DEEL 4 – VERWEGGISTAN tot Dushanbe

Vijf landen: Turkmenistan, Oezbekistan, Tadjikistan, Kirgistan, Kazachstan. Allen ontlenen ze hun specifieke identiteit, grenzen en structuur aan wat hen destijds door de Sovjetunie werd opgelegd. Deze structuur, evenals hun natuurlijke rijkdommen, zorgden ervoor dat de chaos na de onafhankelijkheid beperkt bleef. Ze beseffen meer en meer dat overleg en samenwerking hun toekomst, welke ligt in de heropleving van de ‘Zijderoute’, zal verzekeren.

De komende weken zullen vermoedelijk in redelijke verwarring verlopen. We staan voor een groot deel in het ongewisse waar we zullen slapen, wat we zullen eten, en of en hoe we zullen kunnen communiceren met de buitenwereld of het thuisfront.

 

 

Dag 63 (Vrijdag 31 mei 2019):

Ergens op de Kaspische Zee (AZ à TM)

 

Midden in de nacht - ik ben net in slaap gesukkeld - worden we gewekt. We moeten onze paspoorten afgeven aan de kapitein. Wij waren hiervan op voorhand verwittigd, maar niet dat dit ´s nachts zou gebeuren. Kortom, deze nacht is van slapen niet veel in huis gekomen.

Om halfacht worden we gewekt voor het ontbijt. Scheepskost.

De boot is enkele uren geleden vertrokken. Hij moet een afstand van driehonderdkilometer overbruggen, en vaart vermoedelijk ongeveer 10 kilometer per uur. Ondertussen het dek wat op en neer, wat op computer werken, en nu en dan een dutje. Veel is er niet te zien op zee, behalve veel water, en even een reeks booreilanden ver in zee.


Om elf uur komt het middagmaal er reeds aan. Scheepskost. Frits heeft geen honger.

Daarna wat op en neer het dek, wat op computer werken, en nu en dan een dutje.

Het schip is volgeladen met vrachtwagens. Vele hebben bederfbare waar aan boord en hebben dus grote koelinstallaties, die continu moeten blijven draaien. De opliggers zijn zodanig geschikt op het schip dat de koelinstallaties, gevoed door generatoren op diesel of benzine, voldoende verlucht worden. Er zijn veel Turkse chauffeurs aan boord. Zij hebben geen probleem met de taal, want het Turks is zowel verwant aan het Azerbeidjaans als aan het Turkmeens. Sommige zijn zelfs op weg naar China, of

Om halfacht ´s avonds avondmaal, opnieuw scheepskost. Frits durft nog geen vet vlees te eten, en geeft mij zijn kiekebil. Even later krijg ik er nog een stuk kip bij van iemand die ook geen eetlust heeft. Ze vinden misschien dat ik er ondervoed uitzie? Ik laat het mij allemaal smaken. We krijgen te horen dat we binnen een vijftal uur in Türkmenbashi aankomen. Betekent dat dan ook dat we midden in de nacht op de kade zullen terechtkomen?

Het is nu bijna halfnegen ‘s avonds. Mijn spullen liggen klaar om snel bij elkaar te grabbelen. Ik ga ook slapen; Frits is al onder zeil. Ikzelf val ook onmiddellijk in slaap.

 

Dag 64 (Zaterdag 1 juni 2019):

Türkmenbashi (TM) - Asgabat (TM)

We worden wakker vóór vijf uur. We hebben beiden redelijk goed geslapen. Dat is een geluk, want het zou wel eens een lange dag kunnen worden. We zitten nog steeds op zee. De Kaspische Zee hebben we dus blijkbaar bijna overleefd, hoewel hier ooit een boot vergaan is. We zien de kustlijn al en naderen de haven: deze ligt in een soort enorme lagune. Er hangt een nevel om de bergen die achter Türkmenbashi liggen.

Om de haven te bereiken moet de boot door een soort geul varen die vermoedelijk regelmatig uitgebaggerd wordt. De zee is erg rustig en na een paar uur kan de boot aanmeren aan de kade van Türkmenbashi.

We zien een paar mannen in legeruniform aan boord komen. Die moeten alle paspoorten van de passagiers aan een eerste controle onderwerpen. Een eerste, jawel, er zullen er nog vele volgen…

We ruimen de cabine op en begeven ons naar het ruim om de motoren te laden. Zo verliezen we geen tijd wanneer we het schip mogen verlaten. We doden de tijd aan dek en speuren de omgeving af. Er is nochtans niet veel beweging merkbaar op de kade. Er is hier een geheel nieuw havencomplex gebouwd, welke sterk contrasteert met het oude schip waar wij op zitten. Op de bijna lege kade houdt een jonge militair de wacht, zijn hoofd beschermd door een groen mountie hoedje.

Er wordt ons gevraagd te verzamelen in de salon/refter, iets meer dan twintig personen. Ik zit net naast het Turkmeense koppel van Russische afkomst. Hij spreekt redelijk goed Engels. Hij geeft mij een aantal interessante tips, die ik feite reeds kende van hier en daar te lezen, maar krijg van hem net die info, heet van de naald, welke ik nodig had. Bovendien wisselen we dollars voor Turkmeens geld, aan een zeer interessante koers voor ons beiden, want wisselen in een bank aan de officiële koers is heel duur. Dat bespaart ons bovendien alweer wat werk bij aankomst. Ook geeft hij mij tips van wat te bezoeken onderweg naar Asgabat.

Omdat alles zolang duurt, krijgt iedereen toch nog een ontbijt. Ik doe mijn best, wetende dat de volgende maaltijd nog lang op zich kan laten wachten. Dan komt er schot in: men vraagt ons naar ons visum, welke wij nog niet hebben. Ik geef de ‘Letter of Invitation’ (LOI) af, welke ons toelaat aan de douane een visum te bekomen. Er komt geen vraag naar bijkomende uitleg, dus dat zit wel snor. Inderdaad, na een uur, het is ondertussen 9u, krijgen we allen onze paspoorten terug, inclusief de LOI. We zien de militairen lachend het schip verlaten, en ja, nog een uur later begint de afrijbrug achteraan het schip langzaam op de kade te zakken.

De eerste vrachtwagens verlaten het schip. Dat gaat allemaal heel erg traag, zodat de voormiddag al ver tegen zijn einde loopt wanneer het ook onze beurt is, en wij de motoren van het schip mogen halen en naast het schip op de kade mogen plaatsen. Als wij hier nu nog moeten gaan wachten tot gans het schip leeg is, staan wij hier nog vele uren… Ik zie de jonge militair regelmatig lonken naar onze motoren en spreek hem in het Russisch aan. Hij is blij verrast en spreekt vervolgens zijn meerdere aan die ook glimlacht wanneer ik hem in het Russisch mijn vraag herhaal. Hij denkt even na en geeft ons toestemming om reeds weg te rijden richting douanegebouw. Het is even na elven.

En daar moet het nog maar écht beginnen… Even krijgen we de indruk dat alles in een half uurtje wel zal afgehandeld zijn, wanneer ik aan het eerste loketje de beambte al direct een visumformulier zie uithalen, en het begint in te vullen. Maar het douanegebouw is groot, en er is veel personeel, maar er zijn weinig reizigers die aankomen in dit verweggeborgen land. Om het kort te houden: al die mensen doen hun uiterste best om te bewijzen dat ze hier onmisbaar zijn, en de ene nog minder misbaar dan de andere. Onze paspoorten worden met de hand overgeschreven, en opnieuw, en opnieuw, en opnieuw,…, meerdere malen per loket, en elke keer is het opnieuw kassa-kassa, in dollars te betalen, de ganse lange gang van het gloednieuwe douanegebouw. Aan het einde van de gang verlaten we eindelijk het gebouw, klaar voor de bagagecontrole. Dat gaat relatief snel. En dan lonkt de laatste bareel aan de uitgang van het terrein, waar een jonge militair buiten aan het kotje alle papieren en stempels controleert, goedkeurt, en zegt dat we de papieren mogen wegbergen en doorrijden. Maar die bareel gaat nog niet omhoog, want in dat kotje zit alweer iemand met een grote kepie, de security-man van de haven, die ons gebiedt met de motoren rechtsomkeert te maken en die daar opzij te gaan parkeren. Eerst nog haventaks betalen     ! Dan te voet naar het havengebouw honderd meter verder, op zoek naar de persoon die ons een haventaksnota kan opmaken. Dan weer honderdvijftig meter terug naar het douanegebouw waar we reeds twee uren aanschuifelden van het ene loket naar het andere, om die taks effectief te betalen in dollars, natuurlijk weer verhoogd met vijf dollar commissie om te mogen betalen, dan weer honderdvijftig meter terug naar het havengebouw om het bewijs te leveren dat we betaald hebben, en een stempel te krijgen om het haventerrein te verlaten, en weer naar de bareel, waar onze motoren nog braaf staan te wachten, tot de bareel dan eindelijk naar omhoog gaat.


(De ganse procedure doet mij sterk denken aan de rol en de werking van de mutualiteiten in eigen land… Maar dát verhaal komt vandaag en de komende weken nog uitgebreid aan bod in de Belgisch actualiteit, wanneer het gekibbel begint over waaraan het belastinggeld de komende vier jaar mag verspild worden.)

Hierbij heb ik het verhaal ietwat vereenvoudigd door even te verzwijgen dat we bij deze ganse procedure geholpen werden door onze gids, een man van het Turkmeense reisbureau, die zelf verwonderd en beschaamd was over deze circusvertoning. Dank zij hem hebben we bovendien kunnen vermijden dat wij nog een paar uur langer zouden moeten wachten tot de lunchpauze voorbij was.

Dus pas omstreeks drie uur in de namiddag kunnen we de rit aanvangen naar Asgabat, gelukkig volledig onder de verplichte begeleiding van een volgwagen. De rit begint voor mij in mineur, gezien de teleurstelling door het gebrek aan tijd om dit deel van het land te aanschouwen. Maar dit slaat al gauw om aangezien de weg over het algemeen heel goed is en er heel weinig verkeer is. We krijgen dus toch redelijk de mogelijkheid om onze ogen de kost te geven, en heel wat indrukken over dit wel heel aparte land op te doen.

Nu moeten we nog een afstand overbruggen van bijna 600 kilometer. Het eerste traject tot aan Balkanabad verloopt grotendeels langsheen de oneindige lagune waarin Türkmenbashi gelegen is. Veel is er van het water niet te zien, want het is ver af, maar de zee brengt een aangename koele bries over het land, welke het rijden aangenamer maakt. Aan de linkerzijde zijn er niet al te hoge bergen, het Balkan massief, erg mooi omwille van de kleurrijke afwisseling van de ruw afbrokkelende lagen.

We nemen een koffiepauze in een hotel-restaurant, midden in de woestijn. In de buurt is geen enkel ander gebouw te bespeuren. Wij zijn de enige klanten; het leven schrijdt hier noodgedwongen aan een heel traag tempo voort, gezien deze bijna lege autostrade ook heel weinig klanten aanbrengt. Een enorme gelagzaal is quasi leeg. Een trage triest uitziende jonge vrouw bedient ons. Een grote tv, waarop een of andere soap draait, hangt aan de wand, en is vermoedelijk haar voornaamste tijdverdrijf. Ik ga naar het toilet: een Franse WC in een soort balzaal, maar kraak-, kraaknet.

De snelweg loopt vlak doorheen de rand van Balkanabad. Het stadje is duidelijk aangelegd in het sovjet tijdperk. Er zijn honderden kleine identieke kazerneachtige appartementsgebouwtjes, gelijkvloers plus eerste verdieping, gelegen aan straten in dambordpatroon. De meeste daken zijn knalgroen geschilderd, de kleur van de nationale vlag. Een bijzonder beeld, maar allemaal erg netjes en geordend.

We rijden dan weer verder door de Karakum woestijn, die 90% van het grondgebied van Turkmenistan inneemt. Wat verder is er wisseling van volgwagen. We ontmoeten de nieuwe chauffeur, Murat, die ons tegemoet komt vanuit Asgabad. In zijn auto zit een jonge Russische reiziger, die overstapt in onze eerste volgwagen, die nu terugkeert naar Türkmenbashi. Vanaf hier volgen wij de 4X4 Toyota van Murat tot Asgabat. Eerst gaan we tanken in Gumdag, want de benzinepompen zijn hier erg schaars, omwille van de weinige auto’s die rondrijden. Daar is het uitzonderlijk wel druk, want de pomp is defect. Vijf minuten later is het defect verholpen. Wij mogen voorgaan, want onze passage is voor al deze mensen een gebeurtenis die ze niet willen missen. Ik word uitgehoord, maar maak toch voort, want er wacht nog een lange rit. Nog even vermelden dat de benzine hier minder dan 10 Eurocent per liter kost

We passeren heel wat politiecontroleposten, aangeduid met een bordje ´PYGGS’ ,(jawel), maar moeten gelukkig nergens stoppen. We zien hier en daar kamelen, en heel weinig kudden geiten of runderen. De kamelen zijn van de Arabische soort, met maar 1 bult: dromedarissen. De bergen aan onze linkerzijde verdwijnen, en maken plaats voor een enorm zoutmeer, waarin een soort planten groeien die het water een merkwaardig groene kleur geven; ik dacht eerst dat het rijstvelden waren. Tegelijkertijd duikt aan de rechterzijde, in het zuiden dus, een niet al te hoge bergketen op, de Kopet Dag, welke vermoedelijk de grens vormt met Iran. Hier en daar zie we tekenen van economische bedrijvigheid, steenwinning of mijnontginning, en zelfs een olieveld met ja-knikkertjes.

Bromfietsen zijn hier nog redelijk populair. Het zijn meestal oude bakjes, en de berijders hebben vaak een witte muts op welke het ganse hoofd bedekt, en waarin enkel twee gaten voor de ogen zitten.

Naarmate de avond nadert zien we in de verte steeds meer zwarte wolkpartijen ontstaan welke wijzen op dreigend onweer. En wat later moeten ook wij er aan geloven. De hemel kleurt zwart, maar het blijft nog even droog. Bij het tanken van benzine besluit ik mijn regenpak aan te trekken, en dat is niets te vroeg, want wat later krijgen ook wij van de riem, gelukkig zodanig beperkt dat we toch nog redelijk vooruit geraken. Hierbij hebben we wel het geluk dat we enkel onze chauffeur moeten volgen, en dat er niet al te veel verkeer is, hoewel toch toenemend naarmate we de hoofdstad naderen.

In Asgabat nemen we logement in Hotel Ak Altyn, waar reeds een kleine bende Oostenrijkse BMW-motoren staan. We nemen afscheid van onze gids, checken vlot in, nemen een deugddoende douche, en gaan dan slapen.

 

Dag 65 (Zondag 2 juni 2019):

Vrije dag in Asgabat (TM)

Pas om halfzeven word ik wakker en sta dan een kwartiertje later op. Het zal weer enkele dagen duren voor ik aangepast ben aan het nieuwe uur (drie uur verschil met thuis). Ik laat Frits zo lang mogelijk slapen, en ga zitten aan het tafeltje aan de liften om mijn verslag van de afgelopen dagen bij te werken. Het internet is hier erg beperkt. Bepaalde websites en communicatiesystemen zijn totaal geblokkeerd: MSN, Facebook, Messenger, Whatsapp. Google werkt echter, evenals email.

Het ontbijt wordt aangeboden onder de vorm van buffet, met ruime keuze. Er zijn relatief weinig tafels voor een zo groot hotel. Er zijn dan ook niet zo veel gasten.

10u. We worden afgehaald door Artur, onze gids, en Misha, de chauffeur van de minibus.

Artur is zesentwintig, van Armeense afkomst, en studeerde vijf jaar Russisch aan de universiteit in Soshi. Zijn familie is afkomstig van Nagorno Karabach, het deel van Azerbeidzjan dat zich op bloederige wijze met de hulp van Armenië afsplitste van Azerbeidjan. Zijn moeder vluchtte met haar nog kleine kinderen naar Turkmenistan, waar hij nu nog altijd woont en een tweede thuis gevonden heeft. Hij spreekt redelijk goed Engels, maar is uiterst voorzichtig in zijn bewoordingen, en schuwt elke uitspraak tegen het plaatselijke regime. Misha, onze chauffeur, is een echte Rus.

We maken een rondrit door een megalomane witte stad met bezoek aan enkele bijzondere monumenten en gebouwen. Asgabad bestaat zo een tweehonderd jaar, maar is uiterlijk veel jonger, gezien rond 1950 de stad verwoest werd door een aardbeving, en daarbovenop na de onafhankelijkheid dertig jaar terug een totaal nieuw gezicht kreeg.

