DEEL 6 – MONGOLIA

Dit land heeft lang vastgehouden aan zijn traditioneel nomadenleven. Daar komt nu verandering in door moderne wegen, telecommunicatie, en de vlucht van jonge mensen naar de stad. De komende 14 dagen verblijven we vaak in gebieden waar moderne communicatiemiddelen nog niet doorgedrongen zijn.

Kazachstan grenst niet aan Mongolië. We moeten een omweg maken via Rusland om Mongolië binnen te raken.

 

Dag 112 (Vrijdag 19 juli 2019):

Semey (KZ) – Barnaul (RU)

Ik sta vroeg op en werk de blog bij. Onze dagen zijn deze week zwaar gevuld door de grote verplaatsing welke we maken om vanuit Verweggistan tot in Mongolië te raken, waar we zullen begeleid worden door een auto met gids/kok en tentmateriaal.

Om zeven uur gaan we eten. Er is hier een groep Russen aanwezig welke met een vliegtuig luchtondersteuning geven aan een grote rally doorheen het Noordoosten van Azië. Het duurt dus wel even voor we kunnen eten.

Om 8u kunnen we dan toch vertrekken richting Rusland. Het is aangenaam fris. Al na een paar honderd meter zijn we Dirkjan kwijt. Hij reed plots een andere, eigen richting uit. We stoppen en sturen hem een SMS-je, wachten, maar krijgen geen antwoord. We rijden weer verder, want het gebeurt dagelijks dat hij zijsprongetjes maakt.

Ten Noorden van de stad ligt een mooi bos, gevolgd door een weidse vlakte waar redelijk intensief aan landbouw wordt gedaan, maar toch nog steeds met dat oude materiaal dat vermoedelijk nog stamt uit Sovjettijden.

Een half uur later is nog geen spoor van Dirkjan, en hij reageert ook niet op het SMS-je. We gaan onderweg tanken, rijden wat verder, en gaan dan een koffie drinken, hopend dat hij ons bijbeent. Uiteindelijk wordt het bijna elf uur, hebben we nog een grote afstand voor de boeg, en rijden we weer verder tot aan de grens. Daar staan we weer in beraad hoe we dit moeten aanpakken: moeten we hem gaan zoeken? En hoe moet dat dan gebeuren?

Er staat een lange file voor de grens, en het gaat traag vooruit. Uiteindelijk mogen we de eerste bareel passeren, en starten met het uitschrijven uit Kazachstan. Met de uitgaande stempel in mijn paspoort stap ik weer de motor op. Ineens zie ik daar achter de bareel Dirkjan staan wachten. Ik zeg aan een douanier dat hij ook tot onze groep behoort. De vriendelijke douanier telefoneert naar de bareelwachter, die hem prompt het terrein binnenlaat, zodat hij verder samen met ons kan opschuiven richting Rusland.

Dáár wacht ons geen bareel, maar een rood licht, dat maar nu en dan eventjes op groen komt, en enkele voertuigen laat passeren. Uiteindelijk is het ook ónze beurt, en mogen we vervolgens in de rij gaan staan voor de papierwinkel en de bagagecontrole die op zichzelf maar enkele minuten in beslag nemen. Al met al hebben we dus toch enkele uren nodig gehad om Rusland binnen te raken. Ze hebben dan wel hun papierwinkel vereenvoudigd, maar als er te weinig personeel is blijft dit uiteindelijk even lang duren.

Dirkjan doet ondertussen zijn verhaal. Hij wist een kortere (?) weg dan de grote mooie brede weg, die bijna in één rechte lijn naar de grens loopt. Die weg verliep blijkbaar door een groot interstellair zwart gat, dat 56 kilometer lang was, en bovendien nog eens 56 km in de andere richting diende afgelegd, om vervolgens net zoals wij over die grote mooie brede weg recht naar de grens toe te rijden.

Ook de weg naar Barnaul is nieuw, mooi, en snel. We rijden nu nog driehonderdkilometer over een vlak landschap waar intensief aan landbouw wordt gedaan met moderne machines. We zien slechts weinig dorpen en kleine steden, waar de weg grotendeels omheen loopt. Er is redelijk druk verkeer. Het verwondert mij dat dit deel van de wereld nog zo dicht bevolkt is.

Barnaul is een grote stad met zeshonderdduizend inwoners. De stad bestaat reeds driehonderd jaar, en is reeds lange tijd groot, en dat laat zich ook merken in het straatbeeld, waar oude gebouwen verspreid staan over de hele stad. Ons hotel bevindt zich aan de rand van een commerciële zone, naast een grote moderne winkelgalerij en een oude vervallen bazaar. We komen er laat aan, om 20u lokale tijd. Er blijkt geen privéparking, in tegenstelling met wat op onze reservatie staat. Plaats om iets anders te gaan zoeken is er niet. We laden al de bagage en koffers van de motoren, brengen deze in de kamers, en gaan op zoek naar eten. Het eerste wat we vinden is de grote winkelgalerij, waar de vierde verdieping volledig is ingenomen door kleine winkelbuffetten, met in het midden tafeltjes en stoeltjes. We vinden er noedels, pizza en frietjes, genoeg om de hongerige magen te vullen, maar ook niet meer dan dat.

Terug naar het hotel en slapen.

 

Dag 113 (Zaterdag 20 juli 2019):

Barnaul (RU) – Onguday (RU)

Het ontbijt bestaat uit kasha (geroosterde boekweitpap), een paar pannenkoekjes, en thee. Die kasha lijkt op havermoutpap, niet bepaald mijn favoriet gerecht, en werk ik naar binnen met veel suiker. Met de pannenkoekjes heb ik minder moeite.

Rusland staat misschien wel wat verder dan wij met het elektronisch betaalverkeer, en het kost ons dan ook wel een uur om nog een geldautomaat te vinden. Er is druk verkeer richting Onguday. Na een uurtje houden we al onze eerste stop, vooral om onze ochtendkoffie te kunnen nuttigen, welke we deze morgen node moesten missen. Een opgerold wafeltje met karamelpasta slaan we er tegelijkertijd maar mee naar binnen.

Het landschap is de eerste honderd kilometer vergelijkbaar met dat van gisteren: uitgestrekte velden met graangewassen, aardappelen, zonnebloemen,… Alles staat nog groen en is nog niet te hoog opgeschoten, wat betekent dat het seizoen hier relatief laat begint, én dat het ook veel regent. Wij hebben echter weer geluk: er is wel wat bewolking, maar we ontsnappen telkens toch aan de regenzones.

Het wordt ons na een tijdje wel duidelijk waarom het zo druk is. We rijden vanaf Biejsk langsheen de Katyn rivier, hetgeen je vanuit het Russisch zou kunnen vertalen naar ‘Myzl’. Het ene toeristisch dorpje na het andere. Vakantiegangers die vertrekken naar huis, andere die net aankomen, en dagjesmensen. Gelukkig staan de meest auto´s geparkeerd aan de duizenden kraampjes, restaurantjes en hotelletjes. Maar dan is de kermis ineens voorbij, en rijden we een andere vallei binnen die ons voert doorheen een mooi berglandschap: het begin van het Altaí gebergte, waar we overheen moeten om Mongolië te bereiken.

De temperatuur is ondertussen ook weer heel wat draaglijker geworden, deels omdat we iets sneller kunnen rijden, en de rijwind meer afkoeling geeft, deels omdat we telkens hoger de bergen in gaan. Bij het tanken hebben we problemen: we slagen er maar niet in om benzine te tanken. De vrouwelijke kassabediende probeert ons geduldig en met veel gebaren iets uit te leggen, maar het wil maar niet lukken. Dan begrijp ik het ineens. Eerst moet het vulpistool in de tank gestoken worden. Vervolgens moet betaald worden voor de gewenste hoeveelheid. En dan pas komt er benzine uit de tuit. Dit is natuurlijk deels nog een systeem uit de jaren stillekes, toen de mensen geen geld hadden om de tank volledig te vullen, ofwel er slechts een heel beperkte hoeveelheid beschikbaar was per persoon. Voor ons is dit vervelend, omdat wij een volle tank willen, en niet kunnen weten hoeveel er nog bij kan. Ik bestel tien liters, welke net, net, net de tank niet doen overstromen. Mijn motor heeft te zuinig gereden; de volgende keer moet ik voor minder tanken. Wij bezetten ondertussen de vier pompen, en ondertussen heeft zich een tiental auto’s opgehoopt, wachtend om te kunnen tanken. Geen boze gezichten echter: ze stappen uit en ondervragen ons wijl wij tanken over onze reis, hetgeen alles natuurlijk nog eens vertraagt.

Het obligate koffiestopje onderweg:

Uiteindelijk bereiken we omstreeks zes uur Onguday. De coördinaten van het hotel zijn echter verkeerd, en het geboekte hotel is onbekend bij de lokale mensen. We worden van Pjotterke naar Pavlovke gestuurd. Ik vind hulp in een restaurantje, waar de uitbaatster mij vertelt dat we in het andere dorp moeten zijn, tien kilometer terug. En inderdaad, daar vinden we het 'hotel', in feite een soort landelijke bedoening met vijf kamertjes in een enorme blokhut. We worden erg hartelijk onthaald, plaatsen de bagage in de kamers, en keren dan terug naar Onguday om er te gaan eten, in het restaurantje waar ik een half uur tevoren de reddende informatie kreeg. Ik bestel borsh, en daarna een kotelet met groenten en rijst.

Dan terug naar onze blokhut. Er zijn in deze streek veel muggen, enkele grote, maar vooral veel piepkleine, zodat ik snel mijn kamer in vlucht.

