DEEL 3 – KAUKASUS

Drie landen, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan, twee bergmassieven, diverse volkeren, twee godsdiensten. Een prachtig klimaat, en een bucolische invulling. Is dit reeds Azië, of is dit nog Europa, of eerder Eurazië?

 

Dag 26 (Woensdag 24 april 2019):

Trabzon (TR) – Batoemi (GE)

Zon, blauwe hemel, en stijgende temperaturen, en dat voor de hele komende week. Met deze vooruitzichten vang ik mijn dag aan.

Frits heeft deze nacht minder goed geslapen omwille van lawaai in de kamer naast hem. Hij lijkt mij dan ook opgelucht dat we betere oorden opzoeken.

Vandaag rijden we tussen zee en bergen. De Zwarte Zee kleurt azuurblauw, soms zelfs met een zilveren schittering, en de Kaskar bergen ogen prachtig groen, met in de verte soms hoge zwaar besneeuwde toppen. De brede weg en de vangrails belemmeren ons alweer grotendeels het zicht op het strand en de haventjes, wat de pret toch enigszins drukt, en het rijden wat monotoon maakt.

De grenspassage gebeurt vlot, hoewel we drie loketcontroles dienen te passeren aan Turkse zijde, waarvan zelfs één dubbele. Hiervoor hebben de Turken een enorm nieuw grenscomplex gebouwd. Aan Georgische zijde is er slechts één loketje. We krijgen zoals verwacht te horen dat we een grensverzekering nodig hebben, want de groene kaart is hier niet geldig, en verrassen vervolgens de loketbedienden door te zeggen dat we dit reeds afsloten. Plots staan we dan reeds in Georgië; geen slagboom meer, totale chaos, en enkele mannen komen op ons af om ons een grensverzekering aan te smeren. Ze zijn totaal verbouwereerd als ze van mij te horen krijgen dat dit tegenwoordig via  internet kan, en ze geven het woord snel door van de ene naar de andere. Hun lucratief handeltje staat op springen!

Hier in Georgië is de aanblik van de wegen niets veranderd op vier jaar tijd: chaos en straatvuil. Wel is er heel veel bijgebouwd, vooral veel nieuwe prachtige hoogbouw. De infrastructuur is echter achtergebleven.

We passeren het enorme fort van Gonio, net geen tweeduizend jaar geleden gebouwd door de Romeinen. Het heeft een vierkant grondvlak van meer dan 200 op 200 meter. Toch eventjes stoppen voor een fotootje van de helft van één zijde van het fort.

Boutique32 Hotel ligt in hartje Batoemi, net naast de haven. We betrekken er prachtige grote kamers, net totaal vernieuwd. De motoren krijgen een plaats op een rommelige binnenkoer achteraan. Mijn kamer ziet uit op een aftands appartementsblok, op een minaret, en op een deel van de hypermoderne skyline aan zee.

We verzetten onze uurwerken, want door het opschuiven naar het oosten is het hier plots een uur later geworden, of een uur vroeger, afhankelijk van hoe je het bekijkt. Kortom, ik zit hier dus op twee uur tijdsverschil van Watervliet.

Na een koffie op de rustige Piazza vatten we om vijf uur de stadswandeling aan. Batumi heeft vooreerst dat wat vele havensteden kenmerkt: straatjes met wulps oosters vlees en rode lippen in de vitrines. Ook de nabijheid van Turkije doet deze vleeshandel floreren, want dit soort vlees is in Turkije niet ‘halal’. Wij blijven niet aan de vitrines plakken en flaneren verder doorheen het oude Batoemi, dat vele honderden architecturale pareltjes omvat, zowel kleine als grote.

Sommige gebouwen zijn prachtig gerestaureerd of onderhouden, andere wel even toe aan een make-over.

Er wonen hier veel mensen van Turkse oorsprong, enigszins achtergesteld in dit hoofdzakelijk Christen orthodox land, wat de duidelijke armoe deels verklaart, en het contrast tussen rijk en arm in dit toch wel boomende Batoemi dik in de verf zet.