Asgabat wordt ook de witte marmeren stad genoemd. Alles wat de laatste dertig jaar werd gebouwd heeft megalomane proporties, en staat in schril contrast met de lokale behoeften. We zien enorme, vaak lege avenues met drie rijstroken in elke richting. Hier en daar rijdt een witte bus, en hier en daar een auto, ook meestal wit. Het is natuurlijk zondagmorgen, wat de verkeersluwte kan verklaren. De wegen zijn hier in perfecte staat. Overal zijn straatvegers te zien, meestal vrouwen. Er is veel groene ruimte voorzien. Overal zijn alweer mensen aan het werk om de parkjes en de perkjes te onderhouden.

Eerst bezoeken we een aantal Sovjet stijl monumenten: altijd leuk, indrukwekkend, van vakmanschap getuigend, en vaak erg mooi gelegen.

De meeste bewieroken de vorige president, een paar keer zelfs in het goud, en deze hier is voorzien van soldaten die de wacht houden. Twee stokstijf op wacht, elk in een kotteke ter bescherming tegen de verzengende zon, en dan nog één die hen nu en dan wat water geeft, en vooral toeziet dat er geen foto´s genomen worden, tenzij van heel ver. Nu en dan is er wisseling van de wacht.

Ook passeren we voorbij het monument ter ere van de Ruhnama, een boek geschreven door Niyazov, de vorige president voor het leven, een mengsel van biografie, revisie van de geschiedenis, en morele en spirituele leidraad voor elke Turkmeen: destijds verplichte studie op school…

We bezoeken de grote Moskee, de grootste van Centraal Azië, welke de vorige president Niyazov liet bouwen, nadat hij eerst de meeste andere moskeeën in de stad liet slopen. Deze moskee liet hij bouwen op een domein waar ook een mausoleum staat waar hij en zijn familie begraven liggen. In de ingang van de moskee worden zowel de Koran als de Ruhnama als heilige boeken vermeld, waarmee hij dit eigen geschreven boek op gelijke hoogte plaatste met de koran. Mohammed slaagde destijds in zijn opzet, de mensen te doen geloven dat God hem de inhoud influisterde. Of Niyazov hierin zal slagen zal de toekomst ons leren. En hiermee belanden we bij een heel bijzonder menselijk trekje: meer dan 60% van de mensen, wereldwijd, laten zich in hun handelen leiden door hetgeen ze ‘geloven’, en niet door ‘facts and figures’… Toch een mooi gebouw.

Dan volgt nog een andere moskee, heel anders, ook erg mooi.

Ondertussen doorkruisen we de stad en krijgen een indruk van het land achter deze witte blinkende façade, een indruk slechts, want doorgronden zullen we dit land niet op onze korte passage. Daarvoor is de repressie hier te groot. Voorzichtige vragen aan de gids over gevoelige onderwerpen worden handig opzij geschoven. De man is duidelijk bang.

We stoppen voor het middagmaal op een terrein waar een aantal yoerts opgesteld staan waar je op traditionele wijze kunt eten. De gids raadt ons een aantal gerechten aan, evenals ‘lekkere’ gefermenteerde kamelenmelk. Ik laat deze beker wijselijk aan mij voorbij gaan, maar Frits proeft even, zijn hoofd algauw afwendend van het degoutante spul. Ik bestel een ´caesar salad´, niet lekker, maar toch eetbaar, althans voor de helft, en verzadigend voor de rest van de dag…

De Turkmeense bazaar kunnen we niet meer bezoeken, want die is reeds gesloten, maar de Russische bazaar is nog open. Het is een soort permanente overdekte markt waarbij toch opnieuw orde en netheid opvallen, en al die witte ‘kleuren’ helpen hierbij ook wel natuurlijk.

Overigens is hier van alles te koop, en is er van enig Russisch uitzicht geen sprake, behalve misschien de Sovjet stijl van het gebouw, hoewel we niet kunnen vergelijken met de Turkmeense. We zien hier mensen van allerlei komaf, in allerlei kledij, zowel voor als achter de kraampjes en toonbanken. Ik koop een paar sokken, want ik heb er op deze reis al een paar versleten.

Deze samenleving geeft mij een heel erg rustige, geordende indruk. Deze indruk kreeg ik vroeger ook reeds in Wit-Rusland, alweer zo’n land met strakke dictatuur. Mogelijk is de druk van bovenaf hier dus niet vreemd aan, en heeft een dictatuur dus ook zijn voordelen. Mensen van diverse komaf wonen hier schijnbaar zonder problemen naast elkaar. Turkmeense vrouwen, steevast in een lang kleed van schouders tot enkels, met lange mouwen, met of zonder hoofddoek, en andere vrouwen in meer Westerse kledij, tot korte shorts toe.

Het Turkmeens is de meest gangbare taal. Op school worden Russisch en Engels als tweede en derde taal aangeleerd, maar uit het contact met de gewone mensen blijkt dat de jongeren deze laatste twee talen slechts heel gebrekkig of helemaal niet kennen. Dat wijst op heel gebrekkig onderwijs.

Voor ons is alles hier spotgoedkoop, tenminste als je je geld wisselt aan de ´bazaar´-koers welke vijf maal voordeliger is dan de officiële koers. Zelfs aan officiële koers is alles hier goedkoper dan bij ons. Dus reken maar…

Cultuur en religie: er is geen staatsgodsdienst, maar de meerderheid van de bevolking is moslim. Gezien het beperkt aantal moskeeën, en het gedrag van de mensen in deze periode van de Ramadan, krijg ik toch de indruk dat actieve deelname aan het religieus leven hier in deze stad heel laag is.

Het toerisme is erg beperkt en staat onder strenge controle: steeds vergezeld van gids en chauffeur. Het lijkt me dat de tien á twintigduizend toeristen die jaarlijks toegelaten worden eerder een vorm van propaganda zijn om aan te tonen wat een open land Turkmenistan wel is. Qua inkomsten en werkgelegenheid is deze sector peanuts in vergelijking met de olie en gaswinning. Wijzelf worden hier begeleid door reisoperator Owadan, welke marktleider is met 60% van de toeristische markt.

In de latere namiddag hebben we de stad wel gezien, keren we terug naar het hotel, en gaan een echt lekkere koffie drinken in een hippe koffiekeet naast het hotel.

 

 

Dag 66 (Maandag 3 juni 2019):

Asgabat (TM) – Derweze (TM)

Het is even na zessen wanneer ik opsta. Om Frits niet wakker te maken installeer ik me met mijn pc op de gang. Op de gang merk ik pas welk enorm lawaai zo’n een hotel maakt, en hiermee bedoel ik vooral het geruis van de lucht door de ventilatiekanalen en roosters, en de motoren van de airconditioning die hier ook ’s nachts op volle toeren draaien.

In de ontbijtzaal zitten enkele Engelsen, enkele Belgen, en vooral Nederlanders. We haasten ons niet: we vertrekken pas deze namiddag naar Derweze, om er midden in de woestijn te overnachten in de buurt van een enorme gaskrater, welke al tientallen jaren na een ongelukkige gasexplosie nog steeds aan het branden is, en nu een toeristische attractie geworden is.

Ik controleer de motoren, en span het balhoofdlager van Frits’ motor nog wat op, want het probleem is weer opgedoken. Het lager is versleten en moet vervangen worden. Deze week komt het over vanuit Nederland. Dan werk ik nog wat aan een filmke van Armenië, en gaan we nog een koffie drinken in het mooie koffietentje om de hoek.

Om drie uur komt Murat, de chauffeur van de volgwagen, ons afhalen. We vertrekken onmiddellijk in noordelijke richting, de Karakum woestijn in. Het kwik loopt op tot 39 graden, en dat blijft zo de ganse namiddag. Hier moeten we goed opletten om niet zonder benzine te vallen, want in het putje van de woestijn vind je over een afstand van meer dan 300 kilometer geen enkel benzinestation. Dat wordt dus nipt voor onze motoren, maar probleemloos indien we niet te snel rijden.

De tocht gaat doorheen één van de bijzonderste woestijnen ter wereld: de Kara-Kum. Deze woestijn bedekt meer dan twee derde van Turkmenistan, en is zeer dun bevolkt. Er stroomt wel water naartoe, maar dit wordt al meer dan 50 jaar verzameld en afgeleid voor irrigatie door middel van het Karakumkanaal, meer dan 1300km lang, dat daarmee bijna het grootste irrigatiekanaal ter wereld is. Dit kanaal loopt net ten Noorden van Asgabat, en we steken het brede kanaal dan ook over bij het verlaten van de stad. Dit kanaal draineert zoveel water weg van zijn natuurlijke bestemming, dat mede daardoor het Aralmeer bijna volledig drooggevallen is.

We passeren Yerbent, een woestijnstadje waar we kunnen tanken. Wilde dieren krijgen we niet te zien: ze zijn schichtig en zeldzaam. Het landschap is vaak golvend door de zich verplaatsende zandduinen. Om dit tegen te gaan zijn er overal aanplantingen van een soort diep wortelend gras, waarvan mij niet duidelijk is of het nog leeft of niet. De wegen blijven gelukkig vrij, zodat ik niet dreig te verzanden zoals in Peru twee jaar terug.

Even vóór Derweze stoppen we even aan een gaskrater met enkele kleine vlammen.

De brandhaarden zijn vergelijkbaar met hetgeen we zagen in Bakoe, maar de krater is enorm.

Wat verder bezoeken we iets gelijkaardigs, maar ditmaal een waterkrater.

Dan bereiken we uiteindelijk Derweze, enkele kilometers van de hoofdweg af gelegen. Deze gaskrater is het échte werk: de poort van de hel! En het is nog niet eens donker! Deze krater brandt al sedert 1971, en is onstaan door een onvoorzichtigheid bij een proefboring naar gas.

Het videootje (komt nog) toont meer dan wat ik schrijven kan.                          

Ook de ligging, midden in de woestijn, is magisch. De horizon wordt afgeboord door zachte zandkleurige heuvelruggen. De zon is snel aan het zakken, en het zal hier ook heel rap donker zijn. We nemen onze intrek elk in een eigen yoert.

Achter de yoerts staan de sanitaire installaties, primitief, maar nieuw en proper.

Ik neem een douche, trek frisse kleren aan, en ga eten. Er is soep, welke ik mij laat smaken, en vervolgens wat geroosterde kip en brood, en vooral veel water (uit flessen). We babbelen wat met Hans, die ook graag reist, en om beroepsredenen al vaak in het buitenland verbleven heeft.

Het is ondertussen bijna stekkedonker geworden. Gewapend met zaklamp en fotocamera gaan we op stap naar ‘de poort van de hel’, zo een tweehonderd meter van het kampement verwijderd. Uit de gapende muil komt nu een rode gloed, vergezeld van lichte dampen, die een deel van de zwarte woestijnnacht rood verlicht.

We cirkelen een tijdje rond de krater, nemen wat foto’s, en keren dan terug naar de yoert om onmiddellijk te gaan slapen.

 

Dag 67 (Dinsdag 4 juni 2019):

Derweze (TM) – Dasoguz (TM)

Even voor zessen sta ik op. Ik ga naar buiten en zie de zon net over de horizon piepen. Wat een ruimte voor ons alleen!

Het is al meer dan twintig graden warm. Wat verder loopt een kleine kudde kamelen, vergezeld van een grote hond.

De krater is in de verte nauwelijks te zien, maar vanuit de gapende muil komt nu enkel een geruis zoals van een grote gasbrander.

Een half uurtje later heb ik mij geïnstalleerd in een plooizeteltje met mijn laptoppeke, wat koekjes en een flesje cowacofa. Ik zit mooi in de schaduw van de yourt, want de zon stekt al aardig en de temperatuur loopt snel op.

Frits staat dan ook op, en we gaan ontbijten samen met een Nederlands koppel welke ook op weg is naar Mongolië in een soort adventure kampeerwagen: een 4X4 pickup met daarop een minimobilhome gemonteerd. Er zit van alles in, maar de ruimte binnenin is nog heel wat kleiner dan de kleine caravan welke wij ooit hadden. Het ontbijt is primitief, en snel te vergeten, want er is teveel ongewenst zespotig gezelschap.

Wat later zijn we weer de motor op en rijden naar het Noorden. De weg is aanvankelijk nog redelijk, maar wat later krijgen we een stuk te verwerken waaraan de laatste dertig jaar niet meer aan gewerkt is. Onze motoren kunnen dit soort wegen wel perfect aan, maar bij bijna 40 graden hebben wijzelf het toch lastig om de motoren voortdurend omheen en doorheen de kuilen te sturen..

We bereiken Kunya-Urgench na de middag.

Afbeeldingsresultaat voor kunya urgench

Er staan nog diverse gebouwen uit de 11e tot 16e eeuw overeind, waaronder een moskee, een minaret, mausoleums en versterkingsmuren. Het is vandaag het einde van de Ramadan, en er zijn een tiental Turkmeense familie die hier ook op bezoek komen. Deze site staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Ik breng onder een verzengende zon een bezoek aan de uitgebreide site, waarvan de gebouwen nogal ver uit elkaar staan, maar moet teleurgesteld vaststellen dat deze ruïnes de lastige omweg zeker niet waard waren.

Dan maar weer verder naar onze eindbestemming van vandaag, en meteen ook van Turkmenistan: Dasoguz. Daar verblijven we in een enorm groot en luxueus hotel dat quasi leeg is. Gelukkig kunnen we er eten, want het is ver buiten het centrum van het stadje gelegen. Er is geen keuze, maar het is wel lekker en verzorgd: eerst een kippensoep, en dan een slaatje, een bord vol minibiefstukjes, en brood.

 

Dag 68 (Woensdag 5 juni 2019):

Dasoguz (TM) – Khiva (UZ)

Ik heb goed geslapen in een heerlijk zacht bed. Ik sta stilletjes op, om Frits niet wakker te maken, neem mijn computer, en installeer mij op een canapé in de gang bij de liften. Ik probeer zo goed en zo kwaad als het kan die veelheid aan indrukken die ik opdeed de afgelopen dagen in mijn verslag over te brengen.

Rond 8 uur staat Frits op. Ik ga douchen en samen gaan we daarna ontbijten. Buiten suiker voor de koffie is er geen zoetigheid te bespeuren, maar ik laat mij toch alles smaken.

Buiten het hotel staan drie motoren en hun ruiters: twee Italianen en een Griek, op snelle passage door Verweggistan. De motoren zijn allen bejaard: een GS van dertig jaar, een Dominator, en een oude Africa Twin.

Vandaag rijden we naar Khiva, waar we Guusje, de echtgenote van Frits, en twee van hun vrienden vervoegen. We reizen dan een tiental dagen samen door Oezbekistan, wij op de motor wel te verstaan.

Om tien uur staan wij klaar aan de uitgang van het hotel, de. motoren volledig bepakt. We wachten op een volgwagen, die ons moet begeleiden tot aan de grens, zeven kilometer verderop. Even later komt die aan, en we kunnen vertrekken. Onderweg gaan we nog eerst de benzinetanks opvullen, wat nog even een probleem oplevert omdat de stroom net uitgevallen is. Tien minuutjes wachten, natuurlijk weer nieuwsgierige blikken van alle passanten, tot de stroom plots weer aanslaat. De benzine is natuurlijk zó goedkoop, dat we er niet in slagen ons Turkmeens geld volledig op te gebruiken. Dan maar een extra fooi aan de vriendelijke pompbediende.

Dan is het algauw tijd voor een laatste vaarwel aan Turkmenistan. Het uitchecken uit dit land gaat vlot en vriendelijk. Er is geen passage meer langs de kassa. In zekere zin zijn we opgelucht. Nu nog een paar bruggen over, over het irrigatiekanaal dat hier de twee landen scheidt, en dan langs een stoffige weg, óp naar de volgende grenscontrole, Oezbekistan. Bij het naderen zien we een hele bende mensen, vooral vrouwen, beladen met grote plastic boodschappentassen, in de bloedhete zon wachtend om binnen te mogen in het douanegebouw. Gelukkig hoeven wij niet aan te schuiven, want het loket waar wij terecht moeten is vrij. Alles gaat smeuïg en vriendelijk, maar neemt toch de nodige tijd in beslag, omdat het computerprogramma hapert en dient heropgestart te worden. En ja, dan rijden we het alweer bloedhete Oezbekistan binnen.