 

Dag 114 (Zondag 21 juli 2019):

Onguday (KZ) – Kosh-Agash (RU)

Zeer goed geslapen vannacht, in een groot zacht bed.

Het is even wachten op het ontbijt, alweer kasha (geroosterde boekweitpap). De thee is een bergkruidenthee, hoofdzakelijk getrokken uit wilde tijm, nogal doordringend van smaak, en alweer niet erg gegeerd door mij. Ik drink er wat van, maar laat het grootste deel toch onaangeroerd. Er zijn ook gelukkig pannenkoekjes, boter en suiker, en dan nog wat bruin brood, zodat we toch redelijk overvuld de tafel verlaten.

Het wordt warmer, en een eerste stop dient om wat kledij uit te trekken. We rijden niet snel, wat al snel wat slaperigheid opwekt, en we dan ook wat vaker even moeten stoppen. Rond de middag gaan we wat eten in een cafeetje.

Udo probeert een foto te maken van de marmotjes, die hier en daar rondlopen, maar slaagt er niet in, omdat ze hem sneller in de gaten hebben dan hij zijn lens kan richten, en vliegensvlug hun hol invluchten.

Onderweg komen we heel wat motorrijders tegen, vooral Russen die op vakantie zijn in het Altaï gebergte, maar ook Europeanen, op weg naar of komend van Mongolië.

Al met al een rustige dag over uitstekende wegen, kronkelend doorheen een mooi berglandschap, met rechts van ons de hoge besneeuwde bergtoppen, die ons ons verplichtten om zo een enorme omweg te maken via Barnaul. Kosh Agash bevindt zich op ongeveer vijftig kilometer van de grens met Mongolië, waar we hopen morgen omstreeks de middag binnen te raken. De ganse streek is grotendeels militair gebied, en mag dus niet betreden worden. Tegelijkertijd is het een beschermd natuurgebied. We hebben een hotel geboekt dat eigendom is van de natuurbescherming, en tegelijkertijd het bezoekerscentrum ervan herbergt.

Het gans nieuwe hotel is een opvallende verschijning op de enorme hoogvlakte op 1800 meter waar Kosh Agash zich bevindt. Het lijkt een enorme blokhut.

Verderop ligt het stadje, bestaande uit talloze verspreide laagbouwwoningen over een breed oppervlak. De nieuwe gekleurde daken geven er een bijzonder cachet aan. Udo en Frits herkennen het hotel niet en rijden er gewoon voorbij. Ik stop, en wacht tien minuutjes vooraleer ze terug verschijnen, en we het hotel betrekken. Even later komt ook Dirkjan er aan. Hij is al gaan tanken.

Morgen dus Mongolië … Wordt het totale radiostilte? … Of is de moderne communicatie ook daar reeds binnengeslopen?

Dirkjan speelt met de gedachte om in Mongolië een aantal dagen de motor te laten staan, en een tocht per paard te doen samen met een lokale gids, ver van alle beschaving. Hij zou ons dan niet vergezellen tot Ulaan Bataar, maar ons pas terug vervoegen, wanneer we binnen een paar weken westwaarts rijden doorheen Siberië. Hij heeft nog een paar dagen om dit te beslissen, en eventueel de nodige voorbereidingen te treffen.

Er is wel een keuken ter onze beschikking in het hotel, maar eten is er niet. We trekken dus naar het stadje, om er te dineren, en om er wat inkopen te doen om morgen zelf ons ontbijt klaar te maken.

Het begint in de verte te bliksemen. Het onweer komt steeds dichter, met veel wind en bliksem. Uiteindelijk begint het hier ook te regen, wat heel uitzonderlijk is, want deze plaats is de droogste bewoonde plaats van gans de Russische Federatie. Ik heb er geen last van. Ik val onmiddellijk in slaap.

 

Dag 115 (Maandag 22 juli 2019):

Kosh-Agash (RU) – Tsagaannuur (MN)

Ik sta om vijf uur op, en installeer mij aan de tafel in de keuken. Het is fris hier, want het venster stond de ganse nacht open. Na een half uurtje komt Dirkjan mij vervoegen. We drinken een eerste ochtendkoffie. Ik slaag er in om met de blog de realiteit bij te benen, en ga om zeven uur douchen. Udo wordt net wakker.

We maken zelf ons ontbijt klaar met het voedsel dat we gisteren kochten. Na het ontbijt neem ik de resterende kaas en wat brood mee voor onderweg.

We vertrekken. Het heeft vannacht stevig geregend, maar alles is reeds grotendeels droog. Er scheiden ons 50 kilometer van Tashanta, waar zich de Russische grenspost bevindt. Over de enorme hoogvlakte bevindt zich een mooie asfaltweg, hier en daar onderbroken wegens wegwerkzaamheden. We passeren het dorpje Tashanta, en bereiken rond halfelf de Russische grenspost, waar reeds een grote file staat: vrachtwagens, minibusjes, auto’s, een tiental motoren, en een Duitse overlandertruck.

Hier begint het wachten. Het Russische hek is dicht, en gaat slechts nu en dan open, vooral om vrachtwagens te laten passeren; die krijgen steevast voorrang. Nu en dan mag ook een ander voertuig erdoor. De tijd kruipt voorbij. De Italianen die we gisteren ontmoetten aan het cafeetje komen er ook aan, wringen zich met de zware BMW´s tussen de auto´s en sluiten zich bij ons aan. Het Duitse koppel in de overlandertruck biedt ons een lekkere koffie aan. Er ontstaat wat ruzie tussen de Estlanders net vóór ons en een minibusje met Aziaten, om wie het eerst doorheen het hek mag. Omstreeks veertien uur is het ook onze beurt en mogen wij het hek passeren. Dat is nog maar een kleine stap in de goed richting, want het betekent dat we nu binnen in een gebouwtje mogen gaan aanschuiven om ons te laten uitschrijven uit Rusland. Eén na één krijgen we de benodigde stempels, en kunnen uiteindelijk de Russische post verlaten en over een onverharde weg naar de Mongoolse grens rijden, twintig kilometer verderop, bovenop de bergpas, waar ons enkel nog een bareel met een Russische soldaat scheidt van Mongolië. De soldaat controleert de papieren, telefoneert naar zijn collega beneden, en laat ons door.

We rijden nu een tiental kilometer naar beneden, waar alweer een file wacht vóór het hek van de Mongoolse grenspost. Gelukkig zien we geen vrachtwagens. Een soldaat doet ons teken om de file voorbij te steken, en ons aan te sluiten bij de motoren die dicht bij het hek staan. Maar niet vooraleer de banden van onze motoren ontsmet zijn, want daar hangt voorzeker Russische schapenstront aan. De slang van het sproeisysteem is niet lang genoeg en er wordt van ver gemikt richting motorbanden, vijftig roebel geïnd, en een bonnetje afgeleverd. Dat gaat vlot; dat ziet er goed uit. We krijgen instructies om met onze papieren naar een klein hokje te gaan. Daar zitten twee vrouwelijke douaniers en een gezette oudere douanier met kepie. De bende motards uit Estland staan er nog vóór ons aan te schuiven. Het gaat tergend traag. Zowat tien á vijftien minuten per paspoort. Ik kan niet precies zien wat daar gebeurt in het hokje, maar wanneer het uiteindelijk onze beurt wordt presenteer ik mij op aanraden van de Estse groepsleider als groepsleider met de vier paspoorten van onze ‘groep’. Nu en dan probeert iemand langs achter het kantoortje te benaderen, wat soms resulteert in een verhitte discussie met de douaniers. Een vrouw schrijft handmatig de gegevens van paspoort en motoren over in een boek en legt de paspoorten op een rijtje. Ze doet dat vlot en efficiënt. Onze paspoorten ´liggen’ er nu nog maar. Het laatste Estse paspoort is nog niet eens verwerkt. Ik zie ondertussen wel waarom het zo traag gaat. Alles moet ingebracht worden in een computer door de andere vrouwelijke douanier, met één vinger, letter voor letter, met de hulp van de mannelijke douanier zoekend op het toetsenbord waar welke letter staat. De Mongolen gebruiken de Mongoolse taal, maar dan in Cyrillisch schrift, dat ze overnamen van de Russen. Ik kan niet zien of onze namen in het Romeins schrift dan wel in het Cyrillisch ingebracht worden.

Het is al omstreeks drie uur wanneer elk paspoort voorzien is van een ´ticket’ waarmee we de grens van de grenspost straks mogen passeren. Dat ´straks´is nogal breed te nemen, want het gaat hier nog een stuk trager dan aan Russische zijde. Ondertussen zijn de Italiaanse motards ook komen aanschuiven, evenals een Amerikaan uit Idaho. Om het half uur mogen twee auto´s en nu en dan ook twee motoren passeren. Ik tover ondertussen de late lunch tevoorschijn: elk een klein sneetje brood en een stukje kaas. De Italianen kijken afgunstig toe, want die denken maar aan één ding: eten.

Er heerst een gespannen sfeer bij de Aziaten die staan aan te schuiven, omdat alles zo tergend traag gaat, en steeds meer mensen komen bij de bareelwachter en zelfs bij de douaniers zelf hun beklag doen. Er wordt over en weer geroepen en gescholden, en een handgemeen lijkt vaak niet ver af. Het wordt zes uur, en we staan hier nog steeds buiten de grenspost. Het is ons ondertussen wel duidelijk geworden dat de vertraging veroorzaakt wordt binnen de grenspost zelf.

Eindelijk mogen Frits en ik met de motoren het hek van de grenspost passeren: ik doe teken aan de bareelwachter dat wij met vieren zijn. Hij vraagt aan zijn overste iets, en we mogen alle vier binnen. Daar buiten achter ons staan nog tientallen auto´s en vijf motoren.