Er is veel verkeer, hoewel in sommige wijken erg rustig. We zien nieuwe dure wagens zowel als aftandse beestjes, en opvallend, een enorm aantal Toyota Prius, een hybride wagen.

We gaan dineren in een aantrekkelijk Arabisch-Georgisch zaakje, wat uiteindelijk toch niet veel soeps blijkt; het slaatje is te zuur, de kip te klein, maar de rijst is wel erg lekker.

Dan terug naar het hotel, achter de computer voor het nodige opzoekingswerk over de te volgen route, gezien het mogelijk wegvallen van Iran ons een aantal weken extra in de Kaukasus bezorgt, evenals wat kopzorgen over de te volgen route om tijdig in Verweggistan te geraken.

Ik ga relatief laat slapen, en hoop de kleine jetlag vlot te verteren de komende dagen.

 

Dag 27 (Donderdag 25 april 2019):

 

Batoemi (GE) – Mestia (GE)

Vanaf vandaag maak ik het jullie iets gemakkelijker om de blog te volgen zonder steeds naar helemaal naar onder te moeten scrollen. Ik reorganiseer de blog, maar zodanig dat ik er nog zelf aan uit kan.

Oei! Tien vóór acht! Blog afsluiten, online zetten, en klaarmaken, want er wacht ons een pittige dag.

Het ontbijt is er één om niet te vergeten. Er loopt een vriendelijke serveerster rond, een echte moederkloek, die ons, zelfs ongevraagd, voortdurend tracht te bedienen met van alles en nog wat: thee, pannenkoekjes, omelet, lekker vette kaasloempiaatjes. De grote taart waar ze daarna nog mee te koop loopt is er echt teveel aan, en teleurgesteld gaat ze ermee naar een volgende tafel.

Ik heb ondertussen een voorstel van de verzekering van de Oostenrijkse BundesBahn gekregen om de schade aan mijn moto te vergoeden. Ik laat het papier uitprinten aan de receptie, om het dan deze avond te ondertekenen en op te sturen, zodat deze paragraaf van de reis kan afgesloten worden. Tegelijkertijd toch eens vermelden dat we in dit hotelletje heel erg goed opgevangen geweest zijn, sjapoo dus voor het ganse team !

Er wacht ons nu een hele rit naar Svanetië, een ruige bergstreek in het Noorden van Georgië, geprangd tussen de woelige afgescheiden provincies Abchazië en Zuid-Ossetië.

We gaan even de banden laten checken: bij Frits zit er alweer te weinig druk op. Bij mij mag er vooraan wel wat bij, gezien we vandaag mogelijk wat moeilijk terrein zullen tegenkomen. We zullen dit wat vaker moeten controleren. Aan een benzinestation brengen we de banden weer op spanning.

Het eerste uur schuiven we vlot mee met een lint druk verkeer op een smalle soort autostrade, met slechts één rijstrook per richting. Het aantal politiecontroles is niet te tellen; de meeste bestuurders rijden dan ook defensief. Op een bepaald moment worden we zelf ook op de rooster gelegd. Paspoort en rijbewijs wordt gecontroleerd, maar naar een verzekering wordt niet gevraagd. Misschien kunnen zij dit in hun computer zien, aangezien wij die afsloten via de overheidssite. Dan moeten we blazen. De politieman vraagt uitdrukkelijk naar onze reisbestemming. Heeft hij enige achterdocht betreffende een mogelijk bezoek aan gevoelige gebieden? Ik vermeld de naam van enkele kloostertjes, wat hem onmiddellijk geruststelt.

In Poti is het erg druk; er is daar een soort markt, ofwel is het daar elke dag zo. We rijden even rond, maar kunnen geen koffieterrasje bespeuren. We rijden dan maar verder doorheen een enorm bedrijvig havengebied. Er worden hier vermoedelijk heel wat tweedehandswagens uit het Westen geïmporteerd, want het staat hier vol, de ene al meer wrakkig dan de andere.