De streek waar we binnenrijden komt heel aangenaam over. De woestijn van Turkmenistan is hier plots overgeslagen in vruchtbare landbouwgrond. Die landbouw is redelijk intensief en erg verzorgd, wat voor mij een heel vertrouwde omgeving oplevert. De wegen zijn aanvankelijk redelijk goed, maar verminderen al gauw van kwaliteit wanneer we rechts afslaan richting Khiva. Er rijden hier heel wat meer auto´s dan in Turkmenistan, maar ze zijn over het algemeen heel wat democratischer. De meest populaire wagen is een soort minibusje, even lang als een Micra, maar hoger en een rij zetels meer. Het verkeer is rustig, in overeenstemming met de staat van de weg en de leeftijd van de wagens. Het is opnieuw erg warm en het deinende beschadigde wegdek noopt ons tot voorzichtigheid. Het wordt tijd dat we onze bestemming bereiken.

En dan zijn we er ineens, maar hebben we toch nog een half uur nodig om het hotel te vinden, dat uiteindelijk midden in de oude verkeersvrije stad ligt. We parkeren de motoren naast het terras en checken in. Simon, Ineke, en natuurlijk Guusje staan ons op te wachten. Na het uitladen gaan we eerst bekomen op het terrasje. En plots komt daar Jürgen aanzetten, de Duitser met de BMW GS die we een week terug ontmoetten in Alat; hij vertrok een dag vóór ons, maar kwam twee dagen later dan ons aan in Türkmenbashi, met die zogenaamd snelle luxueuze boot. Hij beleefde een nachtmerrie.

Eerst wat drinken, en dan nog meer drinken, want door het trage rijden ben ik enorm gaan zweten en uitgedroogd geraakt. Dan naar de kamer, douchen, andere kleren, en terug naar het terras om wat te eten, want iedereen heeft honger. Ik beperk mij tot een lekkere borsch, met mooie grote brokken vlees en een potje smetana (zure room).

Dan wat rusten, e-mailen, prutsen, whatsappen.

Om 19u gaan we dan weer eten, om dan uiteindelijk na 22u te gaan slapen.

 

Dag 69 (Donderdag 6 juni 2019):

Vrije dag in Khiva (UZ)

Vandaag alles rustig aan. We moeten ons bijna niet verplaatsen, want alle bezienswaardigheden en musea liggen binnen enkele minuten wandelafstand.

Omdat we geen uur afgesproken hebben om te ontbijten ga ik rond 8 uur reeds alleen ontbijten. Ik ben de enige in de zaal, maar al gauw komen ook de anderen mij vervoegen.

Eerst gaan we geld wisselen in een bank, want daar bekomen we de meest voordelige wisselkoers. De bank is een enorm gebouw met maar één klein loketje. ´Change’. Er is even wat verwarring wanneer Frits een deel van zijn dollarbiljetten terugkrijgt, en hij niet begrijpt waarom. Er volgt een hele discussie, tot uiteindelijk blijkt dat enkel biljetten zonder kreukjes of beschadigingen worden aanvaard. Ikzelf was hiervan op de hoogte en heb daarom al mijn bankbiljetten goed geselecteerd, en gans de reis ook zorgvuldig bewaard. Ik schiet Frits enkele biljetten voor en hiermee zijn niet de biljetten, maar wel het misverstand gladgestreken.

 

De oude binnenstad van Khiva is volledig omringd door hoge goed bewaarde stadsmuren.


Binnen die muren is alles goed bewaard gebleven of grotendeels gerestaureerd. Er wonen heel weinig mensen, behalve nog in enkele krottenwijkjes. Er zijn een aantal hotels ondergebracht in oude gebouwen, waaronder het onze. Khiva is dan ook een echt openluchtmuseum. Er hangt een rustige ongedwongen sfeer in het stadje, en de vele toeristische kraampjes zijn allerminst opdringerig. Dit alles staat in schril contrast met hetgeen zich hier tot in de 19e eeuw afspeelde: barbaarse wreedheden, slavenhandel, invallen van strijdlustige Turkmeense stammen. De Zijderoute was niet zomaar peis en vree, wat je soms zou afleiden uit de karavanen van kamelen, goederen, en begeleiders, die zo overal zo vredevol afgebeeld staan. De karavanserais ontstonden uit pure noodzaak om voorraden van voedsel en water op te doen, te herstellen van ziekte, uitdroging, en verwondingen, en om zich te beschermen tegen barbaarse overvallers. Ter plaatse ontstond dan handel: uitwisseling van goederen tegen diensten. En om dat alles in goede banen te leiden waren er de lokale machthebbers, de khan´s.

Om de oude stad te kunnen bezoeken heb je een toegangsticket nodig. Het is twee dagen geldig, en geeft toegang tot alle musea. Ik stap het eerste binnen welk ik tegenkom: het museum over de Mennonieten.

Dat is nu wel toevallige en interessant! Op mijn reis door Amerika werd ik ook meerdere malen geconfronteerd met deze merkwaardige bevolkingsgroep, afkomstig uit het Noordoosten van Nederland, die ook wel doopsgezinden of baptisten genoemd worden. (Ook de Noord-Amerikaanse Amish stammen af van de mennonieten). Ze migreerden steeds meer naar het Oostelijke Pruisen onder druk van de godsdienstvervolging, kwamen uiteindelijk zelfs in Rusland terecht, en kregen dan van de tsarina Katharina De Grote de toestemming om kolonies op te richten in de nieuw veroverde gebieden, waaronder Oezbekistan. Ze waren succesvol omwille van hun noeste arbeid, hun landbouwtechnieken, en ook hun vakmanschap in schrijnwerk. Ze slaagden er wonderwel in vreedzaam te leven naast de plaatselijke bevolking, maar werden net voor de tweede wereldoorlog gedeporteerd omdat ze zich niet wilden integreren in het goddeloze kolchozensysteem, wat een einde zou betekenen voor hun vredige gemeenschapsvorm.

Het muziekmuseum valt dan weer sterk tegen, want bestaat grotendeels uit foto´s en beschrijvingen van historische muzikanten in plaats van een kennismaking met lokale muziek en instrumenten. Maar het levert toch enkele mooie beelden op.

´s Middags eet ik weer borsch, lekker en licht verteerbaar. Het is minder warm dan gisteren, maar nog steeds boven dertig graden. Na een rustpauze ga ik weer op verkenning.

De Russische school, gelegen in een gebouw van totaal andere allure dan de meeste andere gebouwen hier, meestal ook schoolgebouwen, maar dan op islamitische leest geschoeid: medrassa´s, waar elke leerling zijn eigen kotteke krijgt, met eigen uitgang op de grote binnenkoer, of op een rondgang aan de buitenkant van het gebouw. Daarin zijn nu musea ondergebracht: toegepaste kunst, geneeskunde, …

Rond de avond gaan we met vijven op stap, op zoek naar een ander restaurantje, voor de verandering. We installeren ons op een ietwat verhoogd terras, met mooi uitzicht, en vooral een aangenaam briesje. Ik bestel Plov (pilaf rijst) op lokale wijze bereid, met gestoofde rozijntjes, groentjes en rundvlees. Lekker.

We keren terug naar het hotel omstreeks 21u. Voor mij is het genoeg geweest, en ik zoek mijn kamer op.

 

Dag 70 (Vrijdag 7 juni 2019):

Vrije dag in Khiva (UZ)

De bevestiging van mijn helmcamera is enkele dagen geleden losgekomen van mijn helm: het plastic is gewoon verbrokkeld, door ouderdom of door de zon? Ik moet dus vandaag proberen een nieuw bevestigingssysteem in elkaar te knutselen.

Ik werk eerst de blog wat bij, maak mij klaar, en ga dan om zeven uur al ontbijten, want ik heb honger. Even na achten komen ook de anderen, wijl ik dan nog met een kopje van de nogal lichte koffie er bij ga zitten.

We gaan dan samen op stap, eerst op zoek naar een taxi, om ons naar de bazaar te brengen. We vinden er niet onmiddellijk één, maar ik vraag dan aan de chauffeur van zo een mini-marshroutka of hij naar de bazaar rijdt. Geen probleem; hij wisselt gewoon het kaartje met het routenummer van zijn busje.

De rit is op zich al een beleving. De kleine wielekes van het busje worden handig omheen de putten gestuurd, hier en daar stapt nog iemand op of uit, we rijden wat kriskras door het stadje, en dan plots worden we aan de bazaar afgezet.

Die bazaar is een overdekte markt waar vooral voedingswaren, vaak direct van op het veld, worden aangeboden, maar ook kledij en ander materiaal, tot visgerei toe.

De mensen vinden onze aanwezigheid al net een even grote belevenis als wij deze bazaar.

We worden hier voortdurend geconfronteerd met de ongedwongen aard van de Oezbekistani, rustig, niet opdringerig, maar niet verlegen om een praatje of een pose voor een foto.

Ik koop hier ook nog een polootje, want ik had er een verloren op een vorige reis, en nog niet voor vervanging gezorgd. Met deze hitte moet ik wat vaker kunnen wisselen.

Terug naar het hotel spreek ik opnieuw een ‘taxi’-chauffeur aan. Het duurt wel even voor hij begrijpt wat wij van hem willen. Het wordt snel duidelijk waarom: het is geen echte taxi-chauffeur, maar een gewone marktbezoeker die door de omstaanders wordt aangespoord om ons naar ons hotel te brengen. De man loopt nors naar zijn auto, jaagt er zijn beide dochters uit, en wij nemen plaats naast de inkopen die hij en zijn gezin reeds gedaan hadden. Terwijl zijn vrouw vermoedelijk nog op de markt rondloopt voert hij ons naar het stadscentrum. Hij is blijft de ganse rit nors, maar is dan ineens erg verrast en tevreden met hetzelfde bedrag dat ik betaalde een uurtje daarvoor in de andere taxi, en rijdt opgewekt terug naar de markt om zijn familie op te pikken.

Wat later maak ik nog een uitgebreide stadswandeling, ditmaal ietwat verder van de hoofdstraat, ietwat meer te midden het dagelijks leven van dit stadje.

Aan de buitenkant van de stadsmuur zijn graven aangebracht op de muur zelf: deze schrikten aanvallers af, want het brengt ongeluk om een graf te schenden.

Ik wandel nog wat verder tot buiten de tweede stadsmuur toe. Overal zijn restauratiewerken aan de gang, wat wel wat ongemakken meebrengt, vooral onder de vorm van los rondstuivend zand. Maar dat laatste is in deze halfwoestijnachtige streek al altijd een probleem geweest.

Nu weer wat pauzeren, want het is warm.

Ik ga aan de slag met mijn helm, en slaag er in een nieuw bevestigingssysteem te maken om de camera te bevestigen. Ik kan nu terug filmen. Dan ga ik ook nog de ketting van de motor smeren, en ik ben klaar om morgen de reis verder te zetten.

Het is ondertussen avond geworden. We gaan samen eten. De rundskotelet, in feite twee lappen gehakt rundsvlees, smaakt heel lekker. Ze hebben hier in dit hotel een goede kok!

Ik maak mijn bagage zoveel mogelijk reeds klaar voor het vroege vertrek morgen.

 

Dag 71 (Zaterdag 8 juni 2019):

Khiva (UZ) – Buchara (UZ)

We willen vandaag redelijk vroeg vertrekken, want dan vermijden we toch een deel van de hitte. Er staat een rit van 470 km op het programma, grotendeels door de woestijn. Om zeven uur gaan we ontbijten, en dat is vandaag geen pretje, want er zit een bus Duitsers in het hotel, en die zijn bijna even erg als de Japanners, behalve dat ze wel meestal alles opeten wat ze gaan halen. Maar ze gaan allen terzelfdertijd eten en staan continu ‘en masse’ vóór dat buffet.

We verlaten Khiva en steken wat later een brede rivier over: de Amu Darja, die het bergwater van Tadjikistan naar het Aralmeer brengt. Veel water stroomt er niet meer door, want het meeste is reeds afgetakt voor bevloeiing van de katoenvelden. De rit door de woestijn is meestal eentonig, maar verloopt op een prachtige nieuwe brede autosnelweg. Bij het tanken kunnen we enkel benzine krijgen van 80 octaan: te laag in feite, maar de motor heeft er toch geen problemen mee. Er staat een redelijk stevige wind, grotendeels in de rug. Het zand wordt hier en daar opgewaaid en gaat opstijgen in de warme lucht, zodat we soms wolken zand over de weg zien waaien, gelukkig meestal op een afstand van ons.

Bij een stop aan een grotendeels uitgedroogd meer ontmoeten we een koppel jonge Amerikanen uit Saint-Louis, die al een jaar onderweg zijn, en nog tot eind volgend jaar verder fietsen. De rit is lastig, en biedt weinig gelegenheid om te stoppen. Er is een strook van 270km zonder benzinestation te overbruggen, wat nipt zou kunnen zijn indien het eerstvolgende station geen benzine heeft, wat courant schijnt hier in dit land. De weg volgt over een grote afstand de grens met Turkmenistan. Hier en daar zien we de rivier die de grens vormt. Vandaag zien we uitzonderlijk veel motoren op de weg. Een aantal oostwaarts, in onze richting, die ons voorbijsteken, en een hele bende GS-sen westwaarts.


Rond drie uur gaan we een koffie drinken. We nemen plaats aan een roestig blauw overschilderd tafeltje en jagen eerst de mieren weg, die en masse genieten van de suikerkorreltjes die een vorige bezoeker achtergelaten heeft. We bestellen een koffie en krijgen prompt weer zo een zoet mengseltje voorgeschoteld. Dat was alweer even geleden. Geen wonder dat er zoveel mieren zijn. Plots komt daar een GS1150 de parking opgestoven: Stanislav, een vriendelijke Slovaak op een moto van zowat twintig jaar oud, maar bijna zo goed als nieuw, beladen alsof hij op weg is om tweemaal de wereld rond te rijden. Hij spreekt wat Engels, Duits en Russisch, maar van alles slechts een klein beetje. We babbelen wat, en hij stuift weer weg.

Overal te lande zie je hier dergelijke klei-oventjes, sommige in goede staat, sommige vervallen. Ze stoken de oven warm en bakken er brood in of gevulde deeggerechten, welke aan de binnenkant van de oven gekleefd worden tot ze gaar zijn. Het brengt ongeluk om zo een oven af te breken, zodat je er soms meerdere naast elkaar ziet, allen in verschillende staat van ontbinding.

Er is verder heel weinig verkeer op de snelweg, nu en dan een bus of een vrachtwagen, en wat meer personenwagens. Het lijkt me dat tussen de verschillende steden van dit land weinig onderling contact is.

Wanneer we gaan tanken blijkt dat de motoren weinig verbruikt hebben, en dat we nog een hele eind verder zouden geraakt zijn: dat is geruststellend. Hier kunnen we wel weer benzine kopen met een beter octaangehalte.

Op zo een honderd kilometer van Buchara stopt de snelweg, en gaat het weer overheen een gewone weg in heel slechte staat. Hier hebben onze motoren dan weer wat voordeel op de rest van het verkeer, dat mekaar voortdurend hindert door omheen de putten te laveren, wat ons natuurlijk beter afgaat.

Bij een volgende ruststop worden we ‘overvallen’ door een bende Oezbeken die ons en de motoren komen bekijken en ondervragen. Heel vriendelijke enthousiaste mensen. Een paar onder hen vragen of ze even op de motor mogen zitten, wat ze prachtig vinden. Het is voor hen ook even op reis gaan en dromen. Een onderwerp wat vaak terugkomt bij zulke ontmoetingen is ‘geld’. Hoe kunnen wij zo een reis betalen? Ik antwoord dan dat ik veertig jaar gewerkt heb en reis op een oude goedkope motor, en dat de benzine hier heel goedkoop is, iets waar ze het steevast níet mee eens zijn.

In Buchara stop ik even om de route naar het hotel te zoeken op mijn smartphone. Net bij het weer aanzetten komt mijn voorwiel terecht in een greppel, wel twintig centimeter diep, gelukkig zonder erg, maar hoe kom ik daar nu uit. Met de hulp van Frits lukt dat uiteindelijk nog redelijk snel, en vinden we algauw het hotel, dat in voetgangersgebied ligt, maar net achter een parkje met vijver. Ik zie een politieagent die daar de boel in de gaten houdt, en op ons af komt. Hij geeft ons aanwijzingen hoe te rijden. Voorzichtig pruttelend tussen de voetgangers bereiken we dan het hotel, gelegen in een steegje. Plots komt Stanislav op mij af, hij zit in de B&B hier net naast. Hij vraagt me om samen met hen te gaan aperitieven, maar ik wimpel het in eerste instantie af. Ik zie hem misschien nog wel eens de komende dagen. We bekijken samen nog eens op de kaart welke route we elkeen volgen doorheen Verweggistan.

