DEEL 7 – SIBERIA

Een aangename verrassing: enorm groot, erg afwisselend, en toch nog redelijk bevolkt en ontwikkeld langsheen de Trans Siberische spoorlijn, ofwel in schilderachtige dorpjes met houten huisjes maar ook in grijze huizen en fabrieken in de grote steden.

 

 

Dag 127 (Zaterdag 3 augustus 2019):

Sukh Bataan (MN) – Ulan Ude (RU)

Ik ben vroeg wakker, maar kan nog niet opstaan, omdat ik mijn kamergenoot niet wil wakker maken. De blog blijft dus leeg.

We ontbijt erg summier in een ontbijtzaaltje: een klein bordje met een eitje, een klein sneetje brood, en worst, welke ik laat liggen.

We bereiken al heel snel de Mongoolse grens, waar we heel vlot vooruitschuiven in een kleine file. Maar dan beginnen de problemen alweer: er is een probleem om de gegevens van de inreis in Mongolië te vinden: elke grenspost werkt anders. De beambte vindt een oplossing, maar doet dit blijkbaar niet naar behoren, want de papieren van Udo en Dirkjan raken verwisseld, en de collega’s maken dan vervolgens gedurende 1 uur problemen dat het niet klopt, tot dan uiteindelijk de vergissing ingezien wordt. Ondertussen is ook een Franse motard bij ons groepje aangesloten: een Franse gepensioneerde huisarts, Alain Charles, uit een klein dorpje tegen Nîmes, ook op een Honda Transalp, en welke we reeds ontmoetten in Dushanbe, een maand terug.

We mogen dan uiteindelijk Mongolië verlaten, en rijden de Russische grenspost binnen. Daar gaat het alweer tergend traag vooruit. Wat een klungelaars. Een vriendelijke hoger beambte met drie sterren heeft in de gaten dat de file te lang wordt, en besluit om zelf een handje toe te steken. Om alles ‘vlotter’ te laten lopen pikt hij ons, motards, er uit om naar zijn bureau in het centrale gebouw te gaan om alle papieren in orde te brengen. Hij moet echter zijn eigen PC nog opstarten, wat eindeloos duurt, waarvoor hij zich voortdurend excuseert. Maar dan beginnen computerproblemen op te duiken, die al gauw de ganse Russische grenszone lam legt. Dit duurt uren.

Ik krijg uiteindelijk toch mijn papieren, en moet vervolgens de bagage laten controleren. De twee jonge douaniers willen dat álles opengemaakt wordt. Ze vragen of ik drugs of wapens bijheb. Dan vraagt men of ik Tramadol bij heb. Ik antwoord naar waarheid dat ik enkele tabletten bijheb. Consternatie, opwinding,… Tramadol! Er wordt getelefoneerd, een overste komt er bij: Probleem! Hoe moeten ze dit aanpakken? Blijkbaar staat dit courante geneesmiddel op een verboden lijst van narcotica.

Ik overtuig mijn compagnons om al naar Ulan Ude te vertrekken: ik trek wel mijnen plan. Het heeft geen zin dat zij hier wachten. Ik schiet straks sneller op wanneer ik alleen rij.

Ik heb geen moeite om te bewijzen dat ik arts ben, maar moet een voorschrift kunnen tonen voor de medicatie, opgesteld in het Russisch, ofwel voorzien van een Russische vertaling door een beëdigde tolk. Een man met een snuffelhond komt er bij. Alweer paniek omdat de hond blijkbaar iets ruikt in mijn geldbuidel. Ik toon het bundeltje roebels dat erin zit, waarop ze beginnen te lachen. De hond is ook getraind om geld te ruiken. Wat een poppenkast met die hond: iederéén heeft hier roebels bij zich.

Er wordt getelefoneerd, petit-chef, drie sterren komt er aan, alweer telefoneren, nog een petit-chef, ook drie sterren, dan grande-cheffeuse, vier sterren, gewichtig, letterlijk en figuurlijk. Ze komen allen rond mijn motor en de bagage staan: de hond en zijn begeleider ongeduldig om nog eens opnieuw alle bagage te mogen doorsnuffelen op zoek naar cocaïne, heroïne, wapens, en … vooral roebels. Wanneer heel mijn bagage er weer heeft aan moeten geloven, onder het oog van de hele chef-staf en entourage, en de hond niets gevonden heeft, open ik mijn mond, en zeg hen dat Rusland inderdaad een groot probleem heeft met Tramadol, maar dat dat niet mijn schuld is, en dat deze enkele tabletjes niet bestemd zijn voor de Russische bevolking maar voor mijzelf. Ik zeg vervolgens dat ik als arts weet dat Rusland veel grotere problemen heeft dan Tramadol: Vodka, roken, overdreven snelheid. (Over de overdreven bureaucratie zwijg ik wijselijk.) Die enorme problemen zullen niet opgelost raken door in de bagage van een arts op zoek te gaan naar enkele tabletten Tramadol. Iedereen zwijgt. Het is even stil na mijn betoog. De sfeer slaat om. Ze zijn ineens veel vriendelijker, excuseren zich, en geven mij gelijk. Maar de mallemolen is in gang gezet, er is al getelefoneerd naar hogerhand betreffende de grote drugsvangst van het jaar, en nu moeten papieren opgesteld worden.

Er wordt getelefoneerd naar de Belgisch ambassade: ik spreek even met de attaché, leg alles uit, waarna deze de beambten de opdracht geeft om dit zo snel mogelijk op te lossen en mij te laten gaan. Deze prul mag geen diplomatiek incident uitlokken. Maar er zal papierwerk aan te pas komen, veel papierwerk. Ik word meegetroond naar de keuken van de douaniers, en voorzien van koffie, koekjes en zure room om de koekjes in te doppen. Ik mag dan ook even mee naar het ´labo’, waarvoor ze zich wat excuseren, omdat het, in hun eigen woorden, eigenlijk een museum is.

Het wordt een interessante ervaring, maar op een ongepast moment, want ik moet nog in Ulan Ude geraken, en tussen de grens en Ulan Ude is quasi niets, behalve een afstand van tweehonderd kilometers.

Er zijn wel vijf mensen aan het werk om verslagen op te stellen, foto´s te maken, video´s te maken van de snuffelende hond, en ook iemand om mijn verklaring op te stellen, in het Russisch, welke ik vervolgens met de hand moet overschrijven, om het écht te doen lijken.

Ik laat hen doen; ze weten wel hoe ze mij hier zo snel mogelijk kunnen naar buiten werken, zodat ze zelf tijdig naar huis kunnen. Bij het overschrijven van ‘mijn’ Russische verklaring lees ik al op de eerste lijn dat ik geen tolk nodig heb, en Russisch spreek op een ´hoog niveau´. Ik pen alles over en lees wat verder dat ik als buitenlander niet op de hoogte kon zijn van dat verbod op Tramadol omdat ik niet voldoende Russisch ken…

Maar ik doe alles wat ze vragen. Elke chef, petit-chef, grande-cheffeuse, hondentrainer, ze maken allen hun proces-verbaal op, waarmee ze bewijzen dat ze voldoende  bekwaam zijn om hun belangrijke job uit te voeren, en daarmee hopen hun job in veiligheid te stellen. Uiteindelijk is de ganse poppenkast afgelopen, iedereen opgelucht. De poging om drugs het land in te smokkelen is in de kiem gesmoord door een stapel papierwerk, waarop ik tientallen handtekeningen geplaatst heb. De Tramadols zijn in beslag genomen. Maar ik ben vrij, nog even rijk als tevoren, en zelfs nog een ervaring rijker, en hoef mijn resterende jaren niet in een Russische gevangenis door te brengen.

Nu kan ik eindelijk ook op weg naar mijn eindbestemming. Er is een prachtige nieuwe weg tot Ulan Ude. Bijna halfweg begint het toch te schemeren. In de verte dreigt onweer, en bliksemt het voortdurend, urenlang. Ik zie een bestelwagen rijden aan geschikte snelheid en blijf er achter rijden op veilige afstand tot in het centrum van Ulan Ude, waar ik uiteindelijk zelf moet afslaan. Het begint plots te gieten. Er zijn wat wegenwerken, en het hotel is moeilijk bereikbaar. Uiteindelijk raak ik toch in het hotel.

Mijn compagnons zijn er al. De receptioniste wist van geen reservatie van vier kamers af. Uiteindelijk slaagde ze er in drie kamers bij elkaar te sprokkelen, waarvan slechts één van het comfortabele niveau welke ik gereserveerd had. We moeten wel direct betalen navenant de oorspronkelijke prijs, wat ik natuurlijk zo snel mogelijk zal aanvechten bij Booking.com.

Ik moet de nacht doorbrengen in één kamer samen met Udo. Dirkjan heeft zich geïnstalleerd in de enige comfortabele eenpersoonskamer, welke ik zelf gereserveerd en betaald heb.