Even verder vinden we dan toch een soort terrasje annex superette, waar we een lekkere Jacob´s koffie drinken. We maken direct weer een vriend, een hond ditmaal. Toch ongelooflijk dat die net op dezelfde manier komt schooien als bij ons. Opgelet echter dat hij ons niet opzadelt met ongenode gasten, die nog voor een maand jeuk veroorzaken aan onze enkels.

We verlaten vervolgens de grote verkeersas naar Tblisi, en komen terecht in rustiger vaarwater. Hier is het echter opnieuw oppassen geblazen. Er is lintbebouwing: huisjes op palen, voorzien van een ijzeren trap naar het woonverdiep. En blijkbaar bezit iedereen hier wel een koe, varken, geit, paard, of eenden, die het drie meter brede weiland begrazen welke begrensd wordt door rijweg en hek. Die dieren vinden het gras bij de buren rechtover vaak wel wat aantrekkelijker, en steken dan ook nu en dan over zonder pinken.

Even voorbij Zugdidi missen we de afslag naar Mestia, zodat we na een vijftal minuten voor een wegversperring komen te staan. Enkele mannen komen op ons af en vragen waar we naartoe willen. Ik besef ineens dat we hier aan een soort grenspost staan, welke opgeworpen werd door het zich afgescheiden landsdeel Abchazië, met de hulp van de Russen. De mannen zijn evenwel niet gewapend en erg vriendelijk, en wijzen ons de weg terug, en waar we dan moeten afslaan om naar Mestia te rijden. Indien we hier verder zouden gereden zijn, zouden we uiteindelijk in het Russische Sotchi, terecht gekomen zijn, jawel, dat van de Olympische Winterspelen.

IMG_20190425_143755

De weg blijft nog redelijk vlak tot Jvari, waarna we echt de ruwe hoge Kaukasus induiken, langsheen hoge rotswanden en diepe ravijnen. Dit bergmassief is het hoogste van Europa, en is moeilijk toegankelijk, niet enkel omwille van de hoogte en de schaarse bewoning, maar ook omwille van geopolitieke spanningen. De weg is redelijk goed, maar ruw, wat trillingen doorgeeft aan stuur en lichaam. Hier en daar ligt gevallen puin op de weg: uitkijken geblazen!

We nemen een koffie in een afspanninkje aan de rand van de weg, te midden de hoge bergen. Wij zitten hier even heel goed, en de rondlopende kinderen zijn blij, want we vormen voor hen een welgekomen attractie.

IMG_20190425_151054

Omdat er tunnels zijn monteer ik mijn zware schijnwerper, wat heel snel gaat dank zij de kogelmontage. Gelukkig blijkt de weg in de donkere tunnels geen verrassingen te vertonen. Maar ik ben toch blij dat de straler goed werkt.

Even na het verlaten van een tunnel blijft Frits plots achter. Hij is over een stuk puin gereden, en verloor bijna de controle over het stuur. Na het bekomen rijden we weer verder.

Nog wat verder zie ik Frits alweer niet meer. Ik keer vijfhonderd meter terug en zie hem daar aan de kant van de weg staan. Zijn embrayage is dood. Dat kan alleen maar de kabel zijn die doorgebroken is. Daarvan hebben we er elk één mee in reserve. Ik bereken dat dit al gauw een groot half uur werk zal worden, en dan nog vooral het tevoorschijn halen van gereedschap en onderdeel. Ondertussen steekt ons net een motor voorbij, in de vlucht zie ik nog net dat het een iets lichtere motor is dan de mijne. Ik bekijk het ganse zaakje en stel dan vast dat we toch geluk hebben: niks doorgebroken, het kogeltje is enkel uit het vorkje geschoten. Dit is mogelijk gebeurd door de klap bij het raken van de rotssteen zonet. Kortom, tien minuten later is alles hersteld en kunnen we weer verder.