Het hotel is gloednieuw, gebouwd omheen een historisch ´herenhuis’, alweer een prachtige verblijfslocatie.

Nu eerst de motor afladen, eventjes met vertraging omdat ik opnieuw uitgehoord word door een Braziliaan, die thuis een 1200GS heeft, maar nu op reis is met vrouw en schoonmoeder, die hem gelukkig snel weer meenemen, zodat ik kan voortmaken. Dan eindelijk even bekomen en afkoelen met een lekkere aardbeiensorbet.

De garçon is erg aardig en onvermoeibaar, en kan zo mooi lachen, waarbij hij een volle mond gouden tanden laat zien. Nu begrijp ik waarom niet Samarkand, maar de reis er naar toe met goud bezaaid is.

’s Avonds blijven we in het hotel eten. Een borsh is in elk hotel anders en altijd lekker, dus daar start ik mee, om dan te eindigen met een soort ravioli, gevuld met lamsvlees en spinazie. De Oezbeken kunnen koken! De rest van de groep gaat nog even de benen strekken. Ik ga even mee, maar laat mij afschrikken door de zwoele zaterdagavonddrukte op het plein vóór het hotel, en trek mij terug op mijn kamer.

Even voor tienen kruip ik in bed en val doodmoe onmiddellijk in slaap.

 

Dag 72 (Zondag 9 juni 2019):

Vrije dag in Buchara (UZ)

Ik heb in één ruk de ganse nacht doorgeslapen, maar word rond vijf uur wakker wanneer ik merk dat ik niet alleen ben. Een klein zespotig vrouwtje is op één of andere manier mijn kamer binnengedrongen en ziet mij wel zitten. Ik tracht nog even tegen te spartelen onder de lakens, want de liefde is niet wederkerig, maar het mormel dringt aan, en ik stap uit mijn bed. De muren van de hotelkamer zijn wit, en de strijd is snel beslecht. Het stoutmoedig wijfje maakt nu deel uit van het kamerbehang. Ik ben ondertussen wel helemaal wakker, maak een lekker koffietje klaar, en zet mij aan het werk. Die mug heeft dan toch de blog gediend.

Het ontbijt is té lekker, en ik moet moeite doen om mij in te houden. Ik start met broccoli, bloemkool, worteltjes, omelet, en aardappelen. Dat was al zo lang geleden dat ik het niet kon laten. Daar komt dan het eigenlijke ontbijt bovenop, en dan nog een toetje.

En nu nog de moed verzamelen om samen met dat ontbijt een grote stadswandeling te maken…

En óf het een grote wandeling wordt!

Buchara is geen kleine stad, en de bezienswaardigheden zijn ruim gespreid, met daar tussenin honderden winkeltjes en kraampjes die vriendelijk maar onvermoeibaar in het Engels vragen waar ik vandaan kom, waarbij ik soms in het Russisch antwoord, waarbij de jongeren niet begrijpend kijken, maar de ouderen dan weer aangenaam verrast, soms het begin van een verder gesprek.

Ook hier zijn heel wat madrassa´s, mooie gebouwen, maar steevast goed voorzien van de nodige prullaria.

Eén ervan is echter nog in gebruik, de Mir-i-Arab, maar ik mag niet voorbij de portaalruimte. Ik zie echter door de tralies de leerlingen aan de studie. Het is een mooi gebouw, zo een vijfhonderd jaar oud, met twee grote groene koepels, één boven de moskee binnen het gebouw, en één boven het mausoleum waar de oprichter begraven ligt. Wie bouwt nu voor de eeuwigheid, tenzij je zelf op één of andere manier voor eeuwig wil meegaan. Als je iets moois ziet, zoek dan de mens die er achter schuilt. God bouwt geen tempels.

Tussen al die mooie gebouwen staan ook nog krotten, en hier en daar zijn ganse wijken met de grond gelijk gemaakt. Al dat lelijks wordt voor het oog van de bezoeker verborgen door staalplaten constructies, die tegelijkertijd het stadsbezoek in de juiste banen leidt langsheen de bezienswaardigheden. Het zal een uitdaging worden om al die lege plekken op te vullen met gebouwen van gelijkwaardige allure.

Dan komt het koninginnenstuk: de Ark van Buchara, een massieve vesting, waarvan een groot deel van de ommuring gerestaureerd is, en een deel van het fort zelf kan bezocht worden.

Het is met haar 15 eeuwen het oudste gebouw van Buchara. Binnenin is een moskee, een soort troonplaats, en diverse bijgebouwtjes ingericht als musea, wat ouderwets in belerende sovjet-stijl.

Rechtover de Ark staat dan een mooie oude moskee, de Bolo Haouz, waarvan het voorterras gevormd wordt door een ‘woud’ van houten pilaren, en welke in de hitte van de zomer gebruikt wordt als gebedsruimte.

Vóór de moskee bevindt zich ook een diepe vijver, een Hauz, gevuld met vuil water, en vermoedelijk veel muggenlarven. In de hele stad waren vroeger honderden van die vijvers, welke ook dienden voor drinkwatervoorziening, maar door het afleiden van het rivierwater voor de landbouw werden die vijvers steeds minder en minder voorzien van vers water, en bron van stank en ziekte, waardoor de meeste werden gedempt. Ook ons hotel, Lyaba House, ontleent haar naam aan de nabije vijver, de Lyabi-Khauz.

’s Middags eten we een kleinigheid in het hotel, en daarna doe ik het even wat kalmer aan, want het is drukkend warm.

Het wordt dus een namiddag van niksen en verpozen, een koffietje en een theetje, en tussendoor wat bijschrijven in het verslag, en het voorbereiden van morgen. Ook de motoren worden niet vergeten en voorzien van een extra scheutje olie.

’s Avonds gaan we eten in een groot restaurant niet ver van het hotel. Dat blijkt uiteindelijk een tegenvaller.

 

Dag 73 (Maandag 10 juni 2019):

Vrije dag in Buchara (UZ)

Na het ontbijt ga ik onmiddellijk de stad in, weer alleen ditmaal. Ik schiet dan sneller op, en hoef niet voortdurend de anderen in de gaten te houden, want in de drukte raken vijf man elkaar snel kwijt. Ook geef ik dan aan Frits en zijn vrienden de gelegenheid van iets meer privacy onder vrienden. Ik ga ditmaal langs de kleine steegjes van een voormalige Joodse wijk. Joden werden in vele Arabische landen getolereerd omdat zij, in tegenstelling met de moslims, zonder restricties met geld mochten omgaan en intresten vragen. Zij waren dus de bankiers van de rijke moslims. Enig spoor van de Joden kom ik niet terug, maar zie wel het dagelijks leven van de Oezbeken afrollen onder mijn voeten. Een man zit in een hoekje op straat, omringd door enkele fietswrakken. Hij lapt een band van een kinderfietsje. Is het een fietsenmaker?

Ik passeer ook een paar oude kleine moskeeën en Medressa’s, vervallen, verlaten, op slot. Opvallend is ook dat elk huis een versterkte burcht lijkt, soms met hoge zware ijzeren poorten. Nu en dan sijpelt toch iets door van wat zich daarachter afspeelt: een kippengevecht, een bleirend schaap, spelende kinderen, een huiselijke ruzie. Er is geen bestrating in de steegjes. Bovenop de riolering is hier en daar wat mortel gekieperd om alles samen te houden, wat een hobbelend zanderig stuivend geheel oplevert. Hier en daar wordt het vuil wat opzij maar niet weggeveegd.

Ik bereik de rand van de grote binnenstad en zie daar schuchtere weiden en lochtinkjes, omgeven door uitgestrekte bouwwerven waar lang geleden aan begonnen is. Daar vind ik eindelijk mijn eerste bestemming: het huismuseum van een rijke koopman die daar een eeuw geleden leefde.

Het huis is bijna onaangeroerd sinds de man er met zijn familie leefde, tot hij in de jaren dertig van vorige eeuw met zijn gezin gedeporteerd werd naar de goulag, een werkkamp. Een aantal vrouwen lopen in het museum rond en onderhouden alles alsof ze er wonen of werken voor ( de geest van ) de koopman. De tijd lijkt hier meer dan tachtig jaar te hebben stilgestaan. Een beklijvende ervaring.

Ik zet mijn tocht voort. In een straat wordt een nieuwe ijzeren waterleidingbuis in de grond gestopt, met man en macht, en dan nog geholpen door tientallen omstaanders, zodat je nog onmogelijk kan zien wie de arbeiders, en wie de lokale bewoners zijn. En net ernaast zijn een tiental jonge militairen in uniform ingezet om mee te helpen op een bouwwerf, vermoedelijk van een historisch of nationaal monument. Militaire dienst is hier dus ook burgerdienst.

Nog een paar steegjes verder zijn er alweer militairen aan het werk, nog meer ditmaal. Ze helpen mee aan de restauratie van een historische moskee.

Plots ben ik dan weer in het centrale grotendeels gerestaureerde deel van de stad. Ik ben weer omgeven door enorme medressa’s en een moskee. In één van de medressa’s is een restaurant ondergebracht.

In een andere zijn er winkeltjes, ambachtslui, en zelfs een echte mooie fototentoonstelling, vooral met koppen van gewone mensen in de straat. Ook is er hier een oefenschool voor jonge schakertjes. De school zelf is een eindje verderop, maar de kinderen kunnen hier oefenen door zich te meten met oude mannen.

In een groot strak klassiek uitziend gebouw is dan het museum van schone kunsten ondergebracht. Het stamt duidelijk nog uit de Sovjet-tijd. Op het gelijkvloers is er wat moderne kunst uitgestald, maar dan word ik meegetroond naar de bovenverdieping, die voor mij speciaal ontgrendeld en verlicht wordt, en waar ik een grote collectie schilderijen aantref welke mij wel eventjes kunnen onderhouden: zowel artistiek, inhoudelijk als op gebied van vakmanschap. Dat was wel een verrassing. Na mijn bezoek wordt het licht weer uitgeknipt, en worden de deur en het hek weer zorgvuldig vergrendeld, wachtend op die zeldzame bezoeker die zijn weg naar hier gevonden heeft. Het gebouw is een echte doolhof, en ik word vervolgens van de ene zaal naar de andere gebracht, waarna ik dan zelf maar mijn weg weer naar buiten moet zien te vinden.

Ik wandel weer verder, loop doorheen het centrum, langsheen een voormalige karavanserai, die ooit omgebouwd werd tot een enorme medressa, waar de sovjets vervolgens cinemazalen in onderbrachten, en waar nu winkeltjes en kraampjes te zien zijn. Ik stap verder door enkele steegjes, op zoek naar de oude moskee met vier groene kleine koepeltjes.

Ik vraag het aan enkele jongeren die mij prompt onder elkaar lachend de verkeerde kant uitsturen, maar teleurgesteld afdruipen wanneer ik toch de juiste kant opga, op aanwijzen van mijn smartphone. De moskee is niet meer als dusdanig in gebruik, maar volledig gerestaureerd, en gevuld met een winkeltje van toeristische prullaria.

Het is ondertussen een eindje na de middag, en ik keer terug naar het hotel. Ook de anderen zijn reeds terug, en we gaan samen lunchen. Ik kies weer voor een borsch, altijd lekker. Ik heb genoeg gezien van Buchara, en ga deze namiddag mijn foto’s ordenen en hier en daar in het verslag passen.

Rond vier uur is het tijd voor een namiddagthee, vergezeld van een appelstrudel en een bolletje ijs.

 

Dag 74 (Dinsdag 11 juni 2019):

Buchara (UZ) – Tomdi (UZ)

Rustige nacht. Smakelijk ontbijt. Straks gaan we de woestijn weer in, voor drie dagen en nachten ‘off the beaten track’, maar dan hopelijk met toch een minimum aan comfort.

We kennen de precieze locatie niet van onze bestemming, dus moeten we alweer het busje volgen, waarin Guusje, Ineke en Simon reizen. Het eerste deel van de rit is weinig glorieus, want langsheen de relatief drukke autoweg naar Samarkand. Na een honderd kilometer gaan we tanken, en vervolgens lunchen in een grote toeristische tent. Op de parking ontmoeten we bedelende kinderen. Noch in Khiva, noch in Buchara zagen we dit. De lunch is eenvoudig: soep. De chauffeur zit een paar tafeltjes verder en laat het zich smaken; hij blijft maar aan de gang. Bij het afrekenen blijkt de rekening echter onverwacht hoog. Blijkt dat de chauffeur zich ongevraagd op onze kosten zich eens heeft laten gaan. Dat wordt snel rechtgezet!

Terug op weg slaan we af naar het Noorden, en moeten dan nog een grote omweg maken door de Kyzylkum woestijn, want de gewone weg is afgesloten wegens werken. De woestijn is niet leeg. Overal zien we industriële activiteit, zij het oliewinning, mijnbouw, of marmerwinning. Ook zien we nu en dan kudden met schapen en geiten in deze steppeachtige woestijn.

In Nuratu gaan we toch nog even tanken. We zien er ook de resten van een burcht die nog ooit gebouwd werd door Alexander de Grote.

Dan weer verder noordwaarts, voorbij een groot meer naar een yoertkamp waar we de nacht in de woestijn zullen doorbrengen.

De yoerts zijn authentiek, en stammen uit het Sovjettijdperk, toen hier nog veel mensen als nomaden leefden, maar zich geleidelijk gingen settelen in stenen woningen. Verder is het kamp vergelijkbaar met een camping van bij ons, met goede sanitaire installaties en een cafetaria. Internet is er echter niet, en dat zal vermoedelijk voor drie dagen zo zijn.

We krijgen thee geserveerd, en gaan ons wat later opfrissen. Bij valavond begeven we ons naar een zandheuvel nabij het yoertkamp, om de zonsondergang in de woestijn mee te maken. Een kleine kudde kamelen komt op ons af. Ze hebben twee bulten, dus zijn ze van de Chinese soort. Sommige zijn gekluisterd omdat ze niet te snel te ver zouden afdwalen. Rond acht uur gaat de zon dan uiteindelijk onder. De mooiste hemels zijn meestal te zien wanneer de zon verdwenen is en de wolken nog allerlei kleurschakeringen laten zien. Vandaag is er echter geen bewolking en eindigt het schouwspel toch ietwat in mineur.

 

Het avondmaal is lekker en uitgebreid, veel meer dan we kunnen eten.

’s Avonds wordt een kampvuur aangelegd, en een lokale muzikant komt enkele rauwe Oezbeekse nummers ten beste geven. Hij is vergezeld van zijn zoon van twaalf, die het vuur levendig houdt, soms wat lichtjes meezingt, en tenslotte met de pet rondgaat. Ik doe mijn best het gebeuren zo goed mogelijk vast te leggen, want ik zal zoiets vermoedelijk nooit meer meemaken.

 

Dag 75 (Woensdag 12 juni 2019):

Tomdi (UZ) – Khayat (UZ)

Ik heb goed geslapen tot twee uur, maar daarna verplicht de harde ondergrond mij om mij alle vijf minuten te verleggen. Rond halfvijf wordt het licht buiten, en besluit ik om op te staan. De zon is nog net niet zichtbaar, maar de vogels zijn al volop aan de gang. In de verte hoor ik nu en dan een vrachtwagen razen. Het yoertkamp is verder nog volledig stil. Ik maak een koffie klaar en ga mij met mijn laptopje installeren aan een tafel op het overdekte terras.

Rond zes uur komt het kamp stilletjes tot leven. Het personeel schiet in gang, mensen begeven zich naar toilet of douche.

Het ontbijt is opnieuw in de mate van het mogelijke redelijk verzorgd.

We laden de motoren en vertrekken in de richting van het grote  Aydarkulmeer, waar we genieten van het panoramisch uitzicht van onder een enorm afdak met vele tafels en banken. Het meer is ontstaan door het afdammen van een grote rivier in de jaren vijftig om het dan af te leiden voor de katoenteelt. Dit heeft een enorme ecologische ramp tot gevolg gehad met het bijna volledig uitdrogen van het Aralmeer, en bovendien de woestijnvorming in de hand gewerkt. Soms komen hier groepen ’s middags lunchen. Frits en Simon maken een wandeling langsheen de oever en komen na een uurtje terug, waarna we onze route verderzetten naar een Guesthouse in de bergen.

De woestijn ten zuiden van het meer levert voldoende grassen en andere planten om hier succesvol grote kudden vee te kweken: schapen, geiten, runderen en paarden. Om de haverklap moeten we inhouden, zij het om ze de weg te laten oversteken, zij het om zelf een kiekje te schieten. We gaan dan nog even benzine tanken; opnieuw is enkel 80 octaan benzine te verkrijgen. Hopelijk blijft dat goed gaan.