 

Dag 128 (Zondag 4 augustus 2019):

Ulan Ude (RU) – Baikalsk (RU)

Vannacht weinig geslapen. Er was in het hotel naast het restaurant een feest aan de gang dat geduurd heeft tot in de heel vroege ochtenduren. Ik sta op omstreeks 4u om Udo niet wakker te maken en installeer mij in de zetel aan de receptie, om alvast een mail op te stellen om mijn beklag te doen bij Booking.com, dat de kamers die gereserveerd en bevestigd waren, gisteravond niet beschikbaar waren.

Het ontbijtje is alweer eentje voor kabouters, en wordt op de kamer gebracht. We hebben er niet veel werk mee, en we steken de hoofden bij elkaar om te overleggen hoe de reis verder zal verlopen. Dirkjan heeft besloten om hier in Ulan Ude te blijven, om zijn achterwiel definitief te laten herstellen, dit wil zeggen alle spaken te laten vervangen, en daarna zijn motor eventueel op de trein te laten zetten, en ons dan later te vervoegen. Hij gaat seffens met de andere Alain naar het station, om de mogelijkheden van transport te onderzoeken.

We vertrekken met drie in de regen, verlaten de grauwe stad, en nemen de richting van Irkutsk.

 

Na het tanken zoeken we een cafeetje, waar we de koffie bestellen die we deze morgen hebben moeten missen. Het heeft ondertussen al opgehouden met regenen, en de temperatuur is best aangenaam om te rijden.

We bezoeken een klooster met kerk, waar het omwille van de zondag toch iets drukker is.

Binnen de kloostermuren bevinden zich naast de kerk ook een bloementuin en een lochting. Er is net een eredienst afgelopen, en de mensen verlaten langzaam de kerk.

Een paar uurtjes later bereiken we het Bailkalmeer, dat echter door de zware bewolking een grijze aanblik heeft, en al zeker niet de magische uitstraling welke we ervan verwachtten. Het meer is enorm groot, en de overkant is niet zichtbaar. Tussen ons en het meer ligt de trans Siberische spoorlijn, waarlangs met de regelmaat van de klok goederentransporten passeren, en nu en dan een snellere personentrein. De wagons mogen dan in meer of mindere mate oud lijken, de zware locomotieven zijn hypermodern en elektrisch aangedreven. Er is een dubbele spoorlijn, één voor elke richting. Om het verschil in snelheid op te vangen tussen goederen en personentransporten, zijn op regelmatige afstanden enorme rangeerstations gebouwd.

Aan onze linkerkant bevindt zich een bergketen, afhellend tot aan het Baikalmeer. De weg kronkelt langsheen de groene beboste rand, waardoor we wel vlot, maar toch niet al te snel vooruit geraken.

Aangezien we vorige nacht te weinig geslapen hebben, houden we de verplaatsing vandaag beperkt, en gaan we reeds vanaf drie uur op zoek naar een hotelletje. Dat blijkt moeilijker dan gedacht, en het is pas om zes uur dat we onze intrek nemen in Hotel Uyut in Baikalsk, gelegen aan het gelijknamige meer. Het hotelletje is gedateerd, maar wordt gerund door een oudere vrouw, heel erg vriendelijk en voorkomend. Mijn kamer heeft het nodige comfort, én, vooral, een zacht bed. De motoren staan buiten in de tuin achter het huis, buiten het zicht van de straat. Een uurtje later zijn we gedoucht en schuiven we aan tafel, voor een lekkere lichte maaltijd. De kip heeft blijkbaar ook een reis door Mongolië achter de rug, want er hangt ook niet veel vet en vlees meer aan.

Na het eten bespreken we de te volgen route, wat niet moeilijk is, er is er slechts één, en vooral de kalender, want Udo en Frits willen op zes september Duitsland bereiken. Er rest ons dus nog ruim een maand om Rusland te doorkruisen.

Ik ben moe, heb de moed niet meer om nog iets op ‘papier’ te zetten, en ga snel slapen.

 

Dag 129 (Maandag 5 augustus 2019):

Baikalsk (RU) – Tsheremkovo(RU)

Ik heb goed geslapen, ben vroeg wakker, en begin vol goede moed de gebeurtenissen van eergisteren aan de grens op te schrijven. Dat neemt heel wat tijd in beslag, en alweer moet ik mij dan plots haasten om nog op tijd samen met de anderen te kunnen ontbijten.

Het ontbijtje valt eerder licht uit, maar is wel lekker.

Vooraleer de weg naar het Westen aan te vatten rijden we eerst nog eens naar het meer, voor wat fotootjes met de motor aan deze iconische plaats. Het is mooi zacht weer, en er is een zachte zon, wat dan toch mooie plaatjes oplevert.

De weg is aanvankelijk niet erg druk, maar naarmate we Irkoetsk naderen komt hier verandering in. Na een uurtje stoppen we voor een koffie met pannenkoekjes en ‘dzjem’. We stappen weer op, laten Irkoetsk rechts liggen, en nemen onmiddellijk de M55 westwaarts.

Het landschap is rustig mooi en afwisselend. Oneindige bossen hebben langs deze oneindige hoofdweg in de loop der eeuwen plaats moeten maken voor weiden en velden. We zien vooral veel maís en graangewassen. De bossen bestaan uit dennen of zilverberken, of beide door elkaar.

Frits is op zoek naar een mooi berkenbos, waar hij de Siberische berken kan horen zingen. Hier en daar hebben de bossen zwaar te lijden gehad van bosbranden, maar dat is van vele jaren terug, want een aantal bomen heeft zich goed kunnen herstellen, en dragen boven hun zwart geblakerde stam een mooie groene kruin.

De vele dorpjes vertonen meestal dezelfde Russische aanblik, nu wel wat aangepast, omdat de oude grijze golfplaten daken geleidelijk vervangen worden door fel gekleurde gegalvaniseerde platen. De huisjes zijn meestal van hout, erg oud, en oneindig vele keren opgelapt.

De wegen zijn erg goed, maar dat komt omdat ze onderhouden worden. Aangezien de winters veel schade aanbrengen zijn er dan elke zomer veel herstellingswerken aan de gang. Ook worden grote stukken vernieuwd en verbreed.

Voor deze avond hebben we een hotelletje geboekt aan de rand van een park. Omstreeks drie uur komen we er reeds aan. De tuin is volledig afgesloten en de kamers zijn proper en redelijk nieuw.

Terwijl Frits wat uitrust en zijn Facebookpagina bijwerkt, gaan Udo en ik op wandel. Het parkje is speciaal op kindermaat gebouwd, met enorm veel kleurrijk speeltuig, en goed onderhouden. Daar kunnen we in het Westen nog wel wat van leren. Dit stadje heeft zijn relatieve welvaart vermoedelijk te danken aan de steenkool welke hier in de grond zit. Aan de rand van het park is een cafeetje, ‘kafe v parke’, waar we een koffie nemen, én, alweer, een pannenkoekje.

Daarna weer verder op stap, maar zonder enige bezienswaardigheden. In een winkeltje stappen we binnen voor wat versnaperingen en een flesje wijn, om de verjaardag van Frits, twee dagen terug, nog eens over te doen.

Terug in het hotel verrichten we nog wat klein onderhoud aan de motoren, en hangen wat was te drogen aan een ‘waslijn’ tussen de motoren.

’s Avonds gaan we allen samen eten in het cafeetje van het park. Er komen hier veel gezinnetjes met jonge kinderen. We worden heel vriendelijk en lekker bediend.

Op de weg terug naar het hotel ontmoeten we een jonge Rus die ook in het hotel verblijft. Hij is ingenieur, woont in de Krim, en is voor zijn werk voortdurend op reis doorheen gans Rusland. Hij heeft duidelijk behoefte aan een praatje, en toont ons foto´s en filmpjes van de plaatsen welke hij onlangs bezocht. Hij ziet uit naar het weerzien met vrouw en kind.

In het hotel nemen we plaats onder de pergola in de tuin, en klinken nogmaals op Frits met een klein glaasje wijn. Lang duurt de pret niet, want de vele muggen jagen ons algauw weer naar binnen, waar we vermoeid gaan slapen.

 

Dag 130 (Dinsdag 6 augustus 2019):

Tsheremkovo (RU) – Nizhneudinsk (RU)

Wanneer we ´s morgens opstaan is er, zoals aangekondigd gisteravond, inderdaad geen leidingwater. Ik krijg van de receptioniste een grote fles van vijf liter. We maken ons klaar, laden de motoren, en verlaten het hotel. Het café waar we moeten ontbijten blijkt echter dicht, hoewel de bestelling gisteravond telefonisch werd doorgegeven. We keren terug naar het hotel, waar de receptioniste begint rond te bellen, en uiteindelijk genoodzaakt is ons het geld voor het ontbijt terug te betalen, zodat we elders kunnen gaan ontbijten.