In het grote douanegebouw moet nu de échte paperasserie nog beginnen, en het wordt mij duidelijk waarom alles zo traag gaat. Aan het hek was er enkel het opmaken van de toelating voor voertuig en bestuurder. Hier moeten alle personen nog ingevoerd worden, en dat zijn er veel, want de auto´s en busjes zijn meestal overladen. Er loopt heel veel personeel rond, de één al wat gewichtiger dan de andere, maar er zijn slechts twee loketjes waar de ganse papierwinkel weer letter voor letter in de computer ingebracht wordt. Gelukkig loopt een rijzige douanematrone rond, ze is wel een meter tachtig, die alle mensenstromen dirigeert, want hier ook heerst verwarring, ontevredenheid, en worden verhitte discussies gevoerd. Daarna het papiertje van de desinfectie van de banden van de motoren laten registreren, en nog manueel een papier invullen dat we moeten tonen bij het verlaten van Mongolië.

Dan worden nog enkele malen alle stempels en papieren gecontroleerd, en mogen we de grenspost verlaten. Nu zijn we écht in Mongolië. De zon staat reeds laag in het Westen; het is omstreeks acht uur.

De gids-begeleider en zijn assistent staan ons op te wachten naast een grote Nissan terreinwagen. Ze stellen voor om eerst te gaan eten, en dan tachtig kilometer verderop de tenten op te slaan. Ik sta er echter op om op onverharde weg niet in het donker te rijden, en we vertrekken meteen. Eten komt wel later. We passeren het dorpje Tsagaannuur, en gaan een smalle hobbelige onverharde wegel op in de richting van de bergen. Er resteren ons nog 55 kilometer. Binnen vijf minuten is de zon gans onder. Ik rij achteraan en hou halt. Ik weiger om hier verder de bergen in te rijden in het donker. Ik wacht nog even of de anderen ook zullen weerkeren, maar heb voor mezelf al besloten om hier in dit dorpje onderdak te zoeken. Naast mij komen twee Mongoolse jongens op een bromfiets vragen of ik een overnachtingsplaats nodig heb. Ik vraag hen even te wachten om te zien wat de rest van de groep gaat doen. Na een tiental minuten komt ook Udo terug, en dan ook Frits, Dirkjan, en de wagen.

We komen in het dorpje ook de Estlanders tegen, die reeds hun intrek namen in een ‘Yoertkamp’, en daar de enige yoert volledig ingepalmd hebben. De Amerikaan staat er ook, hongerig en besluiteloos, en vraagt of hij zich voor deze nacht bij ons mag aansluiten, wat voor ons geen probleem is. De Estlanders hadden hem al duidelijk gemaakt dat hij bij hen niet welkom was. Uiteindelijk belanden we bij een familie wat verderop: de broer van de twee jongens op de motorfiets. Die had reeds vroeger aan de grens gestaan om mensen te ronselen om bij hen te overnachten, mogelijk de enige bron van inkomen voor dit gezin. Het gezin heeft vijf kinderen tussen 0 en 12, woont in een klein huisje, maar doet uitstekend werk om nog eens zeven gasten op te vangen. De kinderen hangen rond ons.

Jeff(frey) is 51, getrouwd, heeft geen kinderen, schrijft verhalen voor tijdschriften en magazines, en verhuist binnenkort naar Idaho.

De route wordt besproken. De gids dringt toch aan om de noordelijke route te nemen, en dat het onverharde deel slechts heel beperkt is. Het zou de komende 4 dagen alvast niet regenen. We hadden ons voorgenomen deze route niet te nemen omdat er een beter berijdbare weg bestaat iets meer zuidwaarts, maar laten ons uiteindelijk toch overhalen om de Noordelijke route te nemen.

Terwijl de gastvrouw eten klaarmaakt, laden we wat bagage af, krijgen we thee en koekjes, en nadien nog een lekkere maaltijd met rijst, vlees en aardappelen.

Iedereen krijgt een slaapplaats toegewezen. Het duurt even voor ik de slaap kan vatten. De kinderen maken nochtans geen lawaai en slapen onmiddellijk. Het jongste is 1 maand oud en is snel getroost.

 

Dag 116 (Dinsdag 23 juli 2019):

Tsagaannuur (MN) – Ulgii (MN)

Ik word ’s nachts nu en dan wakker omdat ik toch niet echt lekker lig. Ondanks twaalf man in dit huis, is het muisstil.

Ik ben als naar gewoonte om vijf uur wakker, en voel mij toch redelijk uitgerust. Ik ga naar buiten om te plassen, naar een hokje op twintig meter van het huis, gebouwd bovenop een put welke dan afgedekt is met planken. In het midden ontbreekt 1 plank…

Om acht uur is er ontbijt: rijstpap, koffie, en wat zoete koeken. Er is ook thee met melk, maar die kan mij niet echt bekoren.

We nemen afscheid van het gezin en vertrekken.

De weg welke we nemen hadden we gisteravond moeten afleggen, en ik ben blij dat ik toen op tijd beslist heb om niet verder te rijden. De weg is voor mij goed te rijden, maar dan wel overdag, bij goede zichtbaarheid. We rijden eerst over een mooie vlakte, maar kunnen er maar weinig van genieten omdat de staat van de weg onze aandacht volledig opslorpt. Wat verder dalen we af in een smalle vallei, waar hier en daar mensen in yourts wonen. Ze hebben hier kroostrijke gezinnen, en het horen van de motoren doet de kinderen enthousiast de helling oprennen in onze richting.

Ik stop een paar keer, probeer een praatje te slaan, en moet telkens vaststellen dan zelfs de grotere kinderen geen enkele notie van Engels of Russisch hebben, wat betekent dat ze helemaal niet naar school gaan.

Op het einde van de vallei komen we in een lager gelegen vlakte. De eigenlijke hoofdweg is door de hevige regenval van de laatste tijd te erg beschadigd, en we moeten de ‘gemakkelijke’ zuidelijke weg omheen een groot meer nemen, nog zo´n honderd kilometer lang, voor vandaag, en dan nog eens hetzelfde morgen. De weg wordt er moeilijker, want vaak gelegen in een soort rivierbedding met grindputten en rolkeien. Die rivierbedding moet je niet als iets dieps voorstellen, maar eerder als een iets lager gelegen geul, waarlangs het overtollige regenwater nu en dan met grote snelheid doorheen gutst, en alle los zand meesleurt, waardoor je opeenhoping krijgt van keien, en wat verder van veel los zand. Maar het grootste probleem zijn de zwermen paardenvliegen en muggen, die ons door onze lage snelheid gemakkelijk kunnen bijhouden en ambeteren. Het duurt dan ook niet lang voor enkele muggen er in slagen mijn helm in te dringen en mij te steken. De doodsteek van dit off-road avontuur wordt wel geleverd door een lange zandbak, waar Frits, Udo en ik een paar minuten zandballet demonstreren, maar dan uitgeput en onbeschadigd besluiten dat het welletjes is geweest. Het is een goede beslissing, want de honderd kilometer van vandaag moesten nog komen. We hebben immers enkel nog maar het stuk weg afgelegd dat we gisteravond in het donker hadden moeten afleggen. Dit betekent ook dat het de bedoeling was geweest om hier dan nog ‘s nachts om middernacht een kampement op te slaan in dit muggen en horzel paradijs. Mijn vertrouwen in de gids- en leider-capaciteiten van onze Mongoolse begeleiders is dan ook totaal zoek. 

We keren allemaal terug van waar we kwamen, dus ongeveer zestig kilometer terug. Voordeel van het terugkeren langs dezelfde weg is dat je weer heel andere uitzichten hebt, en zaken ziet die je voorheen niet gezien had.

Zo komen we uiteindelijk langsheen een prachtig meer dat ons helemaal niet opgevallen was bij het heenrijden. We stoppen er, en maken er een foto van de hele groep op de motor.

Ondertussen maakt de gids nog een koffie, waarbij we wat kunnen bekomen van de lastige rit van vandaag.

We stappen weer op, en tien minuten later rijden we op echt mooi asfalt zuidwaarts naar Ulgii. Het wordt de koninginnenrit van de dag, en misschien zelfs van de week, want we kunnen hier van op een meestal kaarsrecht zwart biljartlaken volledig opgaan in het onmetelijke landschap. We rijden zeventig kilometer, een afstand welke je bijna niet kunt waarnemen op de landkaart van het uitgestrekte Mongolië.

Omstreeks 18u30 komen we dronken van tevredenheid aan in Ulgii, op 1750 meter, na deze bij wijlen toch lastige dag, en bovendien uitgelaten dat er geen valpartijen waren, en dat deze de komende week ook niet meer zullen te verwachten zijn. Net vóór het stadje stappen we af in een gloednieuw gers-kamp (yoertkamp), met prachtige sanitaire voorzieningen. Hopelijk dat het allemaal de komende jaren goed blijft functioneren. We nemen onze intrek in twee yoerts, douchen, en rijden dan met de auto mee naar het centrum van Ulgii, waar we gaan dineren in een ‘Turks’ restaurant.

 

Dag 117 (Woensdag 24 juli 2019):

Ulgii (MN) – Tolbo (MN)

Midden de nacht worden we opgeschrikt door gehuil, gebral en gelal van een dronken man. Een auto rijdt enkele malen aan grote snelheid doorheen het yoertkamp. Na een tijdje houdt het gehuil op en kunnen we verder slapen.

Bij het ontbijt krijgen we te horen dat de broer van de eigenaar van het kamp hier ook nog woont, en deze nacht uit de bol is gegaan. (Hij is misschien mede eigenaar van de grond?) Hij heeft een alcoholprobleem… De eigenaar zit er erg verveeld mee.