Dan rijden we een grintweg op in een dal welke ons diep in de bergen leidt tot een hoogte van ongeveer 1000 meter. De valleien zijn groene oasen tussen de dorre grijze bergen.

Een tiental dorpen hebben zich hier weten te handhaven en leven van klassieke lokale opbrengsten welke nipt in hun levensonderhoud voorziet. In samenwerking met Unesco is hier een project opgezet van ruraal toerisme.

Hier zullen we twee nachten blijven, en ondertussen enkele bergwandelingen maken. Dit is eigenlijk niet het ideale seizoen hiervoor, want veel te warm. We krijgen nog eerst een late lunch aangeboden, lekker, maar veel te veel.

Met de gids maken we dan omstreeks 17u een bergwandeling naar het einde van de vallei, waar een groot natuurpark begint, een project van uit de Sovjet tijd. Heel even zien we drie grote berggeiten met ronde hoorns schichtig wegvluchten. We zien ze niet terug. Hier en daar steken prachtige bloemen uit boven het karige dorre gras.

Wat verder zijn er de ruïnes van een voormalig dorp, hoger gelegen dan het huidige. Bij het terug afdalen lopen we langs de irrigatiesystemen die hier doorheen de eeuwen aangelegd werden om het vele water rationeel te verdelen over alle veldjes, weiden en boomgaarden.

Voor het avondmaal krijgen we een soort ´pelmeni’, een deegzakje gevuld met groenten, aardappelen en vlees; teveel ajuin voor mij, en ik beperk mij tot één, welke al één te veel is. Dat wordt een slechte nacht.

En inderdaad, ik val onmiddellijk in slaap, maar word na een uur reeds wakker, het begin van een lange rusteloze nacht.

 

Dag 76 (Donderdag 13 juni 2019):

Vrije dag in Khayat (UZ)

Om vijf uur sta ik op en wil me gaan douchen. Geen water. Dat hoort er waarschijnlijk bij, maar wordt wel vervelend als er straks wel water komt en iedereen terzelfdertijd wil gaan douchen. We hebben om zeven uur, nog vóór het ontbijt, een ochtendwandeling gepland over de berg heen, tot bijna in het aangrenzend dorpje. Tijdens de frissere periode van het jaar moeten ze elke dag te voet over de berg, en terug, naar dat ene schooltje in het naburig dorp. Ze krijgen dan een halve dag onderwijs, en wisselen dan met een andere groep welke ’s namiddags naar school gaat. Nu is er drie maand vakantie.

Mooie uitzichten, mooie bergbloemen, een gezonde inspanning.

Terug in het Guesthouse heb ik echter geen eetlust, en voel mij doodmoe en ellendig. Vermoedelijk toch ergens een virusje opgelopen, want mijn leden voelen pijnlijk vermoeid aan. Het tekort aan slaap de afgelopen twee nachten hebben hun tol geëist.

Rust is hiervoor de beste remedie. Ik breng enkele uren door op mijn bed en doe dan toch een poging om ’s middags iets te eten. Het smaakt niet, behalve de thee met suiker. In de latere namiddag kom ik er enigszins wat door, en tracht met succes de blog bij te werken. Nu en dan komt één van de neefjes van de baas bij mij zitten. Hij is negen jaar en heet Skrallah. Een fel baaske met heel wat noten op zijn zang, en die zich al redelijk uit de slag trekt in het Engels. Er komen dan nog een paar andere zoontjes en neefjes, en we nemen samen met de vader wat foto´s op de motor. De grootvader die hier rechtover woont, heeft een 45 jaar oude IZh staan.

De baas van het Guesthouse, ergens in de dertig jaar oud schat ik, komt mij vragen wat er nog zou kunnen verbeteren aan het Guesthouse. Ik ga er niet echt op in want voel mij niet in de stemming om zo een gesprek aan te gaan. Hij vraagt of wij het eten lekker vinden. Frits en ik antwoorden hem dat het veel te veel is. Hij stelt voor om deze avond een maaltijdsoep aan te bieden, wat wij beiden perfect vinden.

’s Avonds krijgen we eerst alweer een hele reeks schoteltjes met allerlei groentjes en yoghurtsaus, en dan inderdaad een grote kom soep met rijst, en stukken aardappel en vlees. Dat smaakt lekker, maar al net iets te veel voor mij. En dan krijgen we alweer een enorme hoofdmaaltijd, wijl we allen reeds voldaan zijn door de soep. Maar geen nood, de baas zelf komt er bij zitten, en samen met de chauffeur doet hij zijn best om de eer van de tafel te redden. Als toetje komen dan nog heel lekkere kersen en pruimen. Dat kan er bij mij nog altijd wel bij.

 

Dag 77 (Vrijdag 14 juni 2019):

Khayat (UZ) – Samarkand (UZ)

Alweer een minder goede nacht gehad, maar ik voel mij al heel wat beter. ´s Nachts is het hier nooit stil, hoewel het mij niet wakker houdt: een balkende ezel, blaffende honden, allerlei vogels. Naarmate het licht wordt nemen de geluiden toe. Opgegroeid op het platteland zijn dat voor mij allemaal vertrouwde geluiden, behalve de ezel dan. Ik sta om zes uur op en maak mijn bagage klaar.

Ik neem slechts een minimaal ontbijt, waaronder wat lekkere rijstpap, waarvan ik voorproever ben voor de groep, die zich dan vervolgens gretig bedient.

Probleem! Ik ben de sleutel van mijn motor kwijt. Ik heb wel reservesleutels, maar vertrekken zonder de originele is geen optie. Na heel wat zoeken vind ik ze terug: ze waren in mijn wandelschoen gevallen en al mee verpakt in de hoes voor de schoenen. Oef! Iedereen opgelucht, want we kunnen mooi tijdig vertrekken.

Eens op de motor voel ik mij herleven. Het eerste stuk is niet geasfalteerd, maar ik zoef er probleemloos zacht hotsend en botsend overheen. Het is meer dan 32 graden warm.

In Bogdon, een veertig kilometer verderop, houdt het minibusje van de bende van Guusje halt, en ik zie er Skrallah afstappen, samen met zijn moeder. Blijkt dat ze meegelift zijn tot hier om naar de dokter te kunnen gaan. Wat een luxe hebben wij toch in België: een huisarts bijna om elke hoek. Er heerst een enorme drukte in het stadje. Misschien is er ergens een markt, maar die kunnen we nergens bespeuren. We moeten even een stoffige onverharde omleiding volgen omheen een deel van de stad, maar vanaf dan wordt de weg steeds beter, om dan vanaf Jazzix over te gaan in een soort autosnelweg met twee rijstroken per richting. Onderweg drinken we nog een koffie, en gaan net voor Samarkand nog even tanken. Hier is weer wat betere benzine verkrijgbaar van 91 octaan.

Alweer moeten we zoeken naar het hotel, dat in een achterafwijkje gelegen is tussen oude maar nette Sovjetblokjes, enkel te bereiken via een wirwar van steegjes. We mogen de motoren parkeren achter een hek: ook al een zorg minder. Afladen, douchen, omkleden, en dan met de groep op stap naar het Registan, het centrale plein van Samarkand. Nu blijkt dat het hotel toch zeer goed gelegen is, want we zijn er op nog geen vijf minuten wandelen.

Eerst nog een lekkere koffie met een taartje in een restaurantje rechtover het Registan, en dan een eerste vluchtige kennismaking met het Registan.

In tegenstelling tot wat we verwacht hadden zijn hier bijna geen Westerse toeristen, maar des te meer Oezbeken. Ook pasgetrouwde koppeltjes komen hier voor een fotoshoot met de familie.

Simon wordt ondervraagd door een groep lokale studenten, benieuwd naar weetjes over Europa, en ijverig om hun Engels wat te oefenen.

Ineke voelt zich nu ook niet lekker, en keert met Simon terug naar het hotel. Mogelijk hetzelfde als wat ik gisteren had?

Ik ga met Frits en Guusje nog een ijsje eten, en keer dan ook terug naar het hotel.

’s Avonds gaan we eten in restaurant Labi Gor, waar traditionele Oezbeekse gerechten geserveerd worden. Ik bestel plov, een rijstschotel met groenten en vlees. Net iets te vet, maar toch smakelijk. We sluiten de avond af met een wandeling naar het Registan.

  

Dag 78 (Zaterdag 15 juni 2019):

Vrije dag in Samarkand (UZ)

Ik heb goed geslapen en voel me weer top. Koffietje, douchen, en om zeven uur ga ik op stap door het ochtendlijke Samarkand. De meeste winkels zijn nog gesloten, maar er is toch al heel wat volk op de been. Ik loop naar het Registan en kan al wat mooie plaatjes schieten van het meest bekende plein van Uzbekistan, maar nu bijna totaal verlaten. Een bewaker komt op mij af en spreekt mij aan. ‘Minaret beklimmen en foto’s maken?’ Natuurlijk wil die man wat bijverdienen. Ik wil het eerst afwimpelen, maar bedenk mij. Ik heb er net iets over gelezen in de Lonely Planet gids, en het blijkt dus toch eerder iets te zijn dat meer gedaan wordt. Het is toch weer eens iets bijzonders. Ik ga met hem mee, geef hem een fooi, en beklim de minaret.

Ik kan enkele foto´s nemen en daal dan weer af. De bewaker laat mij voorzichtigheidshalve weggaan langs een andere uitgang.

Het ontbijt gaat door in de kelder, zoals ik al menig maal in Rusland heb meegemaakt. Spijtig dat hier in Oezbekistan zelden vers brood geserveerd wordt; het is meestal uitgedroogd en taai.

De eigenaar van het hotel (volgens mij een Rus) heeft in de garage een paar echte oldtimers staan: een Moskvich 400 die eigenlijk een Opel Kadett is, gemaakt met de machines welke de USSR buit maakte in Duitsland op het einde van de 2e wereldoorlog, en een Zaporozjets (ZAZ965), welke in de jaren 60 ook nog in Nederland verkocht werd. De auto´s staan in perfecte staat. Toch even vermelden dat die Russische wagens, ondanks de vele technische mankementen, toch stevig in elkaar zitten en de tand des tijds goed doorstaan.

Om tien uur bezoeken we dan samen de drie medrassa’a die het Registan omringen, van buiten zo mooi, rustig en stijlvol, maar binnenin dan toch wat tegenvallend doordat we er overvallen worden door massa’s schreeuwerige toeristenkraampjes.

Hiervoor zouden ze geen entreegeld meer mogen vragen. De drie gebouwen vormen nochtans een mooi geheel, grotendeels te danken aan de Sovjets die de ruïnes zo’n tachtig jaar geleden nieuw leven inbliezen.

In één van die kraampjes vind ik een lapje geborduurde stof om een gaatje in mijn broek te herstellen, te verstevigen en te camoufleren. Het zaakje, gelegen in een kluisje van een medressa wordt gerund door een blonde rus en zijn twee ook al blonde dochters, opvallende verschijningen in dit donkerharige Uzbekistan.

We gaan verder de verkeersvrije boulevard af noordwaarts. Er staan verschillende laagbouw Sovjetstijl winkels en restaurants langsheen, alsmede een groot standbeeld van de voormalige dictator Karimov. De vele perkjes en parkjes zijn bloemenrijk en perfect onderhouden.

We bezoeken de Bibi Khanym moskee, een enorme moskee gebouwd door Timoer Lenk en genoemd naar zijn vrouw.

De moskee werd reeds 400 jaar terug niet meer onderhouden en verviel sindsdien stilaan in ruïne. De Sovjets startten de restauratie, welke nog steeds aan de gang is. Op de binnenplaats staat een gigantische marmeren Koran.

Het is ondertussen middag gepasseerd. Tijd voor koffie en walnootbaklava.

Rechtover de moskee staat dan het mausoleum van Bibi Khanym, overigens niets bijzonders, behalve de pelgrimage welke hier plaatsvindt. Hier komen heel veel (bijna uitsluitend) vrouwen, en leggen geld op de doodskisten, vermoedelijk om één of andere gunst af te smeken, iets wat overigens totaal in strijd is met de Koran; enkel Allah mag om gunsten gevraagd worden. Je ziet het overal ter wereld. De drang van mensen om een unieke relatie te kunnen aangaan met het verhevene, en zich op deze wijze in status, bezit en geluk te verheffen boven de andere medemens: de mens als roedeldier.

Nog wat verder een grote moskee naast een groot kerkhof. Op het binnenhof van de moskee staat het mausoleum van voormalig dictator Karimov. Er is net het middaggebed aan de gang. Toch is er voortdurend komen en gaan van de mensen. Opnieuw een belangrijk oord van pelgrimage.

Terug naar het hotel en tijd voor wat rust.

´s Avonds gaan we eten in de Russische wijk, in restaurant Magistr, waar iets meer Europees gerichte gerechten geserveerd worden. De wijk is duidelijk gebouwd in Sovjettijd, proper, degelijk, en bijna overal goed onderhouden.

Samarkand, nog altijd (of is het opnieuw?) een heel mooie stad, de erfenis van Timoer Lenk waardig.

 

Dag 79 (Zondag 16 juni 2019):

Vrije dag in Samarkand (UZ)

Er is geen wolkje aan de lucht. Het wordt vandaag weer een warme dag.

Het ontbijt is lekker, en de bediening vriendelijk en gedienstig. Spijtig van het brood.

We gaan in groep het belangrijkste mausoleum van Samarkand, en zelfs van de wijde regio bezoeken, het Gur-Emir, waar Timur Lenk, zijn zonen en twee kleinzonen begraven liggen. Daarmee kun je wel de dynastie van de Timuriden samenvatten: ze regeerden gedurende ongeveer een eeuw over een rijk vergelijkbaar met dat van Alexander de Grote. Timoer Lenk schraapte dit rijk bij elkaar mits een heel leven vol oorlogen, veldslagen, moordpartijen (bijna 20 miljoen mensen), en natuurlijk plunderingen, waarmee hij al deze bouwwerken in Samarkand kon bekostigen. Na deze dynastie ging het snel bergaf, viel het rijk uiteen, en kon na enige tijd zelfs het onderhoud van al dit moois niet meer bekostigd worden, zodat honderd jaar terug slechts enkele ruïnes van dit alles overbleef.

Onder de Sovjetunie werd gestart met de restauratie van al dat moois, maar de kwaliteit van die restauraties laten te wensen over zodat een nieuw verval toch te verwachten is, tenzij ingrijpende maatregelen.

In het mausoleum zien we opnieuw heel wat mensen die hier komen bidden of gunsten afsmeken.

We bezoeken ook de Ak-Saraymoskee die even verder ligt. Mooi! En alweer mensen die in de crypte rond de graven zitten en ditmaal zingend verzen uit de Koran prevelen, enkel mannen ditmaal.

Het is warm, en de mooi gelegen cafetaria naast de vijvers is niet open, dus keren we terug en gaan een koffie drinken dicht bij het hotel. Nadien rust ik wat uit, whatsapp even met thuis, en trek er dan alleen op uit, terwijl de vier anderen de Shaki Zinda gaan bezoeken. De vier vrienden kunnen dan rustig afscheid nemen van elkaar, want allen, behalve Frits, keren straks terug naar Nederland.

Ik loop door het park naar het Rukhabad complex, het oudste van Samarkand: een moskee, een medressa en een mausoleum. In het mausoleum zit net een ganse familie op enkele banken tegenover de oude graven. Ze nodigen mij uit om bij hen te komen zitten. Een oudere man begint dan zacht te zingen, terwijl de anderen met gebaren in stilte meebidden. Ze zijn vergezeld door een vrouwelijke gids die hen na het gebed in een erg belerende stijl een hele uitleg geeft over ik weet niet wat (ik versta geen Oezbeeks). Ik sluip stilletjes weg…

Ik steek de drukke avenue over en passeer het grote theatergebouw. Het is gesloten maar afficheert toch een heel programma voor deze maand. Nog wat verder is een hele site overheidsgebouwen, nog uit de Sovjetperiode, welke deels leeg staan, deels in restauratie zijn, deels in gebruik en goed onderhouden.

Een enorm hotel uit diezelfde periode, destijds vermoedelijk hypermodern is nu leeg en verwaarloosd. In het park ernaast, onder schaduwrijke bomen, staan vier campers: een VW-busje en drie andere, wat meer uit de kluiten gewassen. Ik ga één voor één een praatje maken met de ‘overlanders’. Ze staan hier allen minstens tien dagen in afwachting van een visum voor Tadjikistan? De meesten zijn al meer dan een jaar onderweg, en hebben zelfs nog China op het menu staan.