Een twintigtal kilometer verder vinden we dan een café langs de weg, waar we koffie, broodjes en een omelet bestellen. Die omelet is iets heel bijzonder: ze is als het ware opgeklopt met groentebouillon en dan gebakken, of eerder gekookt, in het sop van de bouillon. Het resultaat is iets dat op niets trekt. Het is eetbaar, maar toch niet erg smakelijk, zodat ik een deel achterlaat in mijn bord.

Ik had mij Siberië voorgesteld als een enorme saaie streek om doorheen te rijden. Dat beeld klopt gelukkig niet met de werkelijkheid. Het landschap wisselt voortdurend, en is voldoende glooiend om toch weidse uitzichten te hebben. Nu en dan steken we een rivier over. Aangezien er weinig verval is, stromen de rivieren hier traag en zijn ze enorm breed. Bosbranden krijgen we alweer niet te zien. Daarvoor moet je achter je TV zitten in België.

‘Bescherm de beossen tegen het vuur !

We gaan koffie drinken in een cafeetje en worden aangesproken door een jonge Tadzjieker. Hij hoopt nanotechnologie te kunnen studeren in Duitsland, en hoopt hiervoor een beurs te kunnen krijgen in Duitsland, want zelf kan hij dat niet betalen. Het is mooi om te kunnen dromen…

We passeren doorheen Toeloen, iets groter dan Eeklo. Bij het naderen van de rivier zien we ineens welke ravage de overstromingen hier aangericht hebben begin juli. Ganse wijken naast de rivier zijn weggespoeld. Men is nog bezig puin te ruimen. Het water heeft zich nu teruggetrokken, en de weg is onbeschadigd, zodat we ongehinderd kunnen passeren.

In Nizhneudinsk is het erg lastig een hotel te vinden. Uiteindelijk vinden we omstreeks zes uur Hotel Khan, aan de rand van de stad, waar we comfortabel kunnen verblijven, en dan ook nog eens ter plaatse eten. Bij het avondmaal plannen we de volgende dag, want dan willen we een grote afstand overbruggen, tot in Krasnojarsk, waar we twee nachten zullen verblijven.

 

Dag 131 (Woensdag 7 augustus 2019):

Nizhneudinsk (RU) – Krasnojarsk (RU)

Vandaag wordt mijn jongste kleinzoon zeven jaar. Ik hoop dat hij een mooie dag zal hebben, samen met zijn papa, broer en vriendinnetjes naar de cinema.

Er is geen gordijn aan het venster van mijn slaapkamer. Een grote LED-lamp verlicht niet enkel de parking, maar ook mijn kamer. Op de gang draait ergens een motor. Het is in elk hotel wel wat. Ik ben al blij dat we gisteravond uiteindelijk toch dit hotel vonden. Toch ben ik alweer vroeg wakker, te vroeg, zodat ik wat te weinig uitgerust raak. Mijn  kamer is te ver af gelegen van de router, en heeft geen internetconnectie. Het publiceren van de blog zal dus moeten wachten tot morgen.

Het ontbijt is á la carte: gekookte eieren, pannenkoekjes, brood met boter en kaas, koffie. Goed voorzien van de nodige calorieën stappen we op de motor, en verlaten we de parking langsheen de blaffende bewaker die razend zijn ketting probeert los te rukken.

Het is nauwelijks vijftien graden en lekker fris. Boven de dorpjes waar we langsheen rijden hangt nog een smal nevelgordijn. Er is weinig verkeer, en we schieten dan ook vlot op. We gaan na een paar uurtjes een eerste koffie drinken, kwestie van energie op te doen om voldoende gazze te kunnen blijven geven.

In een primitief tankstationneke gaan we voor de eerste maal tanken. Het betalen gebeurt doorheen een klein bang venstertje. We blijken dan toch voldoende ongevaarlijk, want na het tanken gaat de deur van het kotje open, en de uitbater komt naar de motoren kijken en een praatje slaan. Hij heeft ook ooit een motor gekocht, zo één van Chinese makelij, en grote brol, want direct kapot. Ik zie hem dromen van een eigen motor zoals één van de onze, en met volle gas een stofferige wegel opstuiven, de weidse taïga in…

We kruisen vele malen de Trans Siberische spoorweg, waar we regelmatig moeten staan wachten om de vele treinen te laten passeren.

Wanneer we bijna halfweg zijn, krijgen we een meevaller: de tijd schuift een uur op, zodat we een uur eerder dan voorzien in Krasnojarsk zullen aankomen.

Bij een volgende stop treffen we een Engels koppel aan. Ze zijn in een vierwiel aangedreven VW Transporter op weg naar Mongolië, in de tegenovergestelde richting als deze welke wij gereden hebben. Ik help hen om een koffie te bestellen in het Russisch. Ze vertellen dat ze gisteren passeerden in Atsjinsk, waar net een munitiedepot ontplofte toen ze passeerden. Het was alsof ze de zon zagen opkomen, maar dan op het verkeerde uur en aan de verkeerde horizon.

We rijden weer verder; bossen, velden, eindeloze wegen. De hemel blijft helder, maar de lucht wordt wat meer drukkend, en in de verte zie je het vocht zich opstapelen in de lucht. Even lijkt het alsof zich daar straks een onweer uit zal ontwikkelen.

Naast een tankstation vinden we een mooi modern restaurantje. We bestellen er koffie en een broodje. Achter de toog staat een bevallige jonge vrouw die er erg ongelukkig uitziet. Ondanks dat het niet te druk is, en de klanten niet lastig, blijft ze met een chagrijnige blik rondlopen, en bedient ze wezenloos haar klanten. ´That’s life’, net zoals bij ons.

Stilaan wordt de weg drukker. We raken echter toch vlot tot dicht bij het centrum van Krasnojarsk, een stad met 1 miljoen inwoners. Het Amaks Hotel blijkt een goede keuze: vlot bereikbaar, en erg comfortabel. Morgen nemen we wel een taxi naar het centrum.

Ik ga douchen en laat mij verleiden tot een korte platte rust, waarna ik nog meer vermoeid dan tevoren weer opsta, om te gaan dineren beneden in het restaurant van het hotel. Vervolgens gaan Udo en ik nog een wandeling maken tot het sportpaleis, gelegen op een eiland tussen twee armen van de enorme Enisey rivier.

 

Dag 132 (Donderdag 8 augustus 2019):

Rustdag in Krasnojarsk (RU)

Ik ben om vier uur wakker, en zet mij al snel aan het werk om mijn achterstand in te halen. Met die motoren rijden we zó snel, dat de blog wel verplicht is er als een mankepootje te blijven achter hollen, maar nu en dan eens hijgend kan bijbenen.

Om zeven uur ga ik, een uur eerder dan afgesproken, ontbijten. Ook Frits is te vroeg, en komt mij vervoegen. Het doet deugd om op het gemakje eens van al het lekkers op het uitgebreide buffet te kunnen proeven, en dan gewoon nog met een koffietje rustig verder te werken aan de blog, om hem dan vervolgens online te zetten. Udo is laat op het ontbijt, maar zonder erg, want we moeten nergens heen en zijn niet haastig. We blijven nog tot elf uur zitten in het restaurant en bespreken de route en de kalender voor de komende weken.

Net voor de middag check ik de olie van de motoren en vul bij waar nodig. Zo zullen we vermoedelijk wel zonder verder bijvullen in Jekaterinenburg geraken, tweeduizend vijfhonderd kilometer verder. Daar moet dan een oliewissel uitgevoerd worden.

We nemen een taxi, welke ons naar het centrum van Krasnojarsk brengt. Wandelstraten zijn er niet, en er is druk verkeer.

Heel aangenaam wandelen is er niet bij, hoewel we hier en daar wel leuke dingen en mooie gebouwen zien.

Frits koopt wat kleren, want sommige zijn beschadigd of versleten.

We gaan nadien wat eten in een mooi cafeetje, en dat blijkt daar zo mee te vallen, dat we beslissen om er deze avond ook terug te keren.

We keren te voet terug naar het hotel, een hele wandeling.

Ik hoor Frits niet klagen dat zijn voet nog pijn doet. Hij zal dus vermoedelijk wel anders varen dan Tiny destijds in Zuid-Amerika, die onze raad om zijn pols wat meer te gebruiken na zijn ongeval in de wind sloeg, en er een half jaar later nog steeds veel last van had.

In het hotel zet ik mij aan het werk om de route en de kalender nog verder uit te werken, en nog enkele hotels te boeken. Zo komt het einde wel sneller in zicht, maar kunnen we toch nog wat invulling geven aan onze reis, welke toch nog ongeveer een maand duurt.

´s Avonds gaan we met een taxi terug naar het centrum, om te eten bij Mike&Molly, waar we deze middag een tafeltje reserveerden.

 

We eten er ons buikje vol, niet goedkoop, maar wel lekker. De taxichauffeur die ons terug naar het hotel brengt is een norse veertiger die nauwelijks wat zegt. Bij het hotel aangekomen wil ik hem 200 roebel betalen. Hij ziet echter ineens de drie motoren staan, rekent even uit dat drie gelijk aan drie is, en vraagt mij of dat ónze motoren zijn. Hij klaart helemaal op, geeft mij honderd roebel terug, stapt zelf ook uit, en gaat de motoren bewonderen. Hij vraagt honderduit, maar luistert niet naar de antwoorden… hij is aan het dromen…

We stappen het hotel binnen, gaan naar boven, en gaan wat later ook dromenland binnen.