Vandaag begint een driedaags festival te vergelijken met het Naadam festival begin juli in Ulaan Bataar. Er worden competities gehouden in vijf disciplines: worstelen, boogschieten, paardenrennen, jacht met de arend, paarden heffen. We rijden er heen en komen terecht in een tien kilometer lange file, welke we met onze motoren voorzichtig voorbijsteken.

Het is zoals met vele festivals en feesten, je ziet meer van de festivalgangers dan van het festival zelf.

Ik zie enkele flitsen van het worstelen, maar kan het eigenlijke complete gevecht niet volgen door de massa mensen vóór mij.

Ik loop dan maar wat rond tussen de massa mensen en yoerts en kraampjes, en geef mijn ogen en mijn cameralens de kost.

Nu en dan vallen enkele druppels regen.

Ondertussen hebben onze begeleiders eten gekookt voor ons: rijst, vlees, aardappelen en groenten. Het is ook wat meer beginnen regenen, maar dat gaat gelukkig weer over. Onmiddellijk daarna vertrekken we, tevreden dat we even kunnen proeven hebben van dit voor ons toch bijzondere gebeuren. Twintig kilometer verder rijden we een honderdtal ruiters voorbij die op hun gemakje zuidwaarts rijden in de vlakte naast de weg. Een jongen wordt afgegooid van zijn paard, en het paard rent alleen verder.

We stoppen om een foto te nemen, en zien de ganse bende ook stoppen, omkeren, en ineens volle bak noordwaarts rijden, terug richting festivalweide. Onverwachts maken we hier de start mee van de paardenrennen die bij dit festival horen. De ruiters dienen nu zo snel mogelijk de 22 kilometer naar de finish af te leggen. De winnaar krijgt een terreinwagen.

Ik heb de start mooi op film kunnen vastleggen.

Video Start paardenrennen Naadam Ulgii

We rijden weer verder. Het is nog steeds koud, maar het regent niet meer. We komen aan een groot meer, het Tolbo Nuur, met een gerskamp net naast het strand. Een paar oude toiletgebouwtjes staan als relieken aan de ingang van het kamp.

We betrekken ditmaal twee blokhutten. Er is net een trouwfeest aan de gang. De grootvader van de bruid komt met ons kennismaken, en gaat met ons op de foto. De meeste mensen welke in dit deel van Mongolië wonen zijn Kazachen, en spreken vaak vlot Russisch.

Udo en ik bekijken de mogelijkheden voor de reis voor de komende week, om straks alles met Dirkjan, Frits en de gids te bespreken, en afspraken te maken. Ondertussen zitten we aan de koffie en de koekjes.

Dan gaan we nog even de hort op, eerst langsheen het mooie meer. Er staat een hevige frisse wind, en die zorgt voor een echte branding.

Nu en dan vallen enkele druppels. Wat verder staat een groot beeld van een arend die een beer aanvalt. Misschien is dit een allegorie op de overwinning van  Mongolië op Rusland.

De vader van de bruid komt weer naar ons met zijn vrouw en zijn schoonbroer. Ook zij moeten met ons op de foto. Hijzelf is reeds serieus beschonken, en wil ook nog een wodka met ons delen, wat wij beleefd afwijzen.

Het diner vindt plaats in een yoert. We eten Chinese noedels met groenten en vlees. Ondertussen hangt de vader van de bruid voortdurend rond ons: Hij komt af met een hele fles wodka. Opnieuw weigeren we, waarna hij afdruipt, maar even later terugkomt met een enorme  schotel mooi schapenvlees, dat nog over is van het trouwfeest. Ditmaal weigeren we niet, en doen ons tegoed aan het lekkere vlees. Het is nog puur natuur, niet gezouten, niet gekruid: toch heel bijzonder, en Mongolië op zijn best.

Frits komt nog even bij ons zitten, en deelt een biertje met Udo. Ik drink nog een theetje. Daarna werk ik mijn blog nog wat bij en gaan we slapen.

 

Dag 118 (Donderdag 25 juli 2019):

Tolbo (MN) – Khovd (MN)

Ik word rond twee uur wakker. Ik heb het te warm. Dat komt door die overdadige maaltijd van vorige avond. Ik slaag erin om snel weer in slaap te raken, en word dan weer wakker om vijf uur. Nu heb ik het te koud. En het is echt zó koud dat ik geen zin heb om op te staan. Even na zeven staan we dan beiden toch op, drinken een zelfgemaakte koffie, en maken ons klaar om tegen achten te gaan ontbijten.

Het is buiten maar tien graden. Het restaurant is maar vijftig meter verder. We krijgen er melk met rijst en wat oudbakken brood, en een zakje drie-in-één koffiepoeder. De rijstemelk is dan ook nog eens gezouten. Ik kap alles samen tot een zoet lichtbruin goedje, en lepel het naar binnen, soppend met een stuk brood.

De weg gaat vandaag zuidoostwaarts. We blijven een grote open vlakte volgen. Tweemaal moeten we een pas oversteken om in een andere hoogvlakte te raken. Het grootste deel van de weg is gloednieuw geasfalteerd. Een paar korte stukken zijn nog niet afgewerkt, zodat we daar op onverharde ondergrond moeten rijden. Gelukkig regent het niet. De temperatuur stijgt geleidelijk van 10 graden tot een stuk boven de twintig, maar er blijft heel wat wind.

De bergen zijn afgesleten en afgerond door de erosie. Alle brokken en zand welke hierbij losgekomen zijn hebben de valleien opgevuld, een soort steppe hoogland vormend, waar geen landbouw mogelijk is. Nu en dan zien we in de verte toch hogere bergformaties, bedekt door sneeuw.

De dag afstand vandaag is beperkt: niet eens 200 kilometer. We stoppen onderweg voor een uitgebreide koffiepauze, waarbij onze gidsen zorgen voor heet water voor de koffie.

Onderweg zien we de typische stapeltjes waar iedereen die passeert er het zijne aan toevoegt, en er ondertussen een gebedje prevelt en er natuurlijk een wens aan koppelt: waarvoor bid je anders?

De weg is eindeloos prachtig.

We komen in Khovd aan omstreeks drie uur. Het stadje heeft de tweede helft van vorige eeuw duidelijk Sovjetinvloeden ondergaan. Er wonen nu zo’n 30000 mensen, deels in de honderden yoerts die aan de rand van de stad opgesteld zijn. Het hotel is een oud opgelapt ding. Internet wordt met een grote affiche aangeboden, maar werkt niet. Blijkt dat de factuur voor de internetaansluiting niet is betaald. Ik por onze gids aan om te onderhandelen over de prijs, maar dat is blijkbaar niet zijn grootste capaciteit. Dan doe ik dat zelf maar, en bekom even later van de receptioniste dat we 25 percent korting krijgen indien het internet niet werkt.

We gaan wandelen en eten. Naast het hotel staat een ietwat vervallen theater.

Bij onze terugkeer in het hotel werkt het internet. Die factuur is snel betaald!

Dan nog een wandeling langsheen het centrale plein van het stadje, waar kinderen spelen, en waar kinderfietsjes en autootjes verhuurd worden.

Het plein is omzoomd door Sovjet-like gebouwen, het één al wat meer belabberd dan het andere. Ik hoop dat ze toch eens werk maken van de restauratie, want dit erfgoed mag niet verloren gaan.

In het hotel is een groep toeristen aangekomen in een UAZ minibusje. Het zijn Oostenrijkers, begeleid door Zaya, een Mongools journaliste die al twintig jaar in Wenen woont. Zij bewonderen onze moto´s; ik bewonder hun legendarisch vierwiel aangedreven busje van Russische makelij, waarmee ze in dit land overal geraken, tot in de verste uithoeken.

´s Avonds hebben we nog een gans gesprek met Zaya (Uranzaya). Ze geeft ons heel wat nuttige tips voor de komende dagen op weg naar Ulaan Bataar, en helpt ons een overnachting te boeken in een goed gerskamp.

Ze regelt ook een voorverpakt ontbijt voor morgenvroeg, zodat we morgen eerder kunnen vertrekken voor een lange rit. Het duurt wel een hele tijd vooraleer het ontbijtpakket klaar is, en we uiteindelijk kunnen gaan slapen.

 

Dag 119 (Vrijdag 26 juli 2019):

Khovd (MN) – Altaj (MN)

Ik sta om vijf uur op en probeer zo goed en zo kwaad als mogelijk, Udo slaapt immers nog en het is donker in de kamer, onze wedervaren van de vorige dag letter voor letter op het scherm te krijgen. Ik kijk naar buiten: het is zacht aan het regenen.

Ik maak koffie klaar en we ontbijten op de kamer. We trekken de regenpakken aan, laden de bagage op de motor, en vertrekken omstreeks acht uur. Het is tien graden. Zachtjes aan begint het minder te regenen, en de temperatuur stijgt zachtjes tot twintig graden. Het is mooi en makkelijk rijden, maar de zichtbaarheid van het landschap is enigszins beperkt omdat de vlakte erg breed is, en de bergen in wolken en mist gehuld zijn.

We zien de typisch Aziatische kamelen met twee bulten. Er lopen er niet veel meer van rond.

We maken vandaag een grote verplaatsing van 430km. We stoppen even onderweg om de benen uit te slaan, en rijden dan weer verder. De aangename temperatuur en het mooie wegdek zorgen voor ontspannend rijden.

We tanken even voor halverwege in Darvi, en gaan dan wat drinken en eten in een moderne cafetaria verderop, want het waait teveel om dat onderweg te doen.

Terwijl ik daar op het gemakje aan de koffie met een koekje zit, en de anderen iets uitgebreider lunchen, barst buiten een onweer los.

