vóór het hotel al heel wat hotelgasten rond. Het zijn klaarblijkelijk acteurs en technisch personeel van een griezelfilm welke hier in dit stadje opgenomen wordt. Ik ga mijn motor klaarmaken, want we willen zo snel mogelijk kunnen vertrekken alvorens het té warm wordt.

Het ontbijt verloopt wat rommelig, maar het personeel doet alweer zijn best om het ons naar onze zin te maken. Naar het schijnt komen hier zelden toeristen, of misschien zijn we de eersten die hier een voet binnen zetten.

Afscheid nemen en vertrekken. Het ís al warm.

En alweer passeren mooie en verscheidene landschappen de revue. We gaan twee maal over een gemakkelijke bergpas van 1700m. Er is niet veel verkeer, en de Kazachse chauffeurs gedragen zich heel behoorlijk, zodat we redelijk ontspannen kunnen rijden.

Onderweg houden we halt in een kleine eettent net voorbij de pas: er is hier een kleine oase, waar enkele gezinnen een bestaan opgebouwd hebben in de buurt van een bron. We installeren ons aan een tafeltje onder een afdakje waar een aangename bries doorheen waait. We worden bediend door een meisje van twaalf die ons al gauw vier koffies serveert. Op de ganse rit zagen we niet één buitenlandse toerist, behalve die ene eenzame zwaarbepakte fietsster.

De laatste honderd kilometer gaan alweer over een mooie snelweg, welke Almaty noordwaarts met Rusland moet verbinden via Semey, het vroegere Semipalatinsk. De snelweg loopt uit in een grote stad, Taldykorgan, waar ik een hotel gereserveerd heb. En opnieuw hetzelfde liedje in Hotel Sultanat: we komen als het ware uit de lucht vallen, en er moet naarstig gezocht worden naar de boekingsgegevens, waarna dan ineens alles vlot verloopt, en we vier mooie kamers toegewezen krijgen.

Een uurtje later zijn Udo en ik op stap in het stadje, typisch van Sovjetmakelij, maar heel goed onderhouden, gerestaureerd, en blijkbaar in heel goeden doen, te zien aan de wegen, de gebouwen, de mensen, de auto’s. First things first: een koffie met een stukje baklava: Pas dan duiken we de stad in.

Je moet je deze stad niet voorstellen als Gent of Eeklo; wat je ziet is eerst en vooral veel groen.

Quasi alle straten zijn afgeboord met hoge lommerrijke bomen en brede voetpaden. Hoogbouw zien we hier niet. Het is 38 graden, en kinderen maken dankbaar gebruik van de vele fonteinen om zich al spelend te verfrissen. Na een uurtje keren we terug naar het hotel, rusten wat uit, en gaan dan samen met Frits en Dirkjan wat eten.

We maken afspraken om morgen vroeg te kunnen vertrekken, vooraleer de grote hitte toeslaat: er wacht ons een lange rit door een warme en dorre steppewoestijn.

 

Dag 110 (Woensdag 17 juli 2019):

Taldykorgan (KZ) – Ayaguz (KZ)

In het hotel is er geen mogelijkheid om te ontbijten, maar we hebben ons hierop voorzien, en gisteravond enkele ontbijtbroodjes gekocht in een supermarktje. Ik maak koffie en thee klaar op mijn kamer, en om halfzeven kunnen we de dag dan toch starten met een primitief ontbijtje.

Om zeven uur laten we Taldylorgan achter de rug, rijden de autostrade op, maar komen algauw aan het einde hiervan, en aan het begin van de wegenwerken. Naast de nieuw aan te leggen snelweg werd een voorlopige weg uitgegraven en geconditioneerd, bestaande ofwel uit ruw primitief asfalt, ofwel uit grint. Om op te rijden maakt het niet veel uit, want alles is toch reeds kapotgereden.

Er volgt nu dus een lange lastige rit over wegen welke die naam nauwelijks waard zijn, bij temperaturen die oplopen tot 38 graden, doorheen stof, en gelukkig niet al te veel verkeer, behalve één enkele keer waar we een kolonne militaire vrachtwagens voorbijsteken. De omgeving is waarschijnlijk mooier dan we kunnen bevatten, maar veel gelegenheid tot sightseeing is er niet. Hier en daar staat een vrachtwagen in panne. Terwijl we passeren krijgt een vrachtwagen plots een klapband, wat een enorme stofwolk veroorzaakt.

Het grootste deel van de dag passeren we doorheen een dorre steppe, eerst langsheen de bergen van Oost-Kazachstan, later langsheen een enorm moerassig gebied met veel vogels. De steppe wordt hier en daar onderbroken door een oase, gevormd langsheen een rivier die uit de bergen komt. Daar heeft zich dan ook meestal een dorpje of een stadje gevormd.