 

Dag 133 (Vrijdag 9 augustus 2019):

Krasnojarsk (RU) - Mariinsk (RU)

Na een copieus ontbijt slagen we er toch nog in om net voor acht uur te vertrekken. Novosibirsk ligt te ver om er in één dag te geraken, zodat we een tussenstop gepland hebben in Mariinsk, dat vroeger ontstond als goelag, maar dan na een jaar toch een echt stadje werd, en de naam kreeg van de echtgenote van de toenmalige tsaar Alexander II.

De streek is redelijk heuvelachtig, maar voor de rest vergelijkbaar met hetgeen we de vorige dagen zagen.

Kort na een tankstop zie ik ineens een andere motard aan de kant van de weg. Te zien aan alle bagage welke hij reeds uitgehaald heeft, verkeert hij in nood. Ik stop en vraag hem of hij hulp nodig heeft. Het is een Rus van mijn generatie met zijn vrouw, op weg naar een Rock Festival in Atsjinsk, waar begin deze week nog een munitiedepot ontploft is. Hij toont mij wanhopig een kleine zekering van zijn motor, welke gesprongen is. Ik heb, niet toevallig, wel nog reserve zekeringen bij me, en help hem uit de nood. Ik maak mezelf wel de bedenking dat die zekering niet zomaar gesprongen is, maar heb geen zin om die klus ook nog eens te klaren. De man is echter doodblij dat hij weer verder kan. Zijn vrouw neemt nog een foto van ons, en we rijden zelf weer verder. Ik zelf heb het gebeuren gefilmd met de helmcamera.

Zeventig kilometer verder passeren we inderdaad Atsjinsk, waar in de verte nog steeds een zwarte rookpluim de plek van het drama markeert. Vanaf hier komen we de ene na de andere motorrijder tegen, in de tegenovergestelde richting natuurlijk. Ze zijn duidelijk op weg naar het festival. Wij hebben zelf geen zin om ons daar te verdrinken in bier en Vodka.

Onderweg gaan we nog een kleinigheid eten. Croissants met chocolade, waar vooral pindanootjes in zitten, met koffie.

We raken goed vooruit en naderen rond vier uur Mariinsk. Het begint te regenen, en ik trek mijn regenkledij aan. Ik ga tanken, maar merk nadien dat mijn motor nu en dan sputtert. Misschien is er bij het tanken wat water in de tank terecht gekomen, afdruipend van mijn kledij of tanktashoes. We zullen morgen wel zien…

Het Whitestone Hotel in Mariinsk is er zo één van minder allooi. Maar we hebben elk een eigen kamer met badkamer, hoewel je dat laatste met een korrel zout moet nemen: zowat het kleinste badkamertje dat ik ooit zag, met enkel plaats om dwars op de losse pot én losse bril te zitten. Maar niet alles is kommer en kwel: de receptioniste is vriendelijk én dan nog bevallig ook. Morgen vinden we wel wat beters.

We gaan op stap in het stadje, op zoek naar een restaurant. Dat blijkt niet zo eenvoudig. Onderweg hebben we gelukkig nog wat te zien.

De grote oorlog is hier nooit veraf.

Het begint dan nog te regenen op de koop toe. We vinden uiteindelijk een ‘modern’ sushi restaurantje, waar de grootste honger toch gestild wordt, maar niemand nog zin heeft naar meer van hetzelfde.

Dan weer snel terug naar het hotel.

 

Dag 134 (Zaterdag 10 augustus 2019):

Mariinsk (RU) – Novosibirsk (RU)

Het stapelbedje waarop ik de nacht doorbracht heeft niet veel rust gekend. Ik ook niet. Dit soort hotels zijn een noodzakelijk kwaad als tussenstop om dagelijks niet te veel kilometers te moeten maken. Ik sta uiteindelijk op, werk de blog wat bij, en ga vervolgens mijn spullen samenrapen en pakken.

De motor staat bijna vertrekkensklaar wanneer ik om acht uur ga ontbijten. Buiten ons drieën is er blijkbaar slechts nog één andere hotelganger: een Rus op een motor, die vermoedelijk ook nog naar het festival in Atsjinsk rijdt. Hij spreekt wat Engels en helpt Frits om een eitje te bestellen. Udo komt er ondertussen ook aan. Hij is deze morgen al eens op de motor op fotojacht gegaan. Het ontbijtje is alweer erg karig.

Het is fris vandaag: met moeite 15 graden. Maar als je goed gekleed bent is dat een mooie temperatuur om fris en alert te blijven. De bevallige receptioniste zwaait ons uit. Ik zwaai terug. Alweer passeren we vandaag langsheen glooiende landschappen. Er is uitzonderlijk veel vrachtverkeer, hoewel het zaterdag is. Misschien komt dit omdat er een aantal grote steden in de buurt zijn. Mijn motor sputtert niet meer: vermoedelijk was het gesputter van gisteren toch te wijten aan wat water in de tank. Vandaag rijden we naar Novosibirsk, de derde grootste stad van Rusland, na Moskou en Sint-Petersburg, en groter dan Brussel. We zijn er niet van plan binnen te rijden, maar een goed hotel aan de buitenrand te nemen.

We raken vlot vooruit en moeten dwars doorheen Kemerovo, een grote stad, tweemaal zo groot als Gent, en met veel zware industrie. Er zijn geen files, en na een half uur zijn we er doorheen geschoven. Nu hebben we een koffie verdiend.

Bij het tanken krijgen we te horen van Frits dat zijn tank, die hij gisteravond vulde, reeds leeg is. Dat is te snel, en Frits maakt zich zorgen dat er iets schort aan de motor. Ik merk echter op dat zijn choke nog aangespannen stond, en schuif hem terug. Hopelijk is het hiermee opgelost. Frits gaat na de koffie tanken, en we rijden weer verder.

De route gaat vandaag bijzonder vlot. Er zijn hier en daar wel wegenwerken, maar we moeten nergens wachten. Met de motoren geraken we telkens vlot voorbij de vrachtwagens, die maar nét iets trager rijden dan wij. Maar het is niet aangenaam rijden achter een vrachtwagen, die het zicht op de weg én op de omgeving belemmert, en bovendien nog een continue alertheid opeist. Je rijdt als het ware achter een bewegende muur. Dus proberen we ze steeds opnieuw in te halen, om dan enkele minuten later opnieuw achter zo een bewegende muur aan te rijden…

De temperatuur is ondertussen zachtjes opgelopen tot net boven 20 graden, maar toch voelt het koud aan. Ik trek dan toch een halskraagje aan, wat direct heel wat meer comfort oplevert. We zien nog steeds heel wat motoren richting Atsjinsk rijden.

Bij fris weer moet je voldoende eten om het lijf warm te houden. We maken dan ook nog eens een halt voor een kleine lunch: ik bestel Plov, rijst met kip en groenten, heel lekker, en net niet te veel, zodat ik niet in slaap val op de motor.

Rond vier uur komen we aan in Novosibirsk.

We stoppen nog even aan een kerk en memorial, waar blijkbaar veel mensen een weekenduitstapje naar maken.

Het Komfort Hotel is gelegen in een industriegebied, en vermoedelijk bedoeld voor zakenmensen. De jonge receptioniste staat ons te woord in keurig Engels; ik antwoord haar in het Russisch. Het hotel is nieuw, de kamers prachtig; een echte verademing na vorige nacht. Eerst het vieruurtje: koffie met een koffiekoek. We vragen of we hier ook kunnen eten, en plaatsen dan onmiddellijk ook onze bestelling voor deze avond om zeven uur.

Ondertussen vernemen we dat in Atsjinsk, waar we gisteren nog een rookpluim zagen, zich opnieuw ontploffingen voorgedaan hebben in het munitiedepot.

Om zeven uur krijgen we een mooie maaltijd aangeboden, iets te vettig misschien, maar dat kan niet echt kwaad na al die maanden van ontbering. Frits heeft al voor zijn toetje gezorgd: twee lekkere repen Mars.

Udo en ik maken vervolgens nog eens een deugddoende wandeling, alvorens de rust op te zoeken en te gaan slapen.

 

Dag 135 (Zondag 11 augustus 2019):

Novosibirsk (RU) –Tatarsk(RU)

Ik ben wakker om halfdrie na een goede nachtrust. Dat is nog wat te vroeg, en slaag er in om al draaiend en kerend nog te blijven liggen tot vijf uur.

Ik maak een koffie klaar en zet mij aan het werk. Straks hebben we een grote afstand te overbruggen: bijna vijfhonderd kilometer naar Tatarsk.

Het ontbijt is copieus. Dit hotel heeft zijn naam niet gestolen. We zullen de eerste uren niet aan eten moeten denken.