Wat verder staat de motor, die ons zo net voorbijstak, aan de kant. De motard zit wat verder op de grond, uit te rusten of te genieten van het uitzicht?

Het blijkt een rijzige Poolse vrouw van 40 á 50 jaar oud te zijn, op reis op een oude Suzuki DR600, zo één welke ook Trui Hanoulle bereed op haar reis door Iran (‘Meisjes, moslims en motoren’ , zie de voorbereidingen). Ze is gestopt omdat ze zonet een bijensteek kreeg in de buurt van haar oog en moet even bekomen van de pijn. (Ik vermoed dat het eerder een daas of paardenvlieg was). Ze heeft een gelijkaardig reisplan als het onze. Gezien het vorderende uur blijven we niet aan de praat en hopen we elkaar nog eens tegen te komen, misschien zelfs reeds in Mestia.

Bij het naderen van Mestia is de weg in slechte staat. Wegenwerken duren in deze contreien vaak jaren… Dus dat wordt hobbelen en ploeteren, geen probleem voor de Transalpjes, maar wel voor ons, want wij zijn geen helden. Ik ga voorop, krijg wel wat natte voeten, maar overleef het zonder kleerscheuren. Ik zie in mijnen retroviseur dat Frits volgt, en samen rijden we dan vlot weer verder, want even voorbij die laatste modderpoel is de weg weer in orde. Wat verder in een dorpje stoppen we even, en stel vast dat Frits, én zijn motor, een echte modderdouche genomen hebben. Hij is iets te enthousiast door de modderplas gereden. Buiten vuile velgen en laarzen, en vijf centimeter moddersporen op mijn broek valt bij mij bijna niks te zien.

Net op dat moment komen met alle geweld vier dure kamelen aan, tis te zeggen, zware BWM GS Adventures, het genre ‘m’a tu vu?’ , en stoppen bij ons voor een praatje: ze komen allen uit het vroegere Joegoslavië, hebben voorbij Mestia 50km door en 50km terug gereden over gravel en rotsen, en ze zijn maar vijf keer gevallen. Met zulke koebeesten van motoren is dat een hele prestatie! We hebben zulke mannen in Zuid-Amerika twee jaar terug ook enkele malen tegengekomen. Ze scheuren weer weg. Hé, mijn camera stond nog aan en heeft het opgenomen, evenals het modderbad. Ik zal er straks een filmke van maken.

Video modderbad

Pas rond zes uur komen we op onze eindbestemming aan. We houden halt in het centrum en ik word al snel aangesproken door een vrouw op leeftijd met het voorstel om te overnachten in haar Guesthouse, een kilometer terug. We verkiezen echter te overnachten in iets relatiefs nieuw en minder avontuurlijk. En vijf minuten later vinden we Hotel Svanseti, waar we na een vluchtige keuring intrekken. Het uitzicht vanuit de kamers is in elk geval prachtig.

En óf het dus een pittige dag werd ! Gelukkig waren het zachte pitten, en hebben we er dus geen tanden op stuk gebeten.

´s Avonds gaan we eten. Het ene restaurant is overvol, en ik heb geen zin om staande te wachten tot een plaatsje vrijkomt, en dan nog eens te wachten tot we iets te eten krijgen. Honderd meter verder is een rustig alternatief waar nog voldoende plaats is. Ik bestel Ojaxuri, Frits bestelt een grote pizza, en samen delen we dan een slaatje. Het is even wachten tot alles bereid is. Ondertussen babbelen we even met een Amerikaans koppel uit Oregon, dat de ganse wereld afreist, nu ze op pensioen zijn. Mijn ‘ojaxuri’ blijkt een ovenpotje te zijn met varkensvlees, aardappelen, grote stukken paprika, gehele kleine ajuinen, en veel teentjes look. Het smaakt heel lekker, inclusief alle look, maar de uien en de paprika´s laat ik liggen, want ik wil deze nacht ook nog wel wat slapen. De sla is lekker, slechts heel licht geassaisoneerd. De pizza van Frits lijkt ook wel mee te vallen, want hij blijft er maar van eten tot hij niet meer kan.