Ik keer terug naar het hotel. Om vijf uur nemen Frits en ik afscheid van Guusje, Simon en Ineke.

Even later staan wij er weer alleen voor, niet voor lang echter, want Udo en Dirk-Jan komen ons volgende week op de motor vervoegen.

We maken een planning op voor komende week, en reserveren enkele hotels. We gaan dan vroeg eten een stevig eindje verderop, waar we al eerder eens goed bediend werden. Oei! Bij het gaan zitten is het gaatje in mijn broek een scheur geworden van wel 8cm. Gelukkig heb ik nu alles om dit te herstellen. Dat worden overuren kloppen deze avond. We hebben beiden weinig eetlust, maar laten ons het soepje en het heel erg lekkere brood, heetvers uit de oven, toch wel smaken.

Nadien start ik met de herstelling van mijn broek, waar ik een lap op naai: een Oezbeekse rustine.

Dan nog wat bloggen, en het is tien uur geworden, tijd om naar het Registan te gaan voor een laatste blik ‘by night’. Frits is er ook. Hij kon niet slapen.

Ik kom terug in het hotel en val heel snel in slaap.

 

 

Dag 80 (Maandag 17 juni 2019):

Samarkand (UZ) – Shahrizabz (UZ)

Udo en Dirk-Jan vertrekken vandaag uit Düsseldorf naar Bishkek, in Kirgizië, waar hun motoren hen reeds opwachten.

Ik sta rond vijf uur op. Het is reeds volop licht in mijn kamer, en algauw komen ook de eerste zonnestralen binnen. Van verduisteringsgordijnen hebben ze hier nog niet gehoord.

Na het ontbijt prutsen we nog wat. We vertrekken wat later, om niet te vroeg aan te komen in het volgend hotel, dat slechts 100 kilometer verder ligt. Shahrizabz is de geboortestad van Timoer, en tevens de eerste hoofdstad van zijn rijk. Hij liet er een enorm paleis bouwen, zowel in oppervlak als in hoogte, welk om het even welk bouwwerk in Samarkand ruim overtrof. De stad werd in de 16e eeuw verwoest door de khan van Buchara.

De rit naar Shahrizabz is mooi en afwisselend, over redelijk goede wegen, maar het is weer erg warm. We verlaten de uitgestrekte oase rond Samarkand en steken een heuvelrij over, en zelfs een kleine bergpas, en komen dan in een enorme vlakte, een heel ander deel van Uzbekistan, wat verder verwijderd van de klassieke Zijderoute en moderne invloeden. Heel wat meer ezeltjes en motodriewielers met laadbak. In het Oosten de imposante bergketen die de vlakte scherp begrenst, en bijna over haar hele lengte  duidelijk afgetopt wordt door vele sneeuwkappen: het begin van het Pamir-massief.

Kesh Palace Hotel kost ons weer wat tijd om te vinden, ditmaal omdat de locatie volledig verkeerd ingetekend staat op onze digitale kaart. Gelukkig staan hier veel al te gedienstige praatpalen, die gesticulerend met elkaar overleggen welke richting ze ons moeten uitsturen. En ja, dat lukt, dank zij die vriendelijke Oezbeken kunnen we al gauw de brandende zon inruilen voor de donkere koelte van het Kesh Palace. Het hotel mag er zijn, alles is heel net en comfortabel, hoewel enorm kitcherig-bombastisch.

We transformeren ons van vuilzweterige motards in frisgewassen Europese toeristen, en trekken naar het oude centrum waar de bezienswaardigheden staan. Deze plaats werd erkend als Unesco Werelderfgoed, en terecht, want ze weerspiegelt heel mooi de enorme macht welke ooit vanuit deze stad uitgestraald heeft, en tegelijkertijd hoe vergankelijk macht is.

Timoer Lenk bouwde hier ooit zijn Witte Paleis, en twee eeuwen later werd het bijna volledig verwoest door een naburige machthebber. Van dat paleis staan nog amper twee enorme brokken muur overeind, die mekaar ooit vonden aan de top van de enorme boog die de ingang van het paleis moet gevormd hebben.

De boog is er niet meer, maar je verbeeldt je moeiteloos hoe hoog die moet geweest zijn, en je hebt vervolgens nog enkel het raden naar de hoogte van de rest van het totale bouwwerk. De muren van de stad staan ook nog overeind, zij het dat ze niet gerestaureerd zijn, behalve over een heel korte afstand, en er uitzien als kleine slecht onderhouden zanderige dijken.

Ze geven dus nog een mooie indruk van de grootte van de toenmalige stad. Binnen die muren, zowat een kilometer zuidwaarts, staan dan enkele mausolea, medressa, moskeeën, en een karavanserai, allen overgerestaureerd, hier en daar wel echt mooi, maar in schril contrast met die ruïne van het Witte Paleis, welke moeiteloos en bruut inbeukt op onze verbeelding.

Om heel deze site te prepareren voor de toeristen heeft men hier een leger bulldozers ingezet, de meeste krottenwijken gewoon weggeveegd, en vervolgens een aantal rijen nieuwe woningen, en winkel- en horecaruimten gebouwd, en zelfs botweg muren geplaatst, om de achterliggende armoedige buurten, welke zich nog binnen die oude stadsmuren bevinden, te onttrekken aan het oog van de bezoeker.

Op ons ganse bezoek komen we geen enkele andere toerist tegen. Wel zijn er enkele tientallen Oezbeekse bezoekers. Mogelijk is deze plaats toch wel populair in weekends en op feestdagen, bij trouwpartijen en andere feesten, want de accommodatie is er, en alle horeca is bemand, hoewel nu zo goed als werkloos.

Na een korte verpozing in een kleine cafetaria trekt Frits terug naar het hotel, en stap ik verder de site af. Aan het zuidelijke uiteinde staat dan alweer een imposant hoge ruïne van een gebouw welke mogelijk nog hoger geweest is dan het andere.

Ook rond de oude ommuurde stad hebben de bulldozers en bouwwoede toegeslagen, resulterend in een brede weg met zes rijvakken, een strook gras van tien meter aan weerszijden, en dan nog een breed voetpad, en alweer de lange rijen camouflerende nieuwbouw.

En daartussen loopt onverstoord de lokale bevolking, mij toelachend wanneer ik passeer, herhalend vragend of ik een foto van hen wil nemen, en mij uitnodigend om eens te komen kijken naar hun nieuwe huis, terwijl ze eigenlijk nog maar goed bezig zijn het oude huis af te breken. Maar fier wijzen ze dan op de nieuwe stapel stenen die daar al klaar ligt om verwerkt te worden. Toch een fier volk dat van zijn land houdt.

Het is ondertussen al vijf uur gepasseerd maar nog bloedheet. Ook ik ga mijn koele hotelkamer opzoeken, en neem even rust.

Omstreeks 6u gaan we eten in een gans nieuw maar erg rudimentair restaurantje niet ver van het hotel: brood en soep met brokken aardappel en vlees. De eigenaar komt een tijdje naast ons zitten en hoort ons uit over de reis. Ik antwoord hem zo goed en zo kwaad als ik kan.

De rest van de avond breng ik door in de hotelkamer: ik vul de blog aan, en bestudeer onze volgende bestemming, Tadjikistan. Zo een hotelkamer heeft altijd iets duaal: ze biedt je rust, schermt je af van een heftige omgeving, maar is anderzijds beklemmend en deprimerend. Het is geen thuis.

 

Dag 81 (Dinsdag 18 juni 2019):

Shahrizabz (UZ) – Penzjikent (TJ)

Toch alweer een redelijk goede nacht gehad. Ik sta op om 5 uur, net iets eerder dan de duiven die hier boven op het metalen dak van het hotel beginnen te koeren en rond te koersen. Het is al licht buiten. Naarmate we verder oostwaarts reizen wordt de kwaliteit van het internet steeds slechter, vooral trager en met onderbrekingen, wat dan vooral invloed heeft op de videocontacten met thuis. Dat probleem zal zich mogelijk de komende weken doorzetten. We zullen regelmatig de nacht doorbrengen in Guesthouses en zelfs in Homestays, dus echt bij de mensen thuis, met een accommodatie die hier soms maar minimaal op gericht is.

Even na achten klopt Frits aan de deur. We gaan samen naar de ontbijtzaal en merken dat we toch niet alleen de nacht doorgebracht hebben in dit hotel: er is gisteravond nog een ganse groep Fransen toegekomen. Het ontbijt is lekker, maar afgemeten, op zijn Sovjets.

We gaan de motoren van de binnenplaats halen, en parkeren ze voor de ingang van het hotel. Terwijl ik de motor bepak komt een wat oudere Fransman van het busgezelschap naar me toe en hoort mij uit over onze reis. Hij werkte jarenlang als nucleair fysicus in Brussel. Hij is enthousiast over wat wij nog ondernemen, en kan de volgende uren, op weg naar Samarkand, mijmeren over kans die hij zelf gemist heeft om dit land ook op deze wijze te bezoeken. Nu, het lijkt allemaal wel mooi, maar het is ook lastig, die motor laden onder die brandende zon, en dan staan palaveren en lanterfanten, terwijl het zweet onder mijn motorvest over mijn benen tot in mijn laarzen druipt. De bus vertrekt, en wij kunnen nu ook voortmaken. De twee receptionistes zwaaien ons uit, we geven gazze, en weg zijn wij. En dus nu dezelfde weg van gisteren terug, weer even mooi, onderhoudend, even wat aangenaam frisser wanneer we de bergpas oversteken, maar dan weer lastiger bij het naderen van Samarkand, waar we dan nog wat trager gaan rijden omwille van het drukkere verkeer, en omdat we op zoek moeten naar een benzinepomp waar de juiste benzine verkocht wordt. We proberen enkele benzinestations, maar ze hebben slechts 80 octaan benzine. In een stad als Samarkand moet toch beter te vinden zijn. Aan de zoveelste pomp komt een oudere man met wit haar op mij af en zegt dat er net om de hoek benzine te vinden is, en bevestigt dat het wel degelijk die is welke ik nodig heb. Ik bedank hem, en we keren om.

Mensen zijn vaak bang voor onbekenden: dat geldt voor de Belgen, ‘bang voor de zwarte man’, die aan hun deur komt bellen, maar dat geldt ook hier voor de Uzbeek, die vanachter zijn vitrine het schuifraampje opentrekt voor twee vreemde vogels op zware motoren die hij daar aan zijn pomp ziet staan, en van wie hij wil horen hoeveel liter van welke benzine ze willen tanken. Maar wij willen niet ‘zoveel liter’ van dit of van dat, wij willen een volle tank van de beste benzine welke hij kan leveren. Ik zie de man zijn bedenkelijke gezicht in een brede grijns trekken van opluchting, wanneer ik hem in het Russisch aanspreek. Oef! Toch nog even aandringen dat ik niet weet hoeveel liter er bij kan in de tank maar dat ik hem wel volledig vol wil. Tien minuten later zijn we beiden voorzien van een volle tank bijna perfecte benzine van 91 octaan, en nemen we zwaaiend afscheid van de pompist.

Het is ondertussen ver tegen de middag. Tijd voor een koffie. Ik stop bij een restaurantje waar in grote letters ´KAFE´ op staat. We installeren ons aan tafel en bestellen koffie bij een wat schuchtere tiener die ons komt bedienen. Er is geen koffie, zegt hij ons beteuterd in heel gebrekkig Engels. Zwarte thee dan? Ook niet. Enkel groene thee… Allez dan, groene thee. Hij stuift naarstig weg. Ik ga hem achterna om te vragen of er geen zoete broodjes zijn. Hij toont mij enkele broodjes, maar die zijn gevuld met vlees en ajuin. Dan maar niet. Terwijl we even later genieten van onze groene thee, komt hij daar dan plots heel fier opzetten met twee grote mokken koffie, van die mierzoete met veel melk, gebrouwen met een zakje poeder. We doen ons toch tegoed aan de koffie, en spoelen de zoete smaak weg met de thee. We bestellen dan ook nog een fles water, maar wanneer we willen betalen, zegt de jongen dat de thee en de koffie gratis zijn, maar het water moet betaald worden. Geen kwaad woord over de Oezbeken, ze zijn van het vriendelijkst wat hier op de aardbol rondloopt.

Een vlotte goede weg brengt ons even verder tot aan de grens, waar we alweer zo vriendelijk en snel door alle grensformaliteiten geholpen worden. Even later verlaten we Uzbekistan, en rijden door een groot hek de grenspost van Tajikistan binnen, waar ons letterlijk en figuurlijk, een nog warmer onthaal te wachten staat. Gelukkig staat er een stevige wind die toch enigszins verkoeling brengt. De formaliteiten werden nog nooit zo snel en ontspannen afgehandeld als hier, ware het niet dat een computerpanne roet in het eten komt gooien. De ene na de andere grensbeambte komt een praatje met ons slaan. Eén van hen spreekt redelijk Engels, legt alles zeer gedetailleerd uit, brengt zelfs een extra stoel aan, zodat we beiden kunnen gaan zitten, en stelt ons herhaaldelijk gerust dat het heel veilig is in zijn land.

Even later rijden we dan Tajikistan binnen over een prachtige asfaltweg met perfecte wegmarkeringen, doorheen de vruchtbare Zeravshan vallei, met aan weerskanten nog niet al te hoge bergen.

Deze vallei maakt deel uit van de Zijderoute via Samarkand. We passeren het ene dorp na het andere (Pantshakant betekent vijf dorpen) en rijden dan door de kleine nette moderne stad Penzjikent.

Even buiten het centrum vinden we dan Hotel Rudaki, gloednieuw, en uiterst verwelkomend, waar de motoren al snel achter een hoog hek beveiligd worden. In de lobby wordt de grote divan ingenomen door drie vrouwen die er zittend en keuvelend frisgewassen handdoeken sorteren.

Na wat verfrissing en verpozing wissel ik wat dollars bij de receptionist aan een heel voordelig tarief, en kunnen we iets gaan eten in het restaurant schuin tegenover het hotel. We kiezen in het grote verzorgde restaurant uit de beperkte lijst met enkel lokale gerechten een slaatje plus de ‘rundsvleesschotel met garnituur’ en wachten benieuwd af wat dát zal worden. En dat blijkt mee te vallen: geprakte aardappelen, macaroni, gebroken tarwekorrels, en een soort rundsburger. Voldaan keren we terug naar het hotel.

De gashendel van mijn motor draait de laatste dagen iets te stroef en heeft wat aandacht nodig: ik smijt het boeltje open, reinig het zo goed mogelijk, en breng vet aan. Na het monteren draait de hendel weer soepel en zacht. Ik controleer het oliepeil en de kettingspanning: alles perfect. Ik heb op twaalfduizend kilometer de ketting niet één maal moeten opspannen.

Het is ondertussen avond, en zachtjes zet de duisternis zich in. Ik verdiep mij in de reisgids, en werk de blog bij.

We hebben vandaag niets beleefd, maar wat een gewone leuke dag!

 

Dag 82 (Woensdag 19 juni 2019):

Vrije dag in Penzjikent (TJ)

Vijf uur: Het is nog lang wachten op het ontbijt. Gelukkig heb ik koffie en een appeltje. We bevinden ons hier op duizend meter hoogte, nog net niet in de bergen, en het is aangenaam fris in de kamer zonder dat de airco hoeft te draaien.

We zitten halfweg de reis, halfweg Verweggistan, namen een paar dagen terug afscheid van de bende van Guusje, en verwelkomen eind deze week de bende van Dirk-Jan.

Straks bezoeken we iets unieks: de ruïnes van Sarazm, een vroege stadsvorm, 5000 jaar oud, één van de oudste ter wereld, én Unesco Werelderfgoed. De site is weinig bekend, en staat zelfs niet vermeld in de reisgids. Maar dan is er nog internet om mij wat de documenteren.

Het ontbijt is verzorgd en lekker. Het brood  is vers. Een meisje van !7 komt naar ons toe en spreekt ons aan in het Engels. Ze wil haar Engels wat oefenen. Ze is de kleindochter van de eigenaar van het hotel, en wil later graag in de VS economie studeren. Ze hoort ons uit over van alles, en geeft ons tips over de bezienswaardigheden in het stadje en de omgeving.