Het duurt wel een half uur voor we Novosibirsk uit zijn. We hebben de verkeerde route genomen, doorheen de grote stad zelf. Die weg mag dan wel wat korter zijn, maar is lastiger te rijden. En het is dan nog maar zondagmorgen acht uur. Het is fris maar aangenaam. Buiten de stad gekomen valt het toch op dat er veel vrachtwagens rijden, en dat op een zondag. Aanvankelijk is er nog een autostrade met beiderzijds twee rijstroken, maar die is nieuw, en wat verder is ze nog in constructie. Het wordt dus al snel lastig rijden hoewel we geluk hebben dat het niet regent, en de omleidingen niet modderig of stofferig zijn.

Er zijn veel snelheidscontroles door vaste radar. Ik zie een vrachtwagenchauffeur stoppen, en zijn nummerplaat afdekken. Wijzelf hoeven niets te vrezen. We houden ons braaf aan de snelheidslimieten.

De weg is recht en vlak. De streek is gelukkig wel mooi. Het is hier nog geen echte taiga, want er staan nog steeds veel zilverberken, en niet uitsluitend dennen, maar de rest lijkt er wel op. Heel weinig bewoning, veel moerassen, en dus ook veel muggen. Hier en daar staan groepjes dode zilverwitte berken. Ik zag dit twee jaar terug ook in Chileens Patagonië. De berkenbosjes staan er als het ware naakt ‘te lijke’.

Bij een koffiestop zien we een Rus op een Honda Shadow. Hij heeft een vernuftig systeem gemaakt om zijn nummerplaat naar beneden te laten klappen, en dus onleesbaar te maken voor de radars.

Waar het land dan weer wat hoger is en iets meer glooiend, zijn er minder moerassen, en zien we weer uitgestrekte graanvelden en graslanden.

We bereiken uiteindelijk Tatarsk omstreeks 16u. Het kleine stadje ligt aan de Trans Siberische spoorlijn, en lijkt wel een achterbuurt van een grote stad. De verwaarloosde straten wijzen er op dat dit hier geen wingewest is.

Ook ons hotel is er één van de mindere soort. De aangekondigde eigen badkamer bestaat niet, er is geen warm water, en het licht in de badkamer knippert zoals in een disco tent. Gelukkig zijn er geen andere klanten waarmee we de badkamer moeten delen. Frits voelt zich niet lekker en gaat wat rusten.

Udo en ik gaan op stap naar het station, een paar kilometer verder.

De stationsbuurt krijgt wel wat aandacht: er zijn renovatiewerken aan de gang. Het grote rangeerstation is gans vernieuwd.

Nu zijn de perrons en het grote oude stationsgebouw aan de beurt. We blijven even hangen in het station, en zien op vijftien minuten tijd verschillende treinen passeren.  Naast het stationsgebouw is een restaurant. Het sluit in principe pas binnen een half uur, maar we kunnen er toch niet meer terecht voor een hap. We stappen een supermarkt binnen, en slaan wat voorraad in voor het ontbijt van morgenvroeg. Het hotel heeft geen ontbijtfaciliteiten. We gaan dan verder op zoek naar een restaurant, en houden uiteindelijk halt aan een hamburgertentje.

Hamburgers heeft hij niet meer, maar we krijgen er wel een grote wrap met vlees en groenten. Het zaakje wordt uitgebaat door een Oezbeek uit Bukhara. Hij is getrouwd met een Georgische vrouw en woont hier met zijn gezin. We stappen dan weer op en zien ineens een mooi modern café-restaurant…

Internet is er enkel in de lobby, maar het is wel snel. Buiten zitten is er vandaag niet bij: er zijn te veel muggen. En wanneer de muggen verdwijnen begint hier de lange barre winter. Het moet geen pretje zijn om hier je hele leven door te brengen. Vanuit mijn kamer heb ik uitzicht op de Trans Siberische spoorlijn, tweehonderd meter zuidwaarts. Nu en dan passeert een trein, meestal een goederentrein. De ramen isoleren goed en houden zowel het treingeraas als de muggen buiten, zodat ik snel de slaap vind.

 

Dag 136 (Maandag 12 augustus 2019):

Tatarsk (RU) – Omsk (RU)

Na het opstaan start ik met het opruimen van mijn kamer, en het voorbereiden van het ontbijt. Ik heb de grootste kamer: er zijn drie stoeltjes en er is eetgerei aanwezig. Er is brood, kaas, yoghurt, banaan, appel, en koffie, voldoende om te kunnen vertrekken zonder honger. Udo en Frits laten het zich smaken.

We vertrekken. De eerste stop is reeds enkele kilometers verder, waar we halt houden aan de brug over de Trans Siberische spoorlijn.

Je kunt je Siberië niet voorstellen zonder deze spoorlijn, welke de belangrijkste verkeersader vormt doorheen dit onmetelijke land. Het is de langste spoorlijn ter wereld, én de belangrijkste van Rusland. Het is langsheen deze spoorlijn dat onze reis verloopt, waardoor we slechts een beperkt beeld krijgen van Siberië. Hoe heftig het reizen in de meer afgelegen gebieden is, daar dromen we zelfs liefst niet van, laat staan dat we er heen zouden willen op de motor.

Het is prachtig weer, helemaal niet koud, en aangenaam rijden. Omsk ligt niet ver, we rijden dus op het gemak, en nemen de tijd om een paar keer te stoppen voor een koffie.

Zo ontmoeten we twee jongeren, een Engelsman en een Welshman, tussen twintig en dertig jaar oud, op oude Transalpen. Ze hebben hun motoren voor het vertrek helemaal laten nazien, en dat is wel nodig, want ze zijn onderweg om de hele aardbol rond te rijden, en zo te horen jakkeren ze hun arme beestjes helemaal af.

Het is maandag vandaag, werkdag, en toch rijden er vandaag lang niet zoveel vrachtwagens als gisteren. Omsk binnenrijden gaat dan ook heel vlot. We rijden eerst een eindje langs de Irtish, een brede stroom, blijkbaar druk bevaren, want we passeren voorbij een groot havengebied. Wat verder rijden we dan de stad in, met onmiddellijk Hotel Amaks aan de oever van de Irtish. Het is 14u en ongeveer dertig graden.

Na een kleine verfrissing gaan we even proeven van het restaurant beneden: mmm, niet slecht…

In dit hotel blijven we twee nachten, zodat we morgen de stad eens kunnen bezoeken.

´s Avonds bespreken we het verder verloop van de reis. We zoeken een reisroute langsheen interessant steden, zodat we toch nog zoveel mogelijk kunnen bezoeken. Naarmate we Rusland naderen, zal dit gemakkelijker gaan, aangezien daar meer historisch patrimonium voorhanden is.

 

Dag 137 (Dinsdag 13 augustus 2019):

Rustdag in Omsk (RU)

We hebben om halfnegen afgesproken, maar om zeven uur ga ik reeds ontbijten, en blijf vervolgens zitten om aan de blog te werken. Zoals verwacht is Frits er ook reeds wat vroeger.

Om tien uur gaan we dan de stad bezoeken. We nemen een taxi tot aan het verste punt in de oude binnenstad: de Uspenskiy kathedraal. De chauffeur is een Azeiri uit Bakoe. Hij woont hier met zijn gezin. Blijkbaar is Siberië een populaire uitwijkmogelijkheid voor mensen uit ex-Sovjet landen om werk te vinden.

Binnenin de kathedraal is het druk: mensen komen en gaan. Dat gaat zo vaak in die orthodoxe kerken: er lijkt geen begin en geen einde aan een dienst. De priester durft ook plots weg te lopen, om te gaan telefoneren, of te gaan spreken met de een of de ander. En de kruistekens zwieren alweer de hele kerk rond, elke icoon moet er aan geloven.

In de kerk is er ook een soort winkeltje, een Lavka, waar wat religieuze prullaria en kaarsen te koop worden aangeboden.

Moeders en oma’s leren het jonge kroost reeds van jongs af ootmoedig buigen, knielen, kussen, en kruistekens slaan.


De Ulitsa Lenina is een brede straat met statige gebouwen, erg mooi gerestaureerd. Ik probeer mij voor te stellen hoe het hier moet geweest zijn honderd á tweehonderd jaar terug.

Omsk is wel driehonderd jaar oud, maar was aanvankelijk enkel een militaire vesting, ter bescherming van de grenzen van het Russische rijk, vooral tegen de nomaden uit het zuiden. Omsk, zowel alsook de rest van Siberië, was ook een ballingsoord voor politieke ‘delinquenten’, die tegelijkertijd toch enige cultuur meesmokkelden naar deze afgelegen gebieden. Met de komst van de spoorlijn won Siberië ook aan economisch belang en werd Omsk het bestuurlijk centrum van Siberië. De Sovjets verhuisden echter het bestuur van Siberië naar Novosibirsk, hetgeen zich ook in het straatbeeld laat zien: weinig sovjetrelieken, maar des te meer tsaristische gebouwen, en een aanblik welke je direct teruggooit naar de 19e eeuw. Op het gelijkvloers van die gebouwen zijn nu meestal dure winkels ondergebracht.