 

Dag 28 (Vrijdag 26 april 2019):

 

Vrije dag in Mestia (GE)

Na een stevig ontbijt gaan we de motoren eens even afspuiten. Ze zijn de laatste weken en vooral gisteren nogal besmeurd met modder en straatvuil. Bij het inzepen raken ze besneeuwd onder een laag schuim, maar even later zien ze er weer als ‘nieuw’ uit.

Dan nog even olie checken. De ketting zal ik pas smeren als de motor goed droog staat.

Nu is het tijd voor een stevig wandelingetje door het dorp. Veel rommel, wat paarden, koeien en varkens, veel oud roest, maar geen verveling.

De Svaneti, de inwoners uit deze streek hebben eeuwenlang een zekere vrijheid, autonomie en traditionele levenswijze kunnen behouden dankzij de moeilijke toegang tot dit gebied en ook door de bouw van torens, waar ze het dankzij voorraden van water en voedsel wel enige tijd konden volhouden. Enkel reeds in Mestia staan er meer dan 50 torens. Zowat elke familie had zijn eigen toren. Ze zijn bijna allen nog in redelijk goede staat. De ene toren die als museum opengesteld is blijkt vandaag echter dicht. Morgen misschien?

Dicht bij ons hotel passeren we voorbij een kerkje met kerkhof. De oudste graven zijn vaak voorzien van een hekje of muurke rondom, of zelfs van een oud verroest plaatstalen dakje. De nieuwere graven vertonen vaak een levensgrote foto.

Ik ga het kerkje binnen. Er is net een gebedsdienst aan de gang. Een vrouw leest de gebeden voort, waarna dan plots een zware mannenstem uit een achterkamertje door de kerk schalt. De priester bevindt zich kennelijk niet in het schip van de kerk zelf, maar in een soort tussenportaal met de hemel, het Heilige der Heiligen, te zien doorheen een smalle opening in de soort scheidingsmuur of beeldenwand of iconostase, waar ook een soort altaar staat met tabernakel en zevenarmige kandelaar, en vanwaar hij het woord Gods met meer verve op de gelovigen kan doen neerdalen. Dan verlaat hij zijn stuurmanshut en begeeft hij zich in het schip van de kerk, voor een nauwer contact met de gelovigen. Intussen gaan mensen voortdurend binnen en buiten.

Het is ondertussen middag geworden, tijd voor een lekkere Lavazzo koffie.

Aan ons hotel staat een kleine motor, hoog beladen met koffer en rolzak tegen de muur.

Het is een Peugeot 125cc crossmoto. De eigenaar is een Italiaan van 26, Stefano, die door het zicht van onze motoren voor het hotel hier even afgestapt is. Hij is nu even aan het bekomen bij een koffie en een stuk taart, hem aangeboden door de receptionist. Hij is groot en struis gebouwd, wat het reizen op deze motor erg lastig maakt. Het zadel is nauwelijks breed genoeg voor 1 bil, waardoor hij voortdurend van links naar rechts moet schuiven. In zijn benzinetank past maar 5 liter. Hij heeft nog wel evenveel reserve in zijn koffer, maar niet echt voldoende zodat hij soms zonder benzine valt. Hij hoopt Zuid-Oost Azië te bereiken, via Iran, Pakistan, en India. Toegang tot Iran is voor zijn kleine motor geen probleem.

Hij brengt ons wel goed nieuws in die zin dat we misschien toch via Iran Turkmenistan zouden kunnen bereiken, maar dan wel met een soort transit visum voor de motor, 1 week geldig. Dat zullen we straks wel eens uitzoeken.

Wat later vertrekt Stefano weer. Hij hoopt de bergen over te raken via een route voor voetgangers welke hij op Google Maps terugvond.