Rond tien uur vertrekken we naar de ruïnes van Sarazm, een kwartiertje rijden richting Samarkand. Sarazm werd al meer dan 5.000 jaar geleden bewoond (en dit duurde 1500 jaar) en is één van de oudste geciviliseerde plaatsen op aarde. De site ziet er niet bijzonder uit: er zijn vijf overdekte archeologische opgravingen met kleistructuren. De site is pas in 1976 ontdekt. Hier was destijds reeds gevorderd metallurgisch vakmanschap aanwezig, gerenommeerd in een heel ruime regio, waaruit af te leiden valt dat de Zijderoute veel ouder is dan haar naam doet vermoeden. Een magische plaats, gedoemd echter om te verdwijnen, want gedroogde klei heeft slechts water nodig om tot modder herleid te worden. Een wonder dus dat tot op vandaag toch nog iets overgebleven is.

Frits voelt zich niet lekker en hoest wat. Hij wil het vandaag wat kalmer aan doen. We rijden terug naar Penzjikent en stoppen onderweg om iets te drinken. Er is enkel ijs te verkrijgen op het terrasje. Voor water kan wel gezorgd worden. Ik bestel een ijsje. De patron verzekert mij dat er geen chemische toevoegsels in zitten: ‘enkel melk en suiker!’. Enkele schooljongens spreken ons aan. Ze vinden het leuk om het Engels te oefenen dat ze op school leerden.

Het ijsje is lekker, maar of er niets anders in zat zal ik maar over een dag of wat weten. Frits drinkt wat water en vertrekt vervolgens terug naar het hotel. Ik zelf rij verder naar het centrum en parkeer mijn moto tegenover de bazaar. Ik bezoek er eerst de ‘oude’ moskee die dateert van … 1991. Niks bijzonders, behalve dan het feit dat er ook een medressa (koranschool) aan verbonden is, die door de overheid werd gesloten uit schrik voor het fundamentalisme, en nu wat winkeltjes herbergt.

Dan duik ik de bazaar in, waar het erg druk is.

Ik passeer doorheen de broodstraat.

Ik koop dan ook nog wat touw, een snelbinder, en een computermuis.

Dan spring ​​ik weer de motor op en rijd wat door de stad langsheen enkele Sovjetrelieken die nog steeds in gebruik zijn.

naar de rand van de stad, naar de ruïne van het oude Penzjikent. Die stad floreerde als deel van het grote pre-islamitische Perzische rijk van de Achameniden, en bevond zich als citadel op een hoge heuvel naast de huidige stad. De citadel werd destijds opgebouwd met adobeblokken (gedroogde modder en stro), en is dus gewoon stilaan weggespoeld van zodra de stad verlaten werd en de daken het begaven. Er werden nog wel veel Sogdische fresco’s gevonden, die verhuisden naar de Hermitage van Sint-Petersburg.

Ik bezoek het piepkleine museum ter plaatse, waar enkel originele artefacten uitgestald staan, en vooral veel reproducties van de fresco’s die weggeroofd zijn, maar ondertussen toch voor verder verval behoed zijn.

Ik loop door de uitgestrekte citadel, en herken slechts hier den daar de menselijke hand in het opbouwen van muren en indelen van huizen.

Binnen afzienbare tijd schiet hier niets meer van over. ‘ Van stof en as zijt gij gemaakt, en …’.

Volgende etappe is het Rudaki-museum.

Rudaki was een nationalistisch dichter uit de 10e eeuw, geboren in deze stad. Het museum beschrijft de verschillende etappes in de geschiedenis van deze stad. Een heel bijzonder museum: de vrouwelijke bedienden spreken allemaal wel een of andere vreemde taal, wat ze dan ook graag demonstreren: Duits, Engels, Frans, Russisch. Ik krijg het allemaal te horen.

Het museum uit Sovjettijd zelf is redelijk groot, heel goed onderhouden, beperkt in de collectie, maar verzorgd en interessant. Er zijn zalen over elke historische periode van de stad, en natuurlijk ook een zaal vol foto’s van huidige en vroegere machthebbers. Heel mooi is een afbeelding uit de glorietijd van het stadje.

Bij het beëindigen van mijn rondleiding krijg ik thee aangeboden van de dames die het museum runnen, en ze beginnen vragen te stellen, niet over de moto, niet over de reis, maar over vrouw en kinderen.

Een van hen is klassiek geschoold zangeres, en geeft speciaal voor mij een staaltje ten beste van haar kunnen.

Ambiance troef. Ik dacht dat Tadjiekse vrouwen eerder terughoudend waren; ik moet mijn mening herzien, want ze zijn net hetzelfde als overal.

Ik keer uiteindelijk omstreeks 15 uur terug naar het hotel en drink samen met Frits een koffie. Omstreeks 17 uur gaan we eten. Frits heeft niet veel trek.

Terug in het hotel pakken we zijn motor aan: olie checken, ketting opspannen, banden oppompen.

Frits gaat seffens met de twee kleindochters van de hoteleigenaar wat converseren in het Engels, om de meisjes wat meer praktijk bij te brengen. Frits heeft zijn roeping gemist, maar haalt zijn schade in.

 

Dag 83 (Donderdag 20 juni 2019):

Penzjikent (TJ) – Seven Lakes (TJ)

Straks vertrekken we naar de Zeven Meren in de Fann bergen die tot meer dan vijfduizend meter reiken. We zullen daar twee nachten blijven. Communicatie via internet zal vermoedelijk niet mogelijk zijn.

Ik word om vijf uur wakker, maar ben nog erg moe, en blijf nog liggen tot halfzeven. Dan sta ik toch maar op en neem een koffie welke me al gauw wat opkikkert. Ik heb vermoedelijk net als Frits toch ergens een virusje opgelopen, vandaar ook de schorre stem welke ik sedert gisteren heb. Ik zet me aan het werk om nog wat informatie op te zoeken voor onze tocht over de Pamir Highway, en boek ondertussen nog een hotel in een stadje waar er niet veel accommodatie voorhanden is, en we vermoedelijk maar laat in de namiddag zullen aankomen wegens de grote afstand vanuit Dushanbe.

Om 8u gaan we ontbijten, en merken dat nog vier andere motards hier de nacht doorgebracht hebben. Het zijn Italianen die op huurmoto´s veertien dagen doorheen Kirgistan en Tajikistan trekken. Na het ontbijt zijn ze al aan het pakken. We wisselen wat informatie uit, waarna ze wegrijden.

Wijzelf vertrekken om tien uur, slaan onderweg nog wat water en proviand in, en verlaten dan de hoofdweg richting Zeven Meren, in het Fann gebergte, welke reeds hoort tot het Pamir bergmassief. Na een kwartiertje rijden worden we tegengehouden op een checkpoint en om onze papieren gevraagd. De politieman vraagt ons zelf onze gegevens in zijn dik boek te schrijven, want hij vindt onze Europese namen te moeilijk. Het blijkt dus enkel een administratieve controle, en we mogen ongehinderd verder.

Even verder stopt het asfalt, en gaat het stijgend over stoffige, hier en daar modderige, bultige en puttige wegen verder. Kinderen wuiven ons na bij passage door de dorpjes. We steken een camper voorbij. Het is het Brits-Spaanse koppel dat ik in Samarkand ontmoette. Ze hebben dan toch hun visum bekomen. We bereiken het eerste van de zeven meren, en nemen wat foto’s.

We raken vlot vooruit, maar op een stuk met veel los grint heb ik niet voldoende snelheid, begraaf ik mijn voorwiel in het grint, en kantelt de motor tot tegen de rotswand. Net terwijl ik hier aangeleund lig tegen de rotsen zie ik Frits net hetzelfde overkomen. Samen trekken we de motoren weer recht en rijden verder. Vijf minuten later bereiken we het Guesthouse Jumaboy, waar we eerst ontvangen worden door twee vrouwen en een bende kinderen die geen woord Russisch of Engels spreken. Even later komt er een grijzende langbebaarde man af die moeilijk verstaanbaar Russisch spreekt. Na wat gepalaver begin ik hem toch te begrijpen, en kunnen we intrek nemen in een van de vele kamers. De man gaat weer aan het werk: hij is de muur van het gastengebouw aan het voegen, samen met een jonge gast van een twintigtal jaar.

Er wordt ons gevraagd wat we willen eten, maar hebben helemaal geen zin in zo een uitgebreide lunch bij dit warme weer. We drinken wat thee en eten wat brood, en gaan vervolgens even rusten. Rond vier uur maken we een wandeling naar het meer, het vierde meer.

We zitten hier op bijna tweeduizend meter hoogte. Naast het Guesthouse buldert een kleine rivier naar beneden.

Op de weg langsheen het meer steekt een grote witte  minibus met toeristen ons voorbij en rijdt verder naar de hoger gelegen meren. Zij gaan misschien logeren in één van de hoger gelegen guesthouses. De motorfiets is hier een populair vervoermiddel.

Ze stuiven ons aan grote snelheid voorbij.

 

Teruggekomen ga ik een babbeltje slaan met de man van daarnet. Hij is niet de eigenaar, maar is hier samen met zijn neef aan het werk. Hij woont een twintigtal kilometer verder, en is hier gekomen op de oude motor, die daar wat verder tegen een berg zand aan leunt. Die motor, een IZSH, is al vijvenveertig jaar oud, en rijdt naar zijn zeggen nog als een raket. Ik geloof hem, die lokale motoren rijden hier als gekken. Wanneer hij hoort van onze reisplannen vertelt hij dat hij ook nog in Rusland gewerkt heeft, dicht bij het Baikalmeer. Hij heeft er ook enorme vis gevangen, en wanneer hij dan met zijn armen begint te zwaaien, versta ik hem ineens beter: dat visserslatijn bestaat ook bij ons.

Er komt een busje aan met 5 jonge Chinezen uit HongKong. Waarschijnlijk het busje dat we daarstraks zagen passeren. Ze zijn vergezeld van een Engelstalige lokale gids en natuurlijk een chauffeur. De gids nodigt ons uit voor de thee: hij heeft behoefte aan wat ander gezelschap. Hij woont in Pensjikent, en runde er vroeger zelf een hostel, vermeld in de Lonely Planet gids, maar is daar nu mee gestopt, en gidst nu doorheen het ganse land. Hij is 61, en leraar Engels van opleiding. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie is hij gestopt met lesgeven, omdat er geen geld was voor de scholen, en zich gaan toeleggen op het toerisme, toen de grenzen zachtjes open gingen. Hij vertelt over van alles en nog wat, ook over de vier jonge wielertoeristen die hier twee jaar terug door dolgedraaide geradicaliseerde jongeren om het leven werden gebracht. De controle aan het  begin van de vallei is er omdat hier een goudmijn is. Bij het verlaten zullen we niet gecontroleerd worden.

Het avondmaal wordt geserveerd op een overdekt terras naast de rivier. De zon is al even weg en het wordt wat frisser. Op het einde van de maaltijd begint de gids wat moppen te vertellen, en sommige van die Tadjiekse moppen zijn al even schunnig als de onze.

Ik sla een praatje met de jonge Chinezen die wel gemakkelijk aan de praat gaan. Ze spreken goed Engels. Ze zijn ongeveer twintig jaar oud en werken als boordpersoneel op internationale vluchten van Cathay Pacific Airlines. Ze leerden elkaar kennen tijdens hun opleiding, en zijn nu samen op vakantie. Eén van hen spreekt zelfs wat Frans en is fier wanneer ik hem zeg dat hij het goed doet. Ze laten een hele goede indruk op mij na, maar zijn nu specifiek daarvoor ook opgeleid. Hun manier van spreken onderling is wel wat wennen.

Het is ondertussen goed donker geworden, en we gaan omstreeks negen uur slapen. De jonge gasten slapen boven en maken geen hoorbaar lawaai. Het is in vele Guesthouses wel eens anders.

 

Dag 84 (Vrijdag 21 juni 2019):

Vrije dag in Seven Lakes (TJ)

Ik ben deze nacht verschillende malen wakker geworden, heb wat hoofdpijn, en blijf weer wat langer liggen. Ik wijt de verschijnselen aan de grote hoogte waarop we zitten, ook één van de reden waarom we hier enkele dagen blijven. Komende week gaan we richting vijfduizend meter, en de beste preventie van hoogteziekte is geleidelijke aanpassing.

De Chinezen hebben net ontbeten wanneer wij er aan komen. We nemen afscheid van hen en de gids, en wat later vertrekken ze richting Dushanbe, om daarna naar Tashkent te gaan, voor een vlucht naar huis. Het ontbijt is erg eenvoudig: brood, eitje, boter, kersenconfituur, en koffie. De confituur is nogal vloeibaar, eerder kersen op sap, en ik lepel het gewoon uit samen met brood.

Een uurtje later vertrekken we voor een wandeling naar boven, naar de andere hoger gelegen meren.

Het gaat stevig bergop. We passeren voorbij het dorpje Padrud, waar de bergrivier dwars doorheen loopt, en er een oude watermolen aandrijft. Een paar oude mannen hebben daar hun vaste verblijfsplek op de bankjes naast de weg. Ik vraag of de molen nog werkt, en ze antwoorden bevestigend, maar ik kan er toch niet uit opmaken waarvoor de molen gebruikt wordt. Misschien om graan te malen? De vrouwen hier in de bergen zijn erg schuw; de meesten wenden zich af of verbergen hun gezicht wanneer ze ons zien naderen. Kinderen daarentegen zijn spontaan, en komen meestal graag op de foto.

Ook een man komt zich spontaan als fotomodel aanbieden en poseert met veel geduld tot ik hem op de juiste manier voor mijn lens krijg.

We bereiken het vijfde meer, veel kleiner dan de andere, waar enkele jongens aan het keienstrand spelen.

Wat verder komen we een jong koppel backpackers tegemoet die van boven komen. Het zijn Brusseleirs, maar dan in het frans. Ze hebben de nacht doorgebracht in het verste Guesthouse, voor ons nog een uurtje wandelen. Zij gaan terug naar Pensjikent, om er te overnachten. We stappen tien minuten door, en aan een uitnodigend bordje slaan we af, hopend dat we daar even kunnen zitten en iets drinken. We zien daar echter twee mannen aan het werk. Het zijn broers, nog maar pas gestart met de bouw van een nieuw Guesthouse, dat volgend jaar moet openen.

Ze gebruiken adobe, blokken van gedroogde modder en stro. Ze zijn alvast goed gestart, want ze hebben al een uithangbord dat vandaag twee toeristen uit de Lage Landen aan de Noordzee aangetrokken heeft. Fier tonen ze ook het mooie uitzicht op de watervalletjes.

Dan maar weer verder, sterk stijgend tot aan het zesde meer, op bijna 2200 meter, waar zich het verste Guesthouse bevindt. Ook daar zijn ze volop aan het bijbouwen, hopend op de grote toeloop. Het is al middag, en we blijven er even thee drinken, toeziend op de werklui die volop bezig zijn. We hebben vanop het terrasje een mooi uitzicht op het mooie turquoise blauwe meer, met daarachter de hoge besneeuwde bergtoppen.

Het volgende meer is te ver weg, en we keren dus zachtjes terug, bergafwaarts ditmaal, maar toch lastig omwille van de losse schuivende ondergrond. In Padrud houden we weer even halt aan een winkeltje, en vervolgens terug aan de watermolen, waar nu een andere oude man zit, samen met een backpacker. De heel jonge Ier wacht hier tot een auto voorbijkomt om hem naar Pensjikent te brengen. De oude man verstaat hem natuurlijk niet, en ik speel even tolk. Binnen een half uur zal hier een auto passeren die net naar boven gereden is met toeristen. Ik praat nog wat met de oude man. Ook hij vraagt of ik Rus ben. Ik krijg die vraag regelmatig; vermoedelijk spreek ik met een Sint-Peterburgs accent.

De man is 73 jaar oud, maar dat is niet oud. Hiernaast woont een man van 94, en die is nog steeds erg goed te been. Het dorp telt 1100 inwoners, dus nog heel wat, en men is hier tegenover een nieuwe school aan het bouwen. Inderdaad, drie bouwvakkers zijn daar aan het werk aan een redelijk groot schoolgebouw.

Op die ganse weg zien we geen schapen of geiten, 1 koe, heel weinig honden, maar wel veel ezels.


We zetten onze weg weer verder, terug naar het hotel. Daar treffen we de Brusselaars aan, die proberen vervoer te organiseren naar Pensjikent …, ook al. We installeren ons op het terras en drinken wat thee met soldatenkoeken. Op het ander terras krijgt het Belgische koppel een lunch geserveerd, in afwachting van vervoer.