Rond de middag gaan we een koffie drinken op een rustige binnenplaats, waar we even kunnen ontsnappen aan het geraas van het voorbij stormende verkeer.

We lopen naar het museum van de schrijver Dostojevski, die hier enkele jaren in ballingschap doorbracht, maar daarna terug mocht keren naar Rusland. Het museum wordt aan de buitenkant opgefrist. Frits bezoekt het museum terwijl Udo en ik de omgeving gaan verkennen.

Onderweg nog even een mooi kerkje binnen, waar net een doop plaatsvindt. De priester loopt enkele keren rond de doopvont, op de voet gevolgd door de vader met de baby in zijn armen, gans naakt op een pamper na (de baby wel te verstaan). De rest van de familie staat zwijgzaam en roerloos op eerbiedige afstand het wonder van dit sacrament te aanschouwen.

Dan te voet terug naar het hotel, grotendeels op de promenade langsheen de rivier Irtish, met haar eenzame baders en vissers.

Ik heb nu wel wat rust verdiend, en breng de rest van de namiddag door in mijn kamer, en later ook nog met mijn twee metgezellen. ’s Avonds na het eten worden we nog eens aangeklampt door een Rus, die, zelf al goed aangeschoten, ons nog eens een glaasje wil aanbieden, hetgeen wij beleefd weigeren. Hij uit zijn teleurstelling over de negatieve berichtgeving in het Westen over zijn land, hetgeen wij beamen en ook betreuren. Gelukkig beslist hij al gauw om zelf naar zijn kamer te gaan, want hij moet morgen vroeg opstaan.

Ook wijzelf gaan wat later naar boven, want morgen wacht ons weer een stukje aardbol.

 

Dag 138 (Woensdag 14 augustus 2019):

Omsk (RU) – Isjim (RU)

Alweer een mooi uitgebreid ontbijtbuffet, met ditmaal toch heel wat andere gerechten dan gisteren, het ene al wat lekkerder dan het andere, althans naar mijn smaak. Ik tracht niet te veel te eten, en ga vervolgens de laatste bagage op mijn motor vastbinden. Ik sta alweer klaar voor een mooie rit! Mijn broer vroeg me onlangs of ik het motorrijden nog niet moe of beu was. Wel, dat is nu iets waar ik nu net nooit tegen op zie, hoewel het dikwijls lastig is, en hoewel het traject of het weer niet altijd meevalt. Die Transalp lijkt ook nog op mijn maat ontworpen te zijn, want hij is de meest comfortabele moto welke ik ooit had.

Vandaag zit het weer alvast mee, hoewel het nauwelijks 16 graden is. Het wegrijden uit Omsk lijkt aanvankelijk vlot te gaan, maar een half uur later, moeten we nog steeds om de haverklap stoppen voor een verkeerslicht. En dan zijn we ineens weer in de open ruimte, nauwelijks nog huizen, nauwelijks nog tekenen van beschaving, behalve de graanvelden en de wegen. De streek is redelijk vlak, met hier en daar lichte glooiingen. De vlakke stukken zijn lager gelegen, en vaak moerassig met hier en daar zelfs een soort kreken zoals bij ons, maar dan veel groter. En alweer zijn er dan de dode berkenbossen, prachtig om te aanschouwen, in sterk contrast met de groene dennenbossen even verderop. Op de glooiingen, iets hoger gelegen, vind je dan de uitgestrekte graanvelden, meestal geelgerijpt, klaar voor de oogst.

In een cafeetje onderweg heb ik moeite uit te leggen dat Frits een paar gebakken eieren wenst, waarna hij met enkele gebaren er al snel zelf in slaagt zijn  bestelling te plaatsen. Udo en ik nemen pannenkoekjes met stukjes appel er in. Die zijn al klaar, en hoeven enkel nog opgewarmd te worden.

De lucht is grijs en zwaar bewolkt. Even lijkt het er op dat we regen te verwachten hebben, maar de zichtbaarheid is kilometers ver, wat wijst op een droge lucht. Udo en Frits trekken hun regenpak aan. Ik waag het er op en blijf in zomerpak. En we hebben geluk: op enkele druppeltjes na blijven we droog, en trekt de lucht een half uurtje later wat open. Het blijft echter fris. We halen nauwelijks twintig graden, wat samen met de rijwind toch zorgt voor een veel lagere gevoelstemperatuur.

We bereiken Isjim omstreeks halfdrie lokale tijd, waarmee we een uur gewonnen hebben door onze westwaartse verplaatsing. In Hotel Darsiti wacht ons echter een verrassing: er zijn alweer maar twee kamers beschikbaar, hoewel er drie geboekt zijn. Ik dring bij de bevallige receptioniste aan op een correcte uitvoering van de boekingsovereenkomst, en jawel, ineens hebben ze dan toch de gevraagde kamers. De kamertjes zijn piepklein, maar net en comfortabel. Wat een geluk voor Udo en Frits dat ik als enige op mijn strepen gestaan heb, anders hadden zij nu een minikamertje, en misschien zelfs een bed, moeten delen.

Ik laad de bagage af, en ineens word ik aangeklampt door Tamara, een soort matroushka of dorpsgekkin, die mij enthousiast uithoort, en mij ondertussen een paar keer onverwacht vastpakt om mij te kussen. Ik kan haar gelukkig dirigeren naar Udo, en ga me dan zelf toch even wat verfrissen.

Ik doe hetzelfde vervolgens ook met mijn motor in een Avtomoïka, een carwash, zodat ik morgen eindelijk weer op een blinkende motor de reis kan verder zetten. We hebben overmorgen ook een oliewissel gepland, hetgeen ik liever laat doen aan een propere motor.

Dan weer op stap naar het stadscentrum. Ishim is erg oud, ouder nog dan Omsk, en bestaat sedert de eerste eeuw van de Romanov dynastie. Catharina de Grote kende het de status toe van stad.

Toch zijn er geen historische gebouwen meer, behalve dan de enorme graansilo´s uit Sovjettijd, en, wat verder, grote oude bolvormige opslagtanks van brandstof.

Ons doel is echter het station, niet mooi, niet historisch, maar wel verzorgd, zoals de rest van het stadje. We lopen het perron op wanneer een moderne passagierstrein binnenloopt. Wat een toeval dat wij hier net op het juiste moment zijn: het is de Trans Siberië Express, op weg van Moskou naar het heel verre Oostelijk Siberië. Elke wagon heeft zijn eigen bestemming, aangeduid met een groot plakkaat achter het venster. Achter elk venster bevindt zich een coupé, waar een aantal mensen gedurende enkele dagen kamperen alvorens op hun bestemming te geraken, het ene al rommeliger dan het andere.

Vele mensen stappen uit, vaak in short en op teensletsen, kijken even rond, en gaan dan wandelen, of foto´s nemen, of een bezoekje brengen aan de winkeltjes langsheen het perron.

We lopen het stadje weer in, op zoek naar een restaurantje voor deze avond. Dan terug naar het hotel, om Frits te halen. Frits gaat echter niet mee: hij kan niet goed stappen vanwege een pijnlijke voet, en eet wel iets ter plaatse van het hotel. Dan maar weer met twee naar het stadscentrum, naar een sjasliek restaurant. De uitbater stelt zijn menukaart voor, bestaande uit Georgische specialiteiten, maar vertelt dan even later dat hij Armeniër is. Ik hou niet zo bijzonder van gegrilde gerechten, omdat deze vaak meer verbrand dan gaar zijn. Toch kan de maaltijd er deze avond mee door, nadat ik het weinige verbrande weggesneden heb.

Dan terug naar het hotel, alweer te voet. We hebben vandaag wel onze kilometertjes gedaan, de gezonde, en de minder gezonde…

 

Dag 139 (Donderdag 15 augustus 2019):

Isjim – Tjoemen (RU)

Even vóór acht uur ga ik naar mijn moto, en merk dat de garage waar de motoren de nacht doorbrachten, nog gesloten is. Dat is raar. Normaal staat de motor van Frits op dit uur reeds geladen en vertrekkensklaar, en soms reeds even aan het warmdraaien. Ik controleer het uur en merk dat ik me in het uur vergist heb: het is nog geen zeven uur. Ik laat de poort openen, maak van de nood een deugd, en controleer het oliepeil van de motor. Ook de ketting krijgt enkele slokjes olie. Terwijl ik de motor laad komen een paar Russen een praatje slaan. En nog wat later is Frits er dan toch ook.

Ik krijg van de receptioniste te horen dat het ontbijt op de kamer geserveerd wordt, wat dan even later ook gebeurt.