Frits gaat één en ander opzoeken en wat rusten. Ikzelf maak een ‘kleine’ wandeling naar het monument dat boven het dorp uittorent. Het wordt een lastige klim van twee uur naar boven, met op het laatst nog wat geploeter door zachte sneeuw, want de zon heeft hier ook niet stilgezeten. Onderweg kom ik weinig  mensen tegen, waaronder wel mezelf enkele keren.

Het monument blijkt een eenvoudig kruis te zijn, niets bijzonders, behalve dat men van hieruit rondom rond een ongelooflijk mooi zicht heeft op alle besneeuwde bergen uit de omtrek. De link met God en de hemel is van hier uit snel gemaakt, maar Jezus heeft deze plek al lang geleden verlaten. Het was hier te koud met enkel een lendendoekje om.

Die bergen zijn de hoogste van Europa, nog een stuk hoger dan de Mont Blanc. Ik verwijl hier niet te lang, want in de bergen wordt het snel donker, koud, en gevaarlijk eenzaam. Ik heb nog eens één vol uur nodig om beneden te geraken, net op tijd in het restaurant waar Frits een tafeltje voor ons gereserveerd heeft.

Ik bestel het nationaal gerecht van de Svaneti, Kubdari, wat een met vlees, look en groenten opgevuld brood blijkt te zijn, vers uit de oven. Redelijk pikant, maar wel lekker, én, weer veel te veel, gezien we er een ook wortelsalade bij besteld hadden.

Terug in het hotel moet ik met enige voorzichtigheid de trap op, en vooral af, want ik voel wat pijn opzij aan mijn knie. Ik ben daarstraks misschien wel iets te enthousiast afgedaald. Nacht brengt raad.

 

 

 

Dag 29 (Zaterdag 27 april 2019):

 

Vrije dag in Mestia (GE)

Even na het ontbijt blijf ik nog even beneden op de computer werken. Stefano stuikt daar plots binnen. Hij is niet over de bergen geraakt, wat niet verwonderlijk is, en heeft daarboven in de bergen de nacht doorgebracht in een guesthouse. Hij heeft veel kou gehad en slecht geslapen. Hij trekt nu ons hotel in voor één nacht en rijdt dan morgen verder naar Kutaisi, net zoals wij.

We wachten nog tot hij een douche genomen heeft, en met ons drieën nemen we dan een taxi tot aan de voet van de gletsjer, of beter gezegd, tot zover de terreinwagen geraakt, want vanaf hier is het nog minstens 100 minuten klimmen tot aan de gletsjer. Ik ga mee naar boven tot aan het begin van de steenstraat, die door een twintigtal centimeter zachte sneeuw is bedekt, en vanaf waar het dus gevaarlijk wordt om verder te trekken, temeer daar ik al wat pijn voel aan mijn rechter knie.

Ik heb enkel pijn bij het afdalen, dus moet ik voldoende tijd hiervoor incalculeren. Vanaf hier zie ik de Chaladi gletsjer glinsteren, en heb ik een grote comfortabele rots om te zitten wachten en al het schoon volk voorbij te zien trekken.

 

Ik sla een praatje met een Russische jonge vrouw en haar moeder; zij spreekt erg goed Engels, haar moeder enkel Russisch. Ze geeft mij een complimentje dat ik zo mooi Russisch spreek, waarmee ze vermoedelijk bedoelt dat ik het keurig spreek, wat ik dan wel te danken heb aan Anastassia, mijn lerares Russisch, maar verder heel erg relativeer, want mijn woordenschat en begrip van de gesproken taal is erg gebrekkig, temeer daar bijna geen enkele Rus netjes en voor mij verstaanbaar spreekt. Wat later komt een groepje Indiërs aan. Het blijken studenten Geneeskunde aan de universiteit van Batumi, die er enkele dagen op uit getrokken zijn. De opleiding is hier pakken goedkoper dan in Indië, waar enkel de beste studenten een studiebeurs krijgen zoals in de VS.