Door de diepe putten, en door de grotere afmetingen van mijn terreinband achteraan, raakt een deel van mijn zijkofferophanging vervormd. De achterband met grote noppen heeft het ijzer gegrepen en totaal vervormd, zodat het telkens gaat slepen wanneer ik in een verzakking rij. Gelukkig is er niets gebroken. Ik verwijder het vervormde metalen deel, dat enkel dient ter versteviging, stop het stevig tussen de reservebanden, en zet de reis verder aan een lager tempo. Het vervormde metalen stuk zal ik later wel weer in de vorm zien te buigen.

Naarmate we meer noordwaarts rijden is er enige verbetering van het wegdek, zodat we uiteindelijk Ayaguz bereiken vóór zeven uur. We passeren verschillende legerkazernes vooraleer in het centrum aan te komen, wat mooi illustreert dat vele steden in deze regio ontstonden rondom een militaire post. We hebben hier niets kunnen reserveren zodat we nog op zoek moeten naar een hotel. Eerst vinden we na wat zoeken Hotel Tamasha, dat echter vol is. De uitbaatster neemt haar telefoon en vindt algauw een andere oplossing, Gastinitza Ayaguz, net naast het station.

Dat is al gauw gevonden, en na wat onderhandelen krijgen we twee kamers toegewezen. De motoren worden achteraan het hotel op een afgesloten binnenplaats gezet. Het hotel is er nog echt één uit Sovjettijdperk, en hoewel nu gerund door vriendelijke jonge mensen, toch met een redelijk strakke administratie en organisatie, welke regelrecht lijkt overgenomen uit het Rode Boekje. De gangen lijken wel deze van een internaat, maar de kamers zijn wel ruim in die zin dat ze bestaan uit een slaapkamer, een badkamer, en daartussen een soort living met zetel en tafel.

Na het douchen en omkleden gaan we eten in de kleine primitieve cafetaria van het restaurant. Er is nog slechts een beperkte keuze, maar we vinden allen wel iets naar onze gading. Voor mij wordt het plov: kip met rijst.

Dan gaan Udo, Dirkjan en ik nog even wandelen. Op het stationsplein staat een mooie locomotief uit vervlogen tijden op een pedestal.

Het treinstation is een heel drukke bedoening: mensen, auto’s, treinen, dat alles veroorzaakt een continue drukte langsheen en zelfs in het hotel. Een paar gezinnen verlaten nu hun hotelkamer en trekken zwaarbeladen richting station om nog de avond- of nachttrein te nemen.

We kijken eerst eens na of we hier morgenochtend vroeg zouden kunnen ontbijten, want in het hotel kan dit pas om 8 uur, en vervolgens 9 uur om te vertrekken, wat betekent dat we de aangename ochtendkoelte moeten missen om te rijden. Er is hier echter geen restaurant. We kijken wat rond en gaan vervolgens het stadspark in, dat op dit late uur, reeds in het donker, nog druk bezocht wordt door ouders met kinderen, en heel wat kinderjolijt te bieden heeft. Het lijkt wel een mini Melipark.

 

Dag 111 (Donderdag 18 juli 2019):

Ayaguz (KZ) – Semey (KZ)

Om zeven uur starten Udo en ik de dag met een koffie en een thee, welke we op de kamer hebben klaargemaakt. Het ontbijt zal wel later onderweg volgen. Een half uurtje later zijn de motoren geladen en gaan we allen samen op zoek naar benzine, waarna we het stadje al snel achter ons laten.

Het is nog erg fris, en er staat een stevige bries, en dat zal zo nog wel enkel uren blijven. De staat van het wegdek is heel wat beter dan gisteren, maar hier en daar zijn ook grote wegenwerken gestart, met de nodige omleidingen langs lastige en stoffige gravelwegen. Vandaag moeten we minder ver dan gisteren. Dirkjan heeft geluk, want net wanneer hij op een hobbelig rammelend stuk weg een deel van zijn bagage verliest, rij ik net achter hem, en zie de bagage op de grond vallen. Ik stop, raap het op, en stop het velig tussen mijn bagage. Dirkjan merkt pas kilometers later het verlies, en is opgelucht dat hij de ganse eind niet terug moet op zoek naar zijn spullen.

Na een uurtje rijden merk ik een cafetaria op waar nogal wat vrachtwagens staan. Ik bestel er voor iedereen een stevig ontbijt: eieren, pannenkoekjes, brood en koffie. Achter de toonbank staat een bed, waar een jongen van vijftien in een diepe slaap verwikkeld is. Het kleine gelagzaaltje ernaast is al helemaal gevuld met truckers, maar buiten is er net een tafeltje voor vier onder het afdak op het terras. We laten het ons smaken.