We wachten tot het onweer overgetrokken is. Buiten staan overal plassen water. Kleine ondiepe maar brede riviertjes hebben zich op het woestijnoppervlak gevormd. Je zou verwachten dat al dat losse zand onbeperkt water kan opslorpen, maar dat blijkt niet zo. Onder de losse bovengrond zit een harde ondoordringbare korst klei en stenen.

Na een kwartiertje rijden treffen we hagelsneeuw aan op de weg. Er is nog gelukkig voldoende weg vrij waar andere voertuigen het witte goedje platgedrukt en doen smelten hebben. We rijden een hele tijd achter het onweer aan. Ik ruik regelmatig de ozon die door het onweer gevormd wordt.

Video Sneeuwhagel

We komen weer een sneeuwzone tegen op de weg, dikker ditmaal, en de ganse breedte van de weg bedekkend. We vertragen en gaan er voorzichtig overheen. De temperatuur daalt al snel tot vijf graden. Maar ook daar raken we veilig doorheen met onze M+S banden, temeer daar de ondergrond niet bevroren is.

De onweerszones lijken nu even weg. We stoppen voor een koffie met wind, koekjes en zand.

Terug de motor op. De weg is wat verder onderbroken, omdat de pijler onder een brug is weggespoeld, en de brug is ingezakt. We moeten de weg af, steken het riviertje over, wat op zichzelf niet veel voorstelt, en moeten dan weer naar boven. Frits rijdt voorop. Ik volg. Mijn achterwiel heeft plots geen grip meer in het losse zand. Ik glij naar achter, en de motor kantelt. Met wat hulp trek ik de motor weer recht, en met wat meer moeite trekt de motor zich door het mulle zand naar boven.

Video Valpartij

De perikelen zijn niet voorbij. De wind doet het zand opwaaien, en we moeten doorheen een kleine zandstorm de weg verderzetten. Maar we raken vooruit, en naderen stilaan onze eindbestemming.

We passeren een vliegveld. Altaj, een stadje van een paar tienduizend inwoners, ligt er net achter. Onze gidsen loodsen ons naar een hotel, net voorbij een ander, dat mij heel wat aantrekkelijker leek. Terwijl onze gidsen onderhandelen, gaat Dirkjan eens even vragen of er plaats is in het andere hotel. En ja hoor.  We nemen onze intrek in het mooiere Hotel Entum, en kunnen even later wat gaan eten. Door onze verplaatsing naar het Oosten is ook de klok met een uur verschoven. Het is omstreeks elf uur wanneer we gaan slapen.

 

Dag 120 (Zaterdag 27 juli 2019):

Altaj (MN) – Bayankonghor (MN)

Ik word slechts laat wakker, 6u30 lokale tijd. De klok is een uur opgeschoven. Rap nog iets op de blog zetten, bij een zelfgemaakte koffietje.  De details volgen later wel.

Om halfacht kunnen we ontbijten, maar dat ontbijt stelt niet enkel bijna niks voor, we moeten bovendien zo lang op koffie of thee wachten, dat we ondertussen de nogal erg afgemeten porties op het bord reeds binnen hebben. We stappen dan maar op zonder koffie of thee, want er staat ons weer een lange rit te wachten van bijna 400 km. Kortere ritten kunnen niet, want de steden en overnachtingsmogelijkheden liggen te ver uit elkaar.

Eerst rijden we over een prachtige weg, maar het is koud en het motregent. Het is maar zes graden. We zien hier en daar zoutmeertjes.

De temperatuur loopt zachtjes op, en de regen blijft achterwege. We stoppen even aan een cafeetje, waar wel een en ander te bekijken valt.

Binnenin is er een café en een winkel. De koffie wordt klaargemaakt op de toog van de winkel.

Na tweehonderd kilometer is er ineens geen asfalt meer. De nieuwe geplande weg is nog niet tot hier aangelegd, en er wacht ons een etappe van 130 km over iets wat nauwelijks een weg kan genoemd worden. Auto’s en vrachtwagens hebben in de loop der jaren sporen getrokken door het landschap, kriskras door elkaar.

Hierover werd nu en dan wat grind uitgestrooid om de ergste putten op te vullen. Gelukkige blijft het droog, en komen we nauwelijks boven de twintig graden uit. Sommige vlaktes zijn groener dan de andere, en worden dan ook meer begraasd door kudden schapen en geiten, paarden, runderen.

Na 80 kilometer hobbelen en rammelen komen we aan een cafeetje waar drie motoren staan: twee Duitsers en een Zwitser. Zij rijden in de tegenovergestelde richting. Het asfalt is er pas over nog eens 80 kilometer, weet de Duitser te vertellen.

We stappen na de koffie weer op. Wat verder staan twee motoren midden op de piste; het is een Duits koppel, elk op een BMW 650GS.

Ze sliepen vorige nacht in hetzelfde hotel als wij, zonder dat we van elkaar wisten. Hun motoren stonden in de ondergrondse garage. Ze gaan dezelfde richting uit als wij. We babbelen wat en zetten de reis weer verder. We zijn blij dat die Duitser aan het cafeetje niet goed tellen kan, want we bereiken het asfalt reeds na vijftig kilometer in Buutsagaan. Vanaf hier is er gloednieuw asfalt, wat ons opnieuw toelaat wat van het landschap te aanschouwen. Volgens onze gids komt er nog een moeilijk stuk van vijfendertig kilometer. Maar terwijl hij dit vertelt is de weg ondertussen reeds nieuw aangelegd, en bereiken we Bayankonghor vroeger dan verwacht.  

Er is echter een festival aan de gang in Bayankonghor: ook een soort Naadamfeesten. Die worden dus in gans Mongolië op verschillende tijdstippen gehouden, zodat de kampioenen zich overal eens kunnen laten zien. Hierdoor zijn de hotels echter overvol, en die zijn er al niet in overvloed. Terwijl de anderen wachten rij ik de hotels één voor één af, maar zonder succes. Er zijn hier blijkbaar meer benzinestations dan hotelbedden. Onze gids stelt voor om te overnachten in een yoert. Hij belt wat rond en vindt een kamp waar nog één yoert beschikbaar is voor vier personen.

In het kamp krijgen we een goede maaltijd aangeboden. Het wordt vervolgens weer een nacht op een harde plank. Ik installeer mij zo goed en zo kwaad als mogelijk, en maak van een overtollig deken een rol om onder de knieholten te plaatsen. In de yoert naast ons gaan ze aan het zingen tot een gat in de nacht. Ik hoor het al niet meer.

 

Dag 121 (Zondag 28 juli 2019):

Bayankonghor (MN) – Khogon Khan (MN)

Ik heb redelijk goed geslapen, ondanks het harde bed, maar ben al om vijf uur wakker. Ik ga naar buiten. De toiletten zijn alweer op slot. Je kunt alvast één ding zeggen van de Mongolen: ze zijn helemaal niet klantgericht, en denken dat zakendoen enkel een kwestie is van je hand openhouden om het geld in ontvangst te nemen. Mongolië is een uitgestrekt land; de inwoners trekken naar de steden voor een beter bestaan; ze komen van ver en hebben een nog grotere afstand af te leggen, en dat zal moeten starten met onderwijs.

We ontbijten ´s morgens in de yoert zelf. Onze gidsen bakken wat eieren en warmen water op voor de koffie. Het is moeilijk communiceren met de twee mannen. Ze zijn erg vriendelijke en gewillig, maar spreken nauwelijks Engels, begrijpen het ook niet goed, waardoor er voortdurend misverstanden zijn, gelukkig niets ernstig.

Het is alweer fris, maar toch meer dan tien graden. De extra warme kledij kan dus in de koffer blijven. Er ontbreekt alweer een stuk van de weg, waardoor we over geïmproviseerde pistes moeten rijden, maar gelukkig is dit slecht over een traject van minder dan tien kilometer. Het asfalt waar we vandaag over rijden is al ernstig beschadigd ondanks dat het meestal maar enkele jaren oud is. Redenen hiervoor zijn de extreme weeromstandigheden in de winter, maar vooral ook de ondermaatse kwaliteit. Er zijn veel gaten en verzakkingen, wat niet te verwonderen is als je slechts drie centimeter asfalt plaatst op los zand, en daarna toelaat dat er zware motoren zoals de onze over rijden.

Bij een stop in een wegrestaurantje vertelt Dirkjan dat één van zijn achterwielspaken losgekomen is, vermoedelijk na een al te enthousiaste passage doorheen de hobbeltuin gisteren. Hij toont de afgebroken spaakmoer, welke gemaakt is van bros messing, en een veel te dunne kraag heeft.

We rijden verder, iets trager, iets voorzichtiger, maar bij een volgende stop blijkt ook een tweede spaak los te zitten. De andere spaken zitten gelukkig nog stevig vast, wat kan gecontroleerd te worden door ze even aan te tikken en ze zo te laten zingen.

Eventjes dreigt nog een onweer.

Onderweg passeren we voorbij een enorme Boeddhistische tempel, in het teken van de paarden die in het verleden een kampioenschap wonnen bij de paardenrennen.

Een twintigtal paarden wordt er in volle glorie en op meer dan ware grootte uitgebeeld. Een paar Boeddha´s slaan de paarden onverstoord gade.

De weg wordt steeds slechter, maar het blijft asfalt; wel nog spek voor de bek van mijn Transalpje, maar niet meer voor dat van Dirkjan. Aan een grote splitsing slaan we oostwaarts af, steken een soort zandduinenwoestijn over van enkele kilometers, en gaan dan van het asfalt af, over een soort karrenspoor, naar het yoertkamp tien kilometer noordwaarts.