Na de thee gaan we wat rusten, en vervolgens op de computer werken, wat rondwandelen, plannen maken, ons wat vervelen. ‘Dolce far niente’. Ik herstel ook de kapotte snelbinder met behulp van de nieuwe welke ik in de bazaar kocht, want de haken van de oude zijn veel sterker.

Het begint plots te waaien, en wat later gaat het zelfs wat regenen.

´s Avonds eet ik Plov (rijst met carrotjes) met rundsvlees, gebakken in gelukkig niet al te veel olie. Dat smaakt weer eens. Het wordt al gauw donker. We zijn de enige gasten deze nacht, dus niemand om ons wakker te houden. Ook de metsers houden er mee op en krijgen ook te eten. Ze hebben van zes uur tot acht uur gewerkt: 14 uur, met nu en dan een korte pauze. Wijzelf gaan even later slapen.

 

Dag 85 (Zaterdag 22 juni 2019):

Seven Lakes (TJ) – Dushanbe (TJ)

Ik hoor heel in de verte toch een hond blaffen. Ik word zacht wakker na een goede nacht. Het is nog maar 4u, maar ik heb toch zeven uur geslapen. Ik blijf nog wat liggen tot zes uur, wanneer ik de metsers hoor aankomen, en dan sta ik op. Ik verlaat de kamer en installeer mij aan de tafel in de gang en voeg wat foto’s toe aan de blog.

Niet zo veel later staat ook Frits op en we beginnen ons echt klaar te maken voor de trip naar Dushanbe, de hoofdstad van Tajikistan. Jumaboy, de eigenaar van dit guesthouse is zijn patatten aan het bewateren. Hiervoor graaft hij vanaf het irrigatiekanaaltje een nieuw geultje, en aldra stroomt het water tussen de patatten. Hij toont mij fier zijn tomatenplantjes, die al een twintig cm hoog staan. Zijn zestienjarige zoon heeft het ontbijt klaargezet. Hij weet perfect wat wij willen.

Na het ontbijt ga ik Jumaboy betalen. Jumaboy betekent ‘vrijdag’. Hij is geboren op een vrijdag, en zo genoemd naar de gelijknamige persoon in Robinson Crusoë. We babbelen wat, ik vraag hem hoe zijn gezin in elkaar zit. Hij heeft vijf zonen, waarvan er vier momenteel in Rusland gaan werken zijn, en de jongste thuis het Guesthouse helpt runnen.

Hij heeft ook twee dochters, waarvan de jongste tien jaar is. Plots staat hij recht en neemt mij mee naar zijn huis. Daar ligt een meisje van tien op een bed: ze is verlamd vanaf het middel, blind en mentaal gehandicapt na een val toen ze één jaar oud was. Ze hoort wel, maar of dát haar uitzichtloze situatie enigszins verbetert… ? Zo heeft elk huisje zijn kruisje, zelfs in een moslimgezin.

We nemen afscheid van iedereen en rijden weg, dalend dit maal. De terugweg lijkt mij veel langer dan de heenweg, maar we komen er probleemloos doorheen, hoewel de weg hier en daar nog nat en modderig ligt. De motoren zien er al weer erg betaterd uit. Onderweg zien we de camper staan van het Brits-Spaanse koppel, aan de rand van het derde meer. We stoppen even. Ze zijn met het grote gevaarte van 25 jaar oud niet meer verder durven gaan. Het was al lastig genoeg om hier te geraken. Nu valt het mij op dat de zeldzame wegwijzers ook aanduidingen in het Chinees bevatten. De Chinezen zitten hier dus ook. Ze hebben zelf weinig grondstoffen, en moeten die elders in de wereld uit de grond zien te krijgen om die enorme productie en uitvoer naar de ganse wereld te kunnen handhaven.

De weg van Pensjikent naar Dushanbe loopt langsheen een brede kolkende rivier, bruin van de meegevoerde modder. De bergen rondom rijzen steil de hoogte in. Het is prachtig rijden op een uitstekende weg. Er is niet te veel verkeer, en het is niet te warm, zodat we redelijk ontspannen vlot vooruit geraken. Het gaat steeds hoger tot rond 2500 meter.

Even komen we in een klein onweertje terecht, zonder veel erg, en we drogen al snel weer op. Wat verder mogen we een hele reeks tunnels verwachten, waarvan de langste ongeveer 5 kilometer. Hier heb ik mij nu op voorzien: ik monteer de krachtige LED-straler op de motor, trek mijn windbrekerke aan, en we duiken even later de ene na de ander tunnel in en weer uit. De tegenliggers, meestal vrachtwagens, knipperen omdat mijn straler hen verblindt, maar zij verblinden mij ook, en ik rij maar op twee wielen. Gelukkig is het wegdek in de tunnels in zeer goede staat, en zijn de tunnels erg breed, zodat we er ongeschonden doorheen geraken, om dan vervolgens de lange zachte afdaling naar Dushanbe te maken.

We rijden opnieuw langs een grote bruin kolkende rivier, welke steeds meer omzoomd wordt door huizen, en vervolgens door villa´s, restaurants, terrasjes, hotels, en door nog duurdere villa´s met hoge omheiningen. Hier komen de gegoeden uit Dushanbe vermoedelijk weekends en vakanties doorbrengen. Tajikistan is een erg arm land, en het aantal auto´s, zelfs in de hoofdstad is eerder beperkt. Files zijn hier quasi onbestaand. We bereiken vlot onze eindbestemming rond 15u: het Green House Hostel. We checken in, maar blijkt dat ik pas geboekt had vanaf morgen. We zijn een dag te vroeg. Gelukkig is er nog een kamer vrij, en zullen we hier dus gewoon een dagje langer blijven, maar in comfortabeler omstandigheden ditmaal, en met meer mogelijkheden om eens wat anders te eten.

Nu eerst een koffie. Er is een keuken waar iedereen zelf wat eten kan bereiden en er is altijd koffie en thee. Ik haal mijn voorraad soldatenkoeken uit, en wat later kunnen we eindelijk eens écht relaxen we op de binnenplaats van onze moderne karavanserai, welke nu al aardig vol staat met motoren en fietsen.

Dan afladen, opruimen, douchen, wat babbelen met andere reizigers, whatsappen

´s Avonds trekken we er op uit om eens iets anders te gaan eten. Frits heeft een Turks restaurant op het oog, maar bij aankomst blijkt dat dit reeds drie maanden gesloten is en vervangen door … een Oezbeeks. Nu, daar hebben we wel even genoeg van, en stappen even verder een soort Russische kantine binnen, waar we frietjes, kip en sla eten. Niets bijzonders, maar wel voldoende lekker.

We hebben weer internetverbinding, en dus contact met Udo en Dirk-Jan. Zij zitten sedert gisteravond in Kokand, in Uzbekistan, en komen morgen naar Dushanbe.

En nu naar bed, want het was al een lange dag.

 

Dag 86 (Zondag 23 juni 2019):

Vrije dag in Dushanbe (TJ)

Een harde matras op een gewone plank: niets voor mij, en dus weinig geslapen. Toch ben ik redelijk uitgerust. Ik sta stilletjes op, verzamel mijn spullen, en sluip stil naar beneden. In de keuken is er reeds bedrijvigheid. De nachtwachter, een vriendelijke Rus, toont mij waar de wasmachines staan en hoe ik ze in gang kan steken. Binnen een uurtje zal mijn witte was proper zijn.

Dan wordt het ontbijt geserveerd: een mooi paardenoog zwemmend in een massa vette gebakken ajuin. Dat is iets te veel van het goede, en even later krijg ik een gewoon dubbel paardenoog geserveerd. Er zit ook een Zuid-Koreaans koppel met hun oudste dochter aan de ontbijttafel. Heel geklappige mensen, alle drie. De dochter studeert in Londen.

Dan begeven Frits en ik ons naar Aziz, die een motorzaak runt op een steenworp van ons hostel. Dit is het toeristenseizoen, en hij werkt de ganse dag door, elke dag in de week. We spreken met hem af dat we straks langskomen om het balhoofdlager van Frits’ motor te laten vervangen, en ondertussen de olie van beide motoren te verversen. Het balhoofdlager was meegebracht door Guusje vorige week.

We keren terug naar het hotel, verwijderen de beschermplaat onderaan de motoren, en gaan eerst naar een autowasplaats, om de motoren wat properder te krijgen vooraleer er aan te werken. Een half uurtje later staan beide motoren proper opgeblonken, en brengen we ze naar de werkplaats van Aziz er juist naast.

Het kost Aziz heel wat moeite om het oude lager te verwijderen, maar uiteindelijk lukt het toch. Hij wordt in zijn werk voortdurend onderbroken door andere motorrijders die langskomen en de ene of andere raad of onderdeel nodig hebben. Een paar motards zijn zelf aan hun motor aan het knutselen op de binnenkoer, en mogen zijn gereedschap gebruiken, waarvoor hij dan een vergoeding vraagt.

Uiteindelijk geraakt het nieuwe lager er dan toch op, wordt ook nog een nieuwe achterband gemonteerd op Frits’ motor, en de olie van beide motoren ververst. Ondertussen staan daar buiten nog een viertal nieuwe klanten te wachten op zijn hulp. Aziz zal hier nog wel bezig blijven tot een gat in de nacht. We betalen en rijden terug naar het hotel. Het is ondertussen vier uur geworden. We drinken een koffie met een koekje, en wachten tot Udo en Dirkjan er aan komen.

Net wanneer ik eens naar mijn vader wil telefoneren, komen daar Udo en Dirkjan aan. Ik telefoneer eerst, terwijl Udo en Dirkjan al hun relaas doen aan Frits. Ze hebben een lange maar vlotte verplaatsing achter de rug. Ze verfrissen zich eerst en vervolgens gaan we eten, want we hebben allen een reuzehonger. Op zoek naar een Turks restaurant, passeren we voorbij een mooi Italiaans restaurantje dat net de deuren geopend heeft. De ober is een heel jonge man die redelijk wat Engels spreekt. Hij is heel voorkomend, iets té zelfs. We krijgen een lekker diner voorgeschoteld en zijn allemaal voldaan. De ober zegt dat hij later naar Amerika wil en bij de Navy wil gaan. Hij is één van de vele jonge mensen die dromen van een mooi en vruchtbaar leven in het buitenland. Dromen is een mooi begin, en het is ook al leuk.

Het wordt  bijna elf uur wanneer ik mij ter ruste kan leggen.

 

Dag 87 (Maandag 24 juni 2019):

Vrije dag in Dushanbe (TJ)

Het is hier vroeg licht, al vanaf vijf uur. De temperatuur buiten is dan ook erg aangenaam. Kortom, het mooiste deel van de dag, en dan blijf je toch niet in je bed? Ik installeer mij beneden op de binnenplaats en ruim de rommel op welke de jonge gasten hier gisteravond hebben achter gelaten. Er komt al gauw wat bedrijvigheid: de vrouwen die poetsen en in de keuken werken lopen hier ook dra rond. Ik zag ze niet binnenkomen; wonen ze hier ook, of is er een achteringang? Er ligt hier ook een achtergelaten zakje met nectarines. Ik spoel er enkele af in de keuken en speel ze naar binnen. Dan nog een licht koffietje, en de dag is goed ingezet.

Het heeft vannacht licht geregend, of eerder gedruppeld, en de regen heeft zeer fijn woestijnzand meegebracht welke nu in druppelvorm opgedroogd is op onze net proper gewassen motoren. Ook Frits staat vandaag vroeg op en we gaan dan samen ontbijten. De Zuid-Koreanen zijn er ook nog steeds. Ze maken hun ontbijt grotendeels zelf klaar volgens hun eigen gewoonten. Een uurtje later zijn ook Udo en Dirkjan op.

We brengen de rest van de dag bijna volledig door in het hotel: plannen maken, ervaringen met andere reizigers uitwisselen, de motoren verder controleren en onderhouden waar nodig.

Dirkjan heeft een probleem met zijn smartphone, die voortdurend foutboodschappen geeft, en op die manier niet bruikbaar is. Een tijdrovende klus om te proberen dat recht te zetten. In de namiddag eten we wat fruit, en dan nog wat koeken bij de koffie. Op de binnenplaats staan ook nog twee Royal Enfields. Twee Zweden hebben ze in India gekocht en rijden er nu mee naar huis.

’s Avonds gaan we eten. De rijst is lekker, maar de rest is niets bijzonders.

 

 

Dag 88 (Dinsdag 25 juni 2019):

Vrije dag in Dushanbe (TJ)

Ik begin de dag op de binnenplaats van het hostel. Links boven mij zit een koppeltje tortelduifjes te koeren. Ik werk het verslag bij. Frits is ook vandaag alweer vroeg op de been en brengt mij een koffie. De ontbijtzaal is vol Tadjiekse kostgangers; gewone mensen, mogelijk van den buiten, die dan vermoedelijk in de stad moeten zijn voor één of andere familiale gebeurtenis, bvb een trouw. Ze vertrekken al gauw zodat ook wij kunnen gaan ontbijten. Ze kennen ons hier al, en brengen ons ongevraagd de omeletjes zonder ajuin. Na het ontbijt ga ik mij douchen terwijl Dirkjan en Udo ontbijten.

Nadien bekijken we wat nog aan Frits’ motor moet gedaan worden. Het balhoofdlager is nu wel vervangen, maar er zit nog speling op. Dirkjan en ik verwijderen nogmaals het voorwiel, spannen het balhoofdlager nog wat verder op. Dat zit nu goed. Maar er zit inderdaad nog speling op de voorvorkpoten zelf. Er wordt getelefoneerd naar Waffie, onze specialist van de TransalpClub in Nederland, en deze zal een paar vervangingsonderdelen sturen naar OSH, waar een werkplaats is, en waar we over een tiental dagen een paar nachten verblijven. Alles wordt weer in elkaar gestoken, en de motoren staan nu technisch klaar voor het aanvatten van de tocht door het Pamir gebergte.

Nu de stad in: shoppen en sightseeing. Er is wel niet zo heel veel te zien, maar op deze stad rust toch een zware Sovjetstempel, en dat is altijd bezienswaardig. De Tadzjieken gaan in mijn ogen met hun beperkte middelen toch redelijk goed om met hun erg schaarse erfgoed. De gebouwen in het centrum en de parken zijn mooi onderhouden. In het Zwitserse consulaat bekomen we gratis een erg goede geografische kaart van de Pamir. Het is de vorige editie, maar de Pamir is ondertussen niet veel veranderd, behalve de grens met China, die iets hertekend is.

We lopen de kilometerslange Avenue Rudaki af, en stoppen na een tijdje in een Italiaanse koffiezaak.

Dan koop ik nog een lokale SIM-kaart om te gebruiken in geval van nood in de bergen, want naar het schijnt is er toch een redelijk goede dekking in de Pamir. Udo is op zoek naar een warme trui, want hij heeft niet voldoende warme kledij mee voor de koude nachten in het hooggebergte. Hier in Dushanbe is het echter rond dertig graden warm, niet het moment om warme kledij te vinden.

Rond de middag besluiten Dirkjan en Frits om een taxi te nemen en terug te keren naar het hotel. Udo en ik doen voort: het Rudaki Park, met vijvers waar je een bootje kan huren,  het Nationaal Museum,…

We stappen nog een chique winkelcentrum binnen, maar het aanbod is klein, de prijzen liggen hoog, en vele winkels staan leeg. Toch vindt Udo wat later wat warme kledij naar zijn gading voor niet al te veel geld. We zetten dan de wandeltocht verder, eten nog een ijsje, en keren dan rond drie uur langsheen wat meer modeste wijken terug naar het hotel. Niet echt veel beleefd, maar toch veel gezien, en dus moe maar tevreden over de kennismaking met Dushanbe en haar bevolking.

In het Green House Hostel brengen we de rest van de namiddag door met het schikken van de bagage, de planning voor de komende dagen, uitwisseling van informatie met andere reizigers die de omgekeerde richting uitgaan. Vooral de twee Zweden op hun Royal Enfield leveren nuttige tips over de route. Eén van hen slaagt er in om de smartphone van Dirkjan weer aan de praat te krijgen. We gaan allen samen de motoren voltanken, zodat we morgenvroeg vlot de stad uit kunnen voordat het te warm wordt.

Nu pas horen we dat de baas van het hotel samen met een vriend die in Moskou woont, een lijn opgezet heeft om moto- en auto-onderdelen in Moskou te kopen en per vliegtuig naar Dushanbe op te sturen, en dit alles binnen de twee dagen. Dat had ook een snelle oplossing kunnen zijn voor Frits’ motor.

’s Avonds nemen we een taxi naar het stadscentrum, en gaan weer eten bij de Italiaan. We keren te voet terug en gaan slapen.