Het is alweer prachtig weer, en een heel stuk warmer dan gisteren. De route verloopt grotendeels op rechte wegen, met al wat meer glooiingen dan gisteren: we naderen de Oeral, een oud eerder heuvelachtig gebergte, welke bij conventie de grens vormt tussen Europa en Azië. Voor de Russen bestaat die grens niet echt, en ze spreken dan liever van Eurazië. Door het glooiend landschap treffen we hier minder moerassen aan, en minder dode berkbossen, en anderzijds meer en grotere graanvelden, waar hier en daar de oogst gestart is.

Wanneer ik langzaam langsheen een kreek rij vliegt een hele bende eenden verschrikt op.

Het cafébezoek valt niet volledig mee vandaag: in twee verschillende cafés worden we telkens bediend door diensters die tussen twee klanten door telkens snel een glaasje azijn naar binnen kappen. Kwestie van het gezicht in de juiste plooi te houden.

En alweer staan wat verder een paar Russische motards in nood, ditmaal naast een Honda Fireblade: ze zijn zonder nafte gevallen, en dat nét twee kilometer vóór het volgend tankstation. Frits heeft twee kleine benzinetankjes bij de hand, stapt op zijn motor, en komt even later terug met twee liter benzine, zodat de Russen weer verder kunnen.

Tjoemen is een boomende stad. Ik kan me geen stad herinneren waar zoveel moderne hoogbouw woonblokken terzelfdertijd uit de grond verrijzen. In de streek bevinden zich de omvangrijkste Russische olie- en gasreserves, waar wij tot nu toe nog niets van gemerkt hebben. En misschien speelt de universiteit, en het aantrekken van jonge mensen hier ook een rol in.

Hotel Victoriya is dan weer een meevaller: ruime goed ingerichte comfortabele kamers voor een prikje. We worden onthaald door een ietwat rijpere receptioniste, die aanvankelijk ook wel een glaasje azijn lijkt te lusten, maar wat al gauw een verkeerde inschatting blijkt, want ze helpt mij erg gewillig, hoewel ook erg onkundig, om de omslachtige procedure uit te voeren, welke nodig is om op het internet te raken.

Udo en ik gaan vervolgens wat wandelen in het berkenbos naast het hotel, maar pas na een koffie in het moderne tankstation even verder, waar de kassierster ons gewillig helpt met de ingewikkelde koffiemachine, terwijl ze mij uithoort over onze reis op de motorfiets. Het berkenbos valt wat tegen, want we lopen er teveel muggen tegen het lijf, die mij al gauw van de nodige bulten voorzien. Gelukkig blijk ik behalve het eerste half uur toch niet al te erg te reageren op die Siberische muggen.

We eten ’s avonds in het restaurant van het hotel, op het gelijkvloers. Ik bestel een rijstgerecht zónder pepers, wat het lieve dienstertje ijverig noteert, en vervolgens met een enthousiaste ‘Bes perets!’ komt serveren, jullie raden het, vol met Bulgaarse pepers. Dit beroep trekt natuurlijk niet de meest briljante mensen aan… Gelukkig heeft Frits wat teveel frieten besteld.

 

Dag 140 (Vrijdag 16 augustus 2019):

Tjoemen – Jekaterinenburg (RU)

Het kan niet op: alweer mooi weer vandaag. Ik werk mijn dagelijks reisverslag bij. We hebben deze morgen wat meer tijd omdat het ontbijt slechts om negen uur wordt opgediend. Die negen uur wordt kwart voor tien, want we hebben eieren en pannenkoekjes besteld, en de kippen in de keuken hebben er vandaag blijkbaar geen zin in. We vertrekken dan uiteindelijk toch, en gaan dan eerst even levensnoodzakelijke voorraden opslaan in het mooie tankstationneke naast het hotel.

Deze streek is toch al iets minder ‘wild’ dan deze van de afgelopen weken. Ik besef evenwel dat ik van het echte woeste Siberië, de echte taïga, en de permafrost niets gezien heb, temeer omdat onze reis tijdens augustus verloopt, zowat één van de mooiste maanden. Enerzijds een gemiste kans om dit unieke werelddeel wat beter te leren kennen, maar anderzijds een opluchting dat alles zonder grote miserie verloopt. Het terrein wordt al iets minder vlak, met hier en daar een lichte heuvel. Er is veel landbebouwing, ook al omdat we Europa naderen, en dus ook het oude Rusland. Van daaruit begon een viertal eeuwen terug zachtjes aan de kolonisatie van Siberië, om dan een grote vlucht te nemen ongeveer honderdvijftig jaar terug, toen het lijfeigenschap werd afgeschaft, en vele boeren naar het Oosten trokken, om daar een eigen landgoed en een beter bestaan op poten te zetten. We zien vooral tarwevelden, hier en daar reeds stoppelvelden, en ook wel enkele maïsvelden. Koeien zie je nauwelijks, maar die worden dan ook net zoals de varkens gekweekt in enorme stallen.

We stoppen voor een koffie in Café Apteron, waar een aantal Arabieren uit Dubaï de dienst uitmaken. Hoe zijn die hier terechtgekomen? Toch niet allen omwille van een liefdeshistorie, zoals die Tunesische bakker in Granada, Nicaragua?

Bij het tanken komt plots een auto aanrijden. De bestuurder stapt uit en maakt zich kwaad omdat mijn motor in ‘zijn’ weg staat. Ik blijf rustig, en tank verder, wat slechts enkele minuten duurt. Ondertussen blijft die dolleman doorrazen, zelfs bij de kassabediende. Even later kan hij zelf toch tanken, mits zijn auto wat schuin te zetten, en is zelfs nog eerder weg dan ik. Vermoedelijk heeft hij maar twee liter benzine getankt, net genoeg om tot bij de volgende pomp te raken, ondertussen nog een liter vodka te drinken, en daar ook nog eens de boel op stelten te zetten. Onzen Here moet zijn getal hebben, zei mijn schoonvader destijds, en dat is hier in Rusland niet anders.

Bij het binnenrijden van Jekarinenburg, rijden we eerst langs de BMW motorzaak van Viktor. Ik ontmoette hem op de Georgisch Militaire Weg in Georgië, enkele maanden terug. Hij gaf me zijn kaartje, voor in geval van problemen. Even schrikt hij wanneer ik hem er aan herinner dat we beroep op hem mochten doen in geval van een probleem, maar kijkt opgelucht wanneer ik hem vertel dat we helemaal geen problemen hebben, maar enkel op zoek zijn naar olie voor de motoren. Hij gaat met mij mee om de hoek, waar ze motorfietsolie verkopen, want die van BMW is nogal prijzig.

We nemen afscheid, en vijf minuten later komen we aan in Hotel Park Vista, bijna net om de hoek. We worden er warm en professioneel onthaald: een goed hotel met alle comfort, en zelfs een afgesloten parking voor de motoren. In hetzelfde gebouw is ook een atelier waar machines geassembleerd worden, en we mogen gebruik maken van hun garage om daar aan onze motoren te werken, en de motoren mogen daar dan het ganse weekend binnen blijven. Van een meevaller gesproken.

Wanneer het personeel van het atelier naar huis vertrokken is, voeren we de oliewissel aan de motoren uit. We dragen er zorg voor geen vlekken te maken; er ligt trouwens voldoende afvalkarton om onder de motoren te leggen.

Daarna gaan we dineren in Cafe Ougli, een trendy zaakje nog geen kilometer verderop.

Ik ben moe, en ga na de wandeling terug naar het hotel onmiddellijk slapen.

 

Dag 141 (Zaterdag 17 augustus 2019):

Rustdag in Jekaterinenburg (RU)

Vandaag is mijn jongste dochter jarig. Zo’n grote tien jaar geleden besliste ze dat ze nooit volwassen wilde worden, wat ze ondertussen wel geworden is, maar ik maak van haar destijds voornemen dankbaar gebruik om elk jaar toch nog eens mee te genieten van haar eeuwige jeugd.

“Audreyke , Happy Sweet Sixteen !”

Ik heb goed en lang geslapen, zonder wakker worden. Om vijf uur sta ik op, maak een koffie, en zet mij aan het werk. Eerst mijn kamer opruimen, en dan enkele hotels opsnorren voor de komende weken.

Voor het ontbijt moeten we naar het half ondergronds restaurantje van het hotel. Er is een soort moderne zelfbediening, waarbij we ons ontbijt kiezen aan een toogje. Het is eenvoudig maar het vult wel.

Om elf uur proberen we een taxi staande te houden. Een auto stopt. Het is geen taxi, maar de man voert ons wel naar de BMW-garage. Daar leveren we de afgedraaide olie af in de werkplaats. We nemen er ook even een kijkje bij de sneeuwscooters, die hier veel afzet vinden, want de eerste sneeuw valt reeds in september, en de winter is lang, veel langer dan het motorseizoen. Het is duidelijk dat deze zaak vooral draait rond de sneeuwscooters: die zijn veel duurder dan motoren, en het sneeuwseizoen duurt veel langer. De BMW-verkoop dient vooral om het dode zomerseizoen op te vullen.