Het kamp is erg mooi gelegen, aan het uiteinde van een glooiende steppevlakte, net tegen een hoge verweerde bergwand aan. Tientallen yoerts staan er verspreid omheen een grote blokhut, waarin een restaurant en een salon met grote comfortabele zetels in ondergebracht zijn. Als alles meevalt blijven we hier drie nachten.

We nemen afscheid van de twee gidsen.

Het kamp is druk bezocht, ditmaal uitsluitend door toeristen, die hier geraakt zijn met vierwiel aangedreven voertuigen. Rond 8 uur gaan we dineren: een Russische salade, gevolgd door rijst, vlees en groenten, en een toetje. De nacht brengt genade.

 

Dag 122 (Maandag 29 juli 2019):

Vrije dag in Khogon Khan (MN)

Ik word ’s nachts vele malen wakker door de wind en de regen. Ik hoor hier en daar druppels vallen binnenin de yourt en sta op om te checken of er toch geen water terecht komt op onze elektronische apparatuur. ’s Morgens is het nog steeds aan het regenen. Het is eerder fris, en ik blijf dan maar wat draaiend en kerend zo lang mogelijk in bed liggen.

Ik ga mij douchen onder enkele fijne straaltjes lauwwarm water, en ga dan om acht uur ontbijten samen met de andere bendeleden. We bespreken de technische problemen aan Dirkjan´s motor. Ofwel rijdt hij er voorzichtig mee verder, ofwel laat hij de spaken eerst vervangen, wat natuurlijk een hele logistieke organisatie vergt, maar geen zekerheid van succes op korte termijn. Vraag is dan wel hoelang we hier in Mongolië redelijkerwijze willen wachten op een reddingsoperatie die nog moet in gang gestoken worden. We zitten hier echter nog twee dagen ver van alles en met slechts nu en dan internet. Dirkjan beslist om eerst een dagje te rusten.

Ik installeer mij in het salon en tracht de blog bij te werken, wat aardig lukt. Als we dan even later toch internetverbinding krijgen zet ik mijn verslag online, en bekomt Dirkjan het advies van zijn broer, die een motorenbedrijf heeft, dat hij gerust kan verder rijden tot Ulaan Bataar. Dan zien we later wel wat Dirkjan met dit advies zal doen.

Het regent nog steeds met tussenpozen. Omstreeks 13 uur lunchen we in het restaurant. De bazin vertelt ons dat er deze avond 90 man verwacht wordt en dat het dus erg druk kan worden. Met andere woorden: wie warm wil douchen moet dit doen vóór die massa toestuikt. Het warm water wordt elektrisch opgewekt, en de elektriciteit komt van een generator die honderd meter verder opgesteld is, maar tot hier duidelijk hoorbaar is wanneer hij draait. Meestal draait hij niet…

Na de lunch is het regenen gestopt en bekijken we de motoren: olie, ketting, ophanging, banden. Udo gaat ondertussen nog een wandeling maken in de omgeving.

De rest van de dag wordt gevuld met zalig niksen, foto’s toevoegen aan de blog, een werkje waarmee ik meer dan een maand achterop hink, maar er in slaag een paar weken achterstand goed te maken. Het opladen op internet zal pas kunnen met een goede netwerkverbinding.

Het netwerk laat vermoedelijk slechts een bepaald aantal gebruikers toe, want door de grote toeloop aan gasten raak ik niet meer op het net.

Rond tien uur ga ik slapen.

 

Dag 123 (Dinsdag 30 juli 2019):

Vrije dag in Khogon Khan (MN)

Ik heb een slechte nacht gehad, maar heb dan toch enkele uren kunnen slapen in vroege ochtend. Ik ga iets vroeger ontbijten, om de bende vóór te zijn die even later op het ontbijtbuffet afstormt. Dirkjan heeft dan toch heel wat tijd nodig gehad om zijn motor te laden, want ik zie hem nog net wegrijden naar Ulaan Bataar.

Tijdens het ontbijt besluiten we om vandaag toch niet te rijden naar Kharkhorin. Het is een rit van bijna 200km naar de vroegere hoofdstad van Mongolië. De echt waardevolle stukken zijn toch overgebracht naar het museum in Ulaanbaatar. Na het ontbijt gaan we alle drie samen de bandenspanning van de motoren controleren. Dat was nodig, want we moeten overal wat bijvullen.

Ik bespreek met Frits het tijdsschema en de route van de komende weken.

Vandaag zal het helemaal niet meer regenen. Er hangt nog wel veel vocht in de lucht, waardoor de zon nauwelijks doordringt. Daardoor hangt er ook een mist over het land, die het zicht op de heuvels in de buurt grotendeels verbergt.

Na het middagmaal ga ik met Udo een wandeling maken in het rots gebied ten Noorden van het kamp.

Die rotsen bestaan niet uit hard gesteente, maar uit een conglomeraat van zand, klei, en hele kleine harde brokjes steen. Je kunt de rots met je nagels afkrabben en vervolgens verpulveren tussen je vingers. Geen wonder dat er hier zo een sterke erosie is: In de winter zuigt het oppervlak zich vol water en springt vervolgens uiteen bij vriesweer. Binnen afzienbare tijd bestaat Mongolië nog enkel uit heuvels van zand.

Wanneer we bovenop een rots staan krijgt Udo plots een telefoontje van zijn zus. Zijn vader is gisteravond overleden op 94-jarige leeftijd. Hij was reeds lang ziek, en het overlijden was niet onverwacht. Na de wandeling zondert Udo zich enige tijd af. Ondertussen doe ik zelf wat kleine reparaties aan de kabels en snelbinders waarmee ik mijn bagage fixeer op de moto.

Omstreeks 17u laat Dirkjan weten dat hij veilig aangekomen is in het hotel in Ulaanbaatar. Hopelijk vindt hij snel een oplossing.

De avond verloopt rustig. Er zijn deze avond heel wat minder gasten. We profiteren van de luwte om nu al met de bazin af te rekenen. Zij spreekt vlot Duits.

Het is opmerkelijk hoe taalvaardig de meeste Mongoolse gidsen zijn; Frans, Engels, Duits of Chinees. Wat een verschil met het stel dat wíj ter beschikking kregen.

 

Dag 124 (Woensdag 31 juli 2019):

Khogon Khan (MN) – Ulaanbataar (MN)

Om zeven uur maak ik Udo wakker, en starten we met het opruimen en laden van de motoren, die zo een tweehonderd meter verder op de parking staan.

We ontbijten op het gemak en verlaten het yoertkamp. Het is nog steeds mistig, en de heuvels in de buurt zijn nauwelijks zichtbaar. De eerste tien kilometers zijn lastig, maar we hebben toch een mooi uitzicht op het duinengebied dat zich gevormd heeft door het spel van de wind, welke nu en dan heel heftig kan tekeer gaan. Naast de duinen stroomt het water doorheen iets wat je nauwelijks een rivier kan noemen, afgeboord met sappig groen gras. Het is lastig rijden, want hier en daar en onverwacht doorheen het losse zand. We zijn opgelucht om na tien kilometer de asfaltweg te bereiken. Dit was hopelijk het laatste echte off-road avontuur van deze reis, behalve misschien hier en daar nog eens een kleine omleiding wegens wegenwerken.

Bij de koffiestop komt daar plots het Duitse koppel aanzetten dat we enkele dagen terug tegenkwamen. Ze zijn al onderweg sedert oktober, en maken een wereldreis welke misschien wel twee jaar zal duren. We drinken samen een koffie en nemen dan alweer afscheid. De Zijderoute is er ook een van vluchtige ontmoetingen.

Het blijft redelijk mistig, en we rijden doorheen brede grasvlaktes, zodat we slechts in beperkte mate van het landschap kunnen genieten, dat zich anders scherp tegen de horizonten aftekent. Hoe groener het landschap echter, hoe meer vee je er aantreft, en dat is er wel heel wat. Naarmate we de hoofdstad naderen zien we ook meer en meer vrachtwagens beladen met schapen, paarden, en runderen, die vermoedelijk de komende dagen op het bord van de inwoners van de hoofdstad zullen belanden. Ik liet mij vertellen dat het vooral oude dieren zijn die verbruikt worden. Het lijkt mij toch enigszins onwaarschijnlijk dat men al die dieren gewoon jarenlang in leven houdt zonder dat ze op één of andere manier opbrengen, hetzij via de wol, hetzij via de melk.

Ulaanbataar is een totale tegenpool van de rest van het land: er is druk verkeer, het is broeierig warm zonder wind, en de files zijn enorm. Gelukkig zijn de Mongolen toch redelijk bedaarde chauffeurs. Het kost ons wel een uur om het hotel te bereiken, maar we worden dan ook beloond met mooie comfortabele kamers, voor het eerst in weken.

Het hotel is gelegen op de hoek van een sloppenwijk. In de buurt rijzen hier en daar reeds hoge nieuwe gebouwen op. De komende jaren zullen al de krotten uit de buurt geleidelijk plaats moeten maken voor nieuwbouw, en wordt dit wellicht een trendy buurt, prachtig gelegen naast het enorme boeddhistische tempelcomplex. Ik start met mijn vuile bestofte en bezwete kleren te laten weken, om ze dan deze avond uit te wassen. Het hotel heeft geen ‘laundry service’.

’s Avonds gaan we eten in de Holiday Inn een kilometer verder. Ik bestel een slaatje en een pasta, wat veel te veel blijkt te zijn, en voor een deel in mijn bord blijft liggen. Maar het heeft toch gesmaakt! Ze verkopen hier ook Colombiaanse koffie, maar daarvoor is het vandaag te laat.

Dan de was en de plas, internetten, en slapen.