We passeren langs uitgestrekte graanvelden waar het graan bijna overal reeds geoogst is. Toch wel bijzonder dat hier op zulke uitgestrekte oppervlakken nog steeds gewerkt wordt met machines uit de jaren stillekes. Maar arbeidskrachten zijn goedkoop, zowel om op het land te werken, als om de machines draaiende te houden. Na het afmaaien worden de stoppelvelden in brand gestoken, net zoals bij ons vroeger, wat de indruk wekt dat hier een enorme natuurbrand gewoed heeft.

In Kalbatau moeten we even zoeken naar een benzinestation, want het eerste is buiten gebruik, en wordt net overvallen door een troep paarden, op zoek naar wat schaduw. Wat verder wordt een nieuw rond punt aangelegd, en we worden voor de laatste maal vandaag afgeleid langs een stoffige grindweg, die ons het zicht ontneemt van het benzinestation, zodat we er even later nog eens doorheen moeten om benzine te tanken. Maar vanaf hier ligt een prachtige asfaltweg voor ons, die ons in één ruk naar Semey voert, enkel één maal onderbroken door een koffiestop in het enige cafeetje dat we op het ganse traject tegenkomen. We nemen er ook nog een kleine hap: een soort broodje gevuld met aardappel, alweer erg lekker.

Semey is een grote stad, redelijk modern, qua grootte vergelijkbaar met Gent. Dit is het vroegere Semipalatinsk, waar ooit de eerste Russische atoomproeven gehouden werden, met alle gezondheidsproblemen van dien voor de bevolking, nu nog steeds tot op vandaag. De zware industrie van weleer is in elkaar gestuikt, en grotendeels ontmanteld, en de stad richt zich nu meer op de verbinding tussen China en Rusland, vanwaar ook de goede wegen die er naar toe leiden.

Hotel Semey is alweer een echt Sovjet-reliek: een enorm hotel met tweehonderd kamers, wellicht bijna honderd jaar oud, en tot op de draad versleten.

We hebben er elk een eigen kamer, wat efficiënter is om snel te kunnen intrekken, douchen en ´s anderendaags weer te kunnen vertrekken. Er is ook een cafetaria met ditmaal een iets ruimere keuze.

Het is nog niet al te laat in de namiddag, en we checken eerst de motoren: olie, kettingspanning, smeren. Ik zie ineens de klusjesman verschijnen, en vraag hem een hamer. Even later is de vriendelijke man terug met het geschikte gereedschap, en kan ik het verbogen ijzer van de kofferbeugels terug in de juiste vorm kloppen en vervolgens weer monteren.

Na het diner maken we nog een wandeling door het park en door een deel van het rustige stadscentrum.

Nostalgie naar de Sovjetunie leeft hier nog sterk. Kazachstan behoudt dan ook nog heel sterke banden met Rusland, en speelt een belangrijke rol in het meetrekken van de andere Verweggistanlanden in een Neo-Sovjetistan.

Dan in bed, want morgen wacht alweer een grote rit, mét grenspassage naar Rusland, en doorheen het hoge Altaï gebergte.

 

Dag 112 (Vrijdag 19 juli 2019):

Semey (KZ) – Barnaul (RU)

Ik sta vroeg op en werk de blog bij. Onze dagen zijn deze week zwaar gevuld door de grote verplaatsing welke we maken om vanuit Verweggistan tot in Mongolië te raken, waar we zullen begeleid worden door een auto met gids/kok en tentmateriaal.

Om zeven uur gaan we eten. Er is hier een groep Russen aanwezig welke met een vliegtuig luchtondersteuning geven aan een grote rally doorheen het Noordoosten van Azië. Het duurt dus wel even voor we kunnen eten.

Om 8u kunnen we dan toch vertrekken richting Rusland. Het is aangenaam fris. Al na een paar honderd meter zijn we Dirkjan kwijt. Hij reed plots een andere, eigen richting uit. We stoppen en sturen hem een SMS-je, wachten, maar krijgen geen antwoord. We rijden weer verder, want het gebeurt dagelijks dat hij zijsprongetjes maakt.

Ten Noorden van de stad ligt een mooi bos, gevolgd door een weidse vlakte waar redelijk intensief aan landbouw wordt gedaan, maar toch nog steeds met dat oude materiaal dat vermoedelijk nog stamt uit Sovjettijden.

Een half uur later is nog geen spoor van hem, en hij reageert ook niet op het SMS-je. We gaan onderweg tanken, rijden wat verder, en gaan dan een koffie drinken, hopend dat Dirkjan ons bijbeent. Uiteindelijk wordt het bijna elf uur, hebben we nog een grote afstand voor de boeg, en rijden we weer verder tot aan de grens. Daar staan we weer in beraad hoe we dit moeten aanpakken: moeten we hem gaan zoeken, en hóe moet dat dan gebeuren?

Er staat een lange file voor de grens, en het gaat traag vooruit. Uiteindelijk mogen we de eerste bareel passeren, en starten met het uitschrijven uit Kazachstan.