Vandaaruit nemen we dan weer een taxi, een echte ditmaal, naar de andere kant van de stad, naar de Kerk van het Bloed. Jekaterinenburg staat bekend als de stad waar in 1918 de executie plaatsvond van tsaar Nicolaas II, zijn vrouw en zijn vijf kinderen, aan het begin van de Russische Revolutie. Nicolaas II was de laatste tsaar van Rusland. De lijken werden ter plekke overgoten met zuur, verbrand en in een mijnschacht gegooid. Pas in 1998 werden de lichamen herbegraven, en werd aan het gezin de status van Heiligen en Martelaren toegekend door de Russisch Orthodoxe Kerk. In elke kerk vind je wel iconen van de ‘Heiligen’. De moorden vonden plaats in het Ipatiev huis, welk nadien door Boris Yeltzin, toen hij hier nog gouverneur was, in 1977 gesloopt werd. En op die plaats werd dan omstreeks 2000 de grote Kerk van het Bloed gebouwd. In de kerk zijn grote wandschilderingen waar de keizerlijke familie op afgebeeld staat.

De kerk en de macht hebben het altijd, behalve in Sovjettijd, goed met elkaar kunnen vinden. En dat is heden ten dage met Tsarpoetin niet anders.

 

Pikant detail: De Romanov dynastie begon in het Ipatiev klooster in Kostroma, en eindigde in het Ipatiev huis in Jekaterinenburg.

Het is vandaag net dag van de stad: Jekaterinenburg werd precies 296 jaar terug in 1723 gesticht in opdracht van tsaar Peter de Grote, en genoemd naar zijn vrouw, om de metaalindustrie en de mijnbouw in de regio op poten te zetten. Na de Oktoberrevolutie veranderde de naam in Sverdlovsk, maar werd in de jaren 90 terug veranderd in Jekaterinenburg.

Er zijn heel wat festiviteiten aan de gang, de meesten wel gericht naar kinderen toe. Veel lawaai en ambiance. Hoewel dit een stad is met 1 miljoen inwoners, hoeven we ons op geen enkel moment door mensenmassa’s heen worstelen.

We zien veel historische gebouwen, maar ze vormen geen consistent geheel in deze stad. Alles staat rommelig door elkaar: hoog en nieuwbouw, jong en oud.

We bezoeken vervolgens een oud houten huis, waarvan we denken dat het een interessant museum herbergt, maar uiteindelijk vooral een expositieruimte blijkt te zijn voor enkele hedendaagse kunstenaars en hobbyisten.

We krijgen er zelfs wat thee en een koekje aangeboden.

Rond vier uur komen we terug aan in het hotel. De bewaker klampt me aan en doet een heel verhaal over de boiler in mijn hotelkamer. Na een poos begrijp ik dat ik van kamer moet veranderen, wat snel gebeurd is. Dan kan ik eindelijk wat rusten…

’s Avonds gaan we gedrieën weer eten in restaurant Ougli, lekker, maar veel te veel. Ik neem mij voor om mij morgen te houden aan 1 gerechtje.

 

Dag 142 (Zondag 18 augustus 2019):

Rustdag in Jekaterinenburg (RU)

Het is zwaar bewolkt en aan het regenen. Tot nu toe hebben we op deze reis veel geluk gehad met het weer, vooral wat de regen betreft.

Na het ontbijt regent het nog steeds. Udo gaat alleen op stap, hopend enkele mooie foto’s te kunnen schieten. Ikzelf wacht nog wat af. Misschien klaart het op.

Inderdaad, om elf uur is het opgehouden met regenen, en gaan Frits en ik het Kinderstation bezoeken. Daar is een echt oud station met smalspoortreinen. Gezinnen kunnen hier een ritje maken op historische treinen. Het geheel is terzelfdertijd een museum van oude smalspoorlocomotieven, en bevindt zich in een groot amusementspark voor kinderen. Alles is perfect onderhouden.

Het is ondertussen middag geworden. We nemen een koffie in de cafetaria, waarna Frits terugkeert naar het hotel, en ik de stad intrek, voor een wandeling van ruim vier uur.

Mijn truitje verdwijnt al gauw in de rugzak.

De installaties van de stadsfeesten gisteren zijn bijna allemaal weggebroken, zodat de mooie gebouwen beter tot hun recht komen en ik alles rustiger kan bekijken. Ik bezoek ook het grote centrale station, welke zwaar bewaakt is, dit in tegenstelling tot de andere spoorwegstations welke wij de afgelopen weken bezochten.

Aan parkjes geen gebrek in Rusland.

De Hemelvaartskathedraal, gelegen op een kleine heuvel is zowat de enige grote historische kerk in Jekaterinenburg welke ontsnapte aan de vernielzucht van de Bolsjewieken.

De kerk is weer mooi gerestaureerd, en staat tegenover de Kathedraal van het Bloed, met daartussen een monument ter ere van de Communistische Jongerenorganisatie van destijds, en expliciet atheïstisch, wat natuurlijk een blijvende bron van ergernis en controverse is.

Ik vervolg mijn weg naar het enorme stadhuis, gebouwd in Stalinistische stijl, ook wel de Doema genoemd, recht tegenover het grote standbeeld van Lenin. Daarna langs de Plotinkadam: hier werd vroeger de Iset rivier afgedamd en gekanaliseerd om het water te gebruiken voor een groot ijzergieterij complex. De oude gebouwen en de kades zijn mooi gerestaureerd en vormen nu een museumcomplex met wandelboulevard.

Op mijn terugweg naar het hotel valt nogmaals het dambordpatroon van de straten op: enkele grote doorgangswegen met daartussen telkens 1 of 2 lokale toegangswegen naar de appartementsblokken. Die hebben vaak niet kunnen mee profiteren van de economisch vooruitgang en geven nog de troosteloze indruk van vijftig jaar terug, welke je nog in heel veel steden achter het vroegere ijzeren gordijn aantreft.

Ik ga ’s avonds met Frits eten. Udo gaat niet mee. Hij heeft gisteren teveel gegeten.

 

Dag 143 (Maandag 19 augustus 2019):

Jekaterinenburg (RU) – Perm (RU)

Het is zwaar bewolkt, en er dreigt regen te vallen. Toch trek ik nog geen regenkledij aan, want de regen stelt hier niet altijd veel voor. Ik heb goed ontbeten, en heb geen last van de frisse 16 graden, welke ik aflees op het boordscherm van de motor. Eerste stop is een kerkhof even buiten de stad, waar een aantal leden van de Russische maffia begraven liggen. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie heeft hier een bloedige oorlog plaats gevonden tussen verschillende maffiabendes in de strijd om de waardevolle brokken van het Sovjet Imperium. De doden werden vaak in praalgraven bijgezet.

Onderweg naar Perm slaan we dan na zo een dertig kilometer af naar de oude weg: de Siberische Tract, waar een obelisk staat welke de grens tussen Europa en Azië aangeeft.

Deze obelisk is terzelfdertijd een mijlpaal in onze reis, want ook het einde van ons Aziatisch avontuur. Azië was vaak mooi, zeker interessant, maar ook veel van hetzelfde en te heftig in vele opzichten. Maar we hebben het gemaakt! Nu nog veilig thuis geraken. Het is bijna twaalf uur wanneer we tanken en ondertussen een eerste koffiestop houden.

We merken met moeite dat we doorheen de Oeral rijden. Net op de grens tussen de twee continenten is de hoogte maar ongeveer 400 meter boven zeeniveau. De hellingen over de heuvels zijn echter hier en daar wel lang, en geven de indruk van een ‘faux plat’. We rijden vaak in bossen, en kunnen slechts af en toe een weidsere indruk krijgen van de omgeving.

Voor de tweede koffiestop houden we halt in Café Azerbeidzjan, waar ik een koffie met Baklava bestel. Die Azerbeidzjaanse baklava is wel ruim bemeten, maar kan qua kwaliteit toch niet tippen aan de Turkse of de Griekse.

We raken probleemloos in Perm, een stad welke tot voor kort verboden terrein was voor Westerlingen. Na de ontberingen van de afgelopen maanden hebben we wel behoefte aan comfort, en nemen alweer onze intrek in een Amaks Hotel, waar ook de motoren veilig staan op een bewaakte parking.

Ik maak een wandelingetje in de nabije omgeving van het hotel, en merk dat tussen de vele grauwe gebouwen toch nog enkele pareltjes staan, al dan niet gerestaureerd. Sommige herbergen mooi winkels en horecazaakjes.

Om halfzeven gaan we eten. Het jonge dienstertje spreekt wat Engels en is blij om wat praktijk te kunnen opdoen. Ze vraagt of we hier in Perm zijn voor het werk. Wanneer ze hoort van onze onderneming schrikt ze en vraagt ze of we wel beseffen hoe gevaarlijk al die vreemde landen zijn. We hebben volgens haar veel geluk dat we nog leven. Zo zie je, de perceptie van gevaar is in vele landen hetzelfde: wat vreemd is en veraf is wekt bij vele mensen angstgevoelens op. De media spelen hier overal gretig op in.