 

Dag 125 (Donderdag 1 augustus 2019):

Vrije dag in Ulaanbataar (MN)

Het ontbijt laat wat op zich wachten. Alles wordt op voorhand, en voor iedereen tegelijkertijd, klaargemaakt. Het is erg afgemeten en eerder karig. Wanneer ik nog wat brood en marmelade bij vraag word ik toch erg vriendelijk en royaal bediend.

Dirkjan bestelt een set spaken in Nederland. Deze zullen afgeleverd worden in Omsk, 3000km verderop in Rusland, en op onze terugweg. Hij gaat seffens op zoek naar een tijdelijke oplossing voor de gebroken spaken, waarmee hij dan toch in Omsk kan geraken.

Udo en ik gaan de stad bezoeken, hetgeen Frits nog niet ziet zitten met zijn pijnlijke enkel, welke een maand geleden bij een val gekneld raakte. We brengen eerst een bezoek aan het enorme tempelcomplex niet ver van het hotel, gelegen te midden van de sloppenwijken.

Er is één centrale grote tempel, met daarin een gouden Boeddha van wel tien meter hoog, waarvan het hoofd bijna tot het nok reikt.

De vier wanden van de tempel zijn bekleed met glazen vitrines waar honderden bijna identieke poppen zijn opgesteld, welke monniken in zithouding voorstellen.

Er is veel volk, waarvan de helft Westerse toeristen. Ze maken een rondgang rond de Boeddha, waarbij ze alle koperen gebedsmolentjes met de hand laten draaien, en aldus een gebed opzeggen, waarvan ze de woorden en de betekenis niet weten. Op de rest van de site staan nog tientallen gebouwen en monumenten, kloosters en tempels.

Alles lijkt nog in gebruik, en tientallen monniken, van erg jong tot middelbare leeftijd, lopen her en der rond, kaalgeschoren en in typische rode of oranje gewaden.

Vervolgens wandelen we door de drukke stad. Toeristen zie je hier quasi niet meer. Om even uit te rusten stappen we een mooie tearoom binnen voor koffie en lekkere kaastaart. Dan weer op stap. We zijn nu aanbeland in het echte centrum van de stad.

We brengen een bezoek aan het Nationaal Museum. Hier treffen we wel weer wat Westerse toeristen aan, hangend rond een gids. Buiten de klassieke archeologische vondsten, die overal ter wereld wel veel gelijkenissen vertonen, zijn er dan toch de typisch Mongoolse klederdrachten die de aandacht trekken. Wanneer de elektriciteit plots uitvalt wordt iedereen naar beneden geleid, waarna we beslissen dat we reeds genoeg gezien hebben.

We stappen naar het centrale plein van de stad, met parlement, theater, en nog een aantal gebouwen welke typisch geschoeid zijn op Sovjet leest. De steden in Mongolië typeren de culturele armoede van Mongolië: alles, met uitzondering van hun nomadenleven, is geroofd, gekopieerd of geïmporteerd. Dit is makkelijk te bergrijpen. Kinderen hebben gedurende duizenden jaren enkele de beperkte kennis van hun eigen ouders kunnen overnemen, en niet van professionals in een meer complexe samenleving.

Van hieruit zie je ook de skyline van Ulaan Bataar, nog redelijk beperkt, maar toch in volle expansie.

We brengen een bezoek aan Gobi World #1 Cashmere Coat Company, een luxueuze shop waar prachtige kasjmier kledij verkocht wordt, gemaakt met de fijne zachte soepele wol van jonge Kasjmir geiten, welke oorspronkelijk afkomstig zijn van Kasjmir, gelegen in Indië, Pakistan en Zuid China. Het is een leuke ervaring om met de handen eens langs al die extreem zachte kledij te strijken.

Dan om drie uur langsheen de toch kleurrijke sloppenwijk terug naar het hotel, waar we even rusten na de vermoeiende wandeling.

Samen met Frits trekken we dan opnieuw naar de Holiday Inn, waar ze lekkere koffie hebben.

Dirkjan komt omstreeks 19u terug op motor. Men heeft er een kapotte spaak kunnen versteken, zodat de druk toch verdeeld blijft. Toch is dit maar een heel tijdelijke oplossing. Ook zijn er problemen vastgesteld aan twee andere spaken, maar ook tijdelijk opgelost. Dit wiel zal zeker verder problemen blijven geven, tenzij alle spaken en vooral de nippels vervangen worden, want die laatste breken af en zijn duidelijk van ondermaatse kwaliteit. Hij besluit om toch verder te rijden, en hoopt dan Rusland te bereiken, waar toch meer technische mogelijkheden voorhanden zijn.

We gaan dan samen eten, alweer in de Holiday Inn, waar alweer een kinderverjaardagsfeestje plaatsvindt. Ik bestel wat minder vandaag, en slaag er maar nét in alles op te eten.

 

Dag 126 (Vrijdag 2 augustus 2019):

Ulaanbataar (MN) – Sukh Bataan (MN)

Na het ontbijt vertrekken we richting Rusland. Ik neem een deel van de bagage van Dirkjan mee op mijn motor, om zijn achterwiel toch enigszins te ontlasten. Het verlaten van de stad is alweer een hele opgave, want voor elk rood licht, en dat zijn er heel wat, staan lange files. Dan gaat het ineens snel, maar de afslag naar het Noorden is afgesloten, en we moeten een hele eind omrijden.

Dan komen we weer op de hoofdweg naar Rusland, en dat zullen we geweten hebben, want ook hier zijn grote wegenwerken aan de gang. Men heeft daarom naast de oude weg een ´nieuwe´ tijdelijke weg aangelegd, die binnen de kortste keren totaal kapotgereden werd. Daarom is men gewoon in de steppe ernaast beginnen rijden, met alweer verschillende sporen, het ene al beter berijdbaar dan het andere. Het komt er dus op aan het mooiste spoor te vinden, waar het minst lastig rijden is. We hebben echter al heel wat ervaring nu, en raken er probleemloos door. Natuurlijk is dit hobbelen en daveren geen goede zaak voor de motor van Dirkjan. Hij had net vóór de reis de motor laten voorzien van nieuwe wielen en nieuwe spaken, speciaal geschikt voor moeilijk terrein. Niet dus, hij heeft zich brol laten aansmeren. Op mijn eigen oude Transalpje zitten nog de originele spaken van Honda. Die geven geen krimp. Mijn motor heeft nochtans al heel veel meer afgezien dan die van Dirkjan, onder andere voor twee jaar in Amerika, waar we ook duizenden kilometers afgelegd hebben op dergelijke wegen.

De streek wordt weer iets heuvelachtiger, en ook veel groener. Het blijft de ganse dag wat mistig. Dat is reeds dagen zo.

We kunnen dus alweer niet optimaal het mooie landschap bewonderen. Maar gelukkig regent het niet, zodat we niet ook nog eens modder onder de wielen te verwerken krijgen. Er zijn hier enorme kudden schapen, maar ook veel runderen en paarden. Er is hier voldoende gras voorhanden.

De rit verloop dus heel wat trager dan gewoonlijk, maar verder probleemloos. Het is ook een hele eind rijden naar Sukh Bataan, op twintig kilometer van de Russische grens, waar we dan uiteindelijk op zoek gaan naar een hotel. Er zijn er wel, maar hebben hun glorietijd, net zoals de uitbaatsters, al een lange tijd achter de rug, waardoor ik dan maar telkens weer verder op zoek ga naar beters. Opeens heeft Udo een hotel gespot, met een grote min of meer afgesloten parking, waar de motoren onder het oog van een bewakingscamera kunnen staan. De jonge receptioniste spreekt enkel Mongools, maar maakt ons wel snel duidelijk met een fotoplakboek wat de prijs is voor een kamer, cash te betalen in Mongools munt. Dollars of Roebels wil (mag) ze niet aanvaarden. Ze aanvaardt enkel cash. Ik ben de enig die nog voldoende geld heeft om zijn eigen kamer te betalen, laat staan dat iemand voldoende heeft om alles voor de groep voor te schieten. Frits heeft helemaal niets meer, en gaat na enige tegenzin toch op zoek naar een ATM. Wij dringen ondertussen toch aan om te mogen betalen in Roebels, Dollars, of Euro´s. Er komt een man bij. Hij vindt een oplossing. We kunnen Roebels omwisselen in het supermarktje naast de deur. Frits komt ondertussen ook onverrichterzake terug.

Dirkjan komt met een nieuw probleem: hij wil enkel in een kamer met twee, omdat hij daar net genoeg geld voor heeft. Maar niemand wil een kamer met hem delen, zodat ik mij uiteindelijk opoffer om hem ter wille te zijn. Elkeen heeft zijn prioriteiten: de ene eten, snoep, drank, of prullen, de andere een comfortabele kamer en goede nachtrust. De sfeer in de groep is door de vermoeidheid na deze lastige dag, en door het aanslepend probleem van Dirkjan’s motor toch wat gespannen.

Dirkjan en ik douchen ons achtereenvolgens om het stof en zweet van het lijf te krijgen, trekken verse kleren aan, en gaan met Udo eten. Frits heeft wat in het supermarktje gekocht en blijft op zijn kamer. Hij heeft zijn buik vol van het Mongools eten. Onderweg zien we iets bijzonders. Een man gaat vóór zijn huis, aan de voordeur, te midden van zijn spelende jonge kinderen, starten met het opensnijden van een schaap, dat hij net gedood heeft. De kinderen hebben er nauwelijks oog voor; dagelijkse kost, letterlijk en figuurlijk.

Wij vinden even verder een restaurantje waar we eenvoudig kunnen eten: een slaatje, en vervolgens een enorme schotel met aardappelen, rijst, en heel veel mooi rundsvlees. Ik heb honger, doe mijn best, maar slaag er niet in de klus tot een goed einde te brengen.

We gaan slapen. Werken aan de blog is er vanavond niet meer bij.

 

Dag 127 (Zaterdag 3 augustus 2019):

Sukh Bataan (MN) – Ulan Ude (RU)

Ik ben vroeg wakker, maar kan nog niet opstaan, omdat ik mijn kamergenoot niet wil wakker maken. De blog blijft dus leeg.

We ontbijten erg summier in een ontbijtzaaltje: een klein bordje met een eitje, een klein sneetje brood, en worst, welke ik laat liggen.

We verlaten het stadje, langsheen de spoorweg en het enorme rangeerstation. Dit rangeerstation vormt de verbinding tussen en de Trans-Siberische spoorweg en Mongolië, en natuurlijk daardoor met China. Veel activiteit is er vanop de weg echter niet waar te nemen.

We bereiken al heel snel de Mongoolse grens, waar we heel vlot vooruitschuiven in een kleine file. Maar dan beginnen de problemen alweer: er is een probleem om de gegevens van de inreis in Mongolië te vinden: elke grenspost werkt anders. De beambte vindt een oplossing, maar doet dit blijkbaar niet naar behoren, want de papieren van Udo en Dirkjan raken verwisseld, en de collega’s maken dan vervolgens gedurende 1 uur problemen dat het niet klopt, tot dan uiteindelijk de vergissing ingezien wordt. Ondertussen is ook een Franse motard bij ons groepje aangesloten: een Franse gepensioneerde huisarts, Alain Charles, uit een klein dorpje tegen Nîmes, ook op een Honda Transalp, en welke we reeds ontmoetten in Dushanbe, een maand terug.

We mogen dan uiteindelijk Mongolië verlaten, en rijden de Russische grenspost binnen. Daar gaat het alweer tergend traag vooruit. Wat een klungelaars. Een vriendelijke hoger beambte met drie sterren heeft in de gaten dat de file te lang wordt, en besluit om zelf een handje toe te steken. Om alles ‘vlotter’ te laten lopen pikt hij ons, motards, er uit om naar zijn bureau in het centrale gebouw te gaan om alle papieren in orde te brengen. Hij moet echter zijn eigen PC nog opstarten, wat eindeloos duurt, waarvoor hij zich voortdurend excuseert. Maar dan beginnen computerproblemen op te duiken, die al gauw de ganse Russische grenszone lam legt. Dit duurt uren.

Ik krijg uiteindelijk toch mijn papieren, en moet vervolgens de bagage laten controleren. De twee jonge douaniers willen dat álles opengemaakt wordt. Ze vragen of ik drugs of wapens bijheb. Dan vraagt men of ik Tramadol bij heb. Ik antwoord naar waarheid dat ik enkele tabletten bijheb. Consternatie, opwinding,… Tramadol! Er wordt getelefoneerd, een overste komt er bij: Probleem! Hoe moeten ze dit aanpakken? Blijkbaar staat dit courante geneesmiddel op een verboden lijst van narcotica.

Ik overtuig mijn compagnons om al naar Ulan Ude te vertrekken: ik trek wel mijnen plan. Het heeft geen zin dat zij hier wachten. Ik schiet straks sneller op wanneer ik alleen rij.

Ik heb geen moeite om te bewijzen dat ik arts ben, maar moet een voorschrift kunnen tonen voor de medicatie, opgesteld in het Russisch, ofwel voorzien van een Russische vertaling door een beëdigde tolk. Een man met een snuffelhond komt er bij. Alweer paniek omdat de hond blijkbaar iets ruikt in mijn geldbuidel. Ik toon het bundeltje roebels dat erin zit, waarop ze beginnen te lachen. De hond is ook getraind om geld te ruiken. Wat een poppenkast met die hond: iedereen heeft hier roebels bij zich.

Er wordt getelefoneerd, petit-chef, drie sterren komt er aan, alweer telefoneren, nog een petit-chef, ook drie sterren, dan grande-cheffeuse, vier sterren, gewichtig, letterlijk en figuurlijk. Ze komen allen rond mijn motor en de bagage staan: de hond en zijn begeleider ongeduldig om nog eens opnieuw alle bagage te mogen doorsnuffelen op zoek naar cocaïne, heroïne, wapens, en … vooral roebels. Wanneer heel mijn bagage er weer heeft aan moeten geloven, onder het oog van de hele chef-staf en entourage, en de hond niets gevonden heeft, open ik mijn mond, en zeg hen dat Rusland inderdaad een groot probleem heeft met Tramadol, maar dat dat niet mijn schuld is, en dat deze enkele tabletjes niet bestemd zijn voor de Russische bevolking maar voor mijzelf. Ik zeg vervolgens dat ik als arts weet dat Rusland enkele veel grotere problemen heeft dan Tramadol: Vodka, roken, overdreven snelheid en verkeersdoden. Die enorme problemen zullen niet opgelost raken door in de bagage van een arts op zoek te gaan naar enkele tabletten Tramadol. Iedereen zwijgt. Het is even stil na mijn betoog. De sfeer slaat om. Ze zijn ineens veel vriendelijker, excuseren zich, en geven mij gelijk. Maar de mallemolen is in gang gezet, er is al getelefoneerd naar hogerhand betreffende de grote drugsvangst van het jaar, en nu moeten papieren opgesteld worden.

Er wordt getelefoneerd naar de Belgisch ambassade: ik spreek even met de attaché, leg alles uit, waarna deze de beambten de opdracht geeft om dit zo snel mogelijk op te lossen en mij te laten gaan. Deze prul mag geen diplomatiek incident uitlokken. Maar er zal papierwerk aan te pas komen, veel papierwerk. Ik word meegetroond naar de keuken van de douaniers, en voorzien van koffie, thee, koekjes en zure room om de koekjes in te doppen. Ik mag dan ook even mee naar het ´labo’, waarvoor ze zich wat excuseren, omdat het, in hun eigen woorden, eigenlijk een museum is. Terug in de keuken komt de een na de andere douanier even verpozen en ondertussen een praatje slaan. Hier vallen de maskers even af, en heb ik te maken met de modale vriendelijke Rus.

Het wordt een interessante ervaring, maar op een ongepast moment, want ik moet nog in Ulan Ude geraken, en tussen de grens en Ulan Ude is quasi niets, behalve een afstand van tweehonderd kilometers.

Er zijn wel vijf mensen aan het werk om verslagen op te stellen, foto´s te maken, video´s te maken van de snuffelende hond, en ook iemand om mijn verklaring op te stellen, in het Russisch, welke ik vervolgens met de hand moet overschrijven, om het écht te doen lijken. Ik laat hen doen; ze weten hoe ze mij hier zo snel mogelijk kunnen wegkrijgen. Bij het overschrijven van ‘mijn’ Russische verklaring lees ik al op de eerste lijn dat ik geen tolk nodig heb, en Russisch spreek op een ´hoog niveau´. Wat een klucht! Ik pen alles over en lees wat verder dat ik als buitenlander niet op de hoogte kon zijn van dat verbod op Tramadol omdat ik niet voldoende Russisch ken…

Maar ik doe alles wat ze vragen. Elke chef, petit-chef, grande-cheffeuse, hondentrainer in camouflagepak, ze maken allen hun proces-verbaal op, waarmee ze bewijzen dat ze bekwaam zijn om hun belangrijke job uit te voeren, en daarmee hopen hun job in veiligheid te stellen. Uiteindelijk loopt de ganse poppenkast ten einde omstreeks 20u, en is iedereen opgelucht, ikzelf niet in het minst. De poging om drugs het land in te smokkelen is in de kiem gesmoord door er een zware stapel papier op te leggen, waarop ik bovendien nog eens tientallen gewichtige handtekeningen geplaatst heb. De Tramadols zijn in beslag genomen. Maar ik ben vrij, nog even rijk als tevoren, en zelfs wat ervaringen rijker, en hoef mijn weinig resterende jaren niet in een Russische gevangenis door te brengen.

Nu kan ik eindelijk ook op weg naar mijn eindbestemming. Er is een prachtige nieuwe weg tot Ulan Ude. Bijna halfweg begint het toch te schemeren. In de verte dreigt onweer, en bliksemt het voortdurend, urenlang. Ik zie een bestelwagen rijden aan geschikte snelheid en blijf er achter rijden op veilige afstand tot in het centrum van Ulan Ude, waar ik uiteindelijk zelf moet afslaan. Het begint plots te gieten. Er zijn wat wegenwerken, en het hotel is moeilijk bereikbaar. Ik moet plots een borduur oprijden, maar heb niet genoeg snelheid, en de motor, veel te hoog geladen met de extra bagage van Dirkjan, kantelt en valt. Ik krijg onmiddellijk hulp van een koppel Russen om de motor weer rechtop te krijgen. De Russen stappen weer in hun auto en loodsen mij naar het hotel.

Mijn compagnons zijn er al. De receptioniste wist van geen reservatie van vier kamers af, hoewel ik haar mijn bevestigingsmail toon, afkomstig van het hotel zelf. Uiteindelijk slaagde ze er in drie kamers bij elkaar te sprokkelen, waarvan slechts één van het comfortabele niveau welke ik gereserveerd had. Er moest wel direct cash betaald worden navenant de oorspronkelijke prijs, wat ik natuurlijk zo snel mogelijk zal aanvechten bij Booking.com.

Ik moet de nacht doorbrengen in één kamer samen met Udo. Dirkjan heeft zich geïnstalleerd in de enige comfortabele eenpersoonskamer, welke ik zelf gereserveerd en betaald heb. Frits heeft de Fransman bij zich genomen op de kamer.