Ondertussen zijn Frits en Stefano verder getrokken om zo dicht mogelijk bij de gletsjer te raken. Een half uur later zijn ze er terug, en we vatten dan weer de terugtocht aan, op het gemak, ikzelf wel wat hinkend, maar zonder al te veel pijn. Ik heb zo goed als geen moeite om de anderen bij te benen, maar probeer vooral niet uit te glijden, wat mij uiteindelijk goed lukt. De taxi welke ons terug moet brengen naar Mestia staat al klaar, en een kwartiertje later gaan we wat eten in het restaurant op het marktplein.

Ik kies deze keer een Khashapuri, hét Georgisch nationaal gerecht: weer een opgevuld brood, maar ditmaal met kaas, niet pikant en niet zout. Stefano kiest op mijn aanraden een Kubdari, wat hij volledig naar binnen speelt, en daarna nog het resterend vierde van mijn Khashapuri. Hij vertelt dat hij verslaafd is aan eten.

Na de maaltijd ga ik de gaskabels en de ketting van mijn motor smeren. Ik toon Frits hoe hij zijn koppelingskabel kan smeren. De volgende keer, volgend jaar, kan hij het wel alleen. Vervolgens neem ik plaats in het zaaltje beneden, en werk de blog bij, in gezelschap van een grote mok thee, welke ik regelmatig ga bijvullen.

 

Dag 30 (Zondag 28 april 2019):

 

Mestia (GE) – Kutaisi (GE)

Om vijf uur word ik wakker. Het is buiten hevig aan het regenen. Toch wordt mooi weer voorspeld, dus draai ik me om en slaap nog wat verder.

Ik ben er niet rouwig om dat dit het laatste ontbijt is in het hotel, want ik heb er wel al wat genoeg van. Ik sluit nog af met een goede koffie en een stuk cake, en ga er dan weer tegen aan. Inpakken, motor laden, wegwezen.

De modderplas van enkele dagen terug is nu evenwel door de hevige regen deze morgen een modderpoel geworden. Er is nog een hele pak blubber extra van de berg geschoven. Ik schuif wel even lichtjes, maar slaag er toch in heelhuids door de zwarte vloeibare drab te raken. Frits valt echter en slaagt er niet in zijn motor weer recht te trekken.

Ik zet mijn motor wat verder op een veilige plaats en ga hem helpen, waarbij ik natuurlijk ook bijna tot de knieën de blubber in moet.

Video 2e modderbad

Samen lukt wat alleen niet kon, en tien minuten later rijden we weer verder, tot aan een riviertje waar we het grootste vuil afspoelen. Het is voldoende warm, en alles droogt al snel op. De lange rit naar het volgende stadje verloopt verder probleemloos.

Aan een watervalletje komen we vier russen uit Sotchi tegen: Ze rijden op zware mooi opgeblonken motoren, die naar Mestia rijden. We waarschuwen hen voor de modder, maar het lijkt hen niet echt af te schrikken.

Nu zijn we wel aan een koffie toe. We stoppen wat verder aan een terrasje naast een klein barakje. Een jonge vrouw bedient ons. Ze spreekt keurig Engels.

Vanaf Jvari wordt het drukker op de weg: we zijn hier weer in de bewoonde wereld, met haar lintbebouwing en straatvee. Er zijn ook opvallend veel auto´s, volgeladen met alle leden van de familie. Het is Pasen. Ze gaan picknicken op het graf van hun dierbaren. Dáárom zijn zoveel graven voorzien van een tafel en zelfs vaak van een afdak.

Rond drie uur weer een koffie met een stuk hartig gevuld brood. Wat er in zit kan ik niet thuisbrengen. (Achteraf kom ik te weten dat het bonenpuree was)

In Kutaisi vind ik redelijk snel Hotel Dimasi, gelegen in een achterkoer, maar bijna nieuw. Binnenin is alles schitterend, maar de goedkope afwerking laat vermoeden dat dit binnen vijf jaar niet meer het geval zal zijn.

Ik neem mijn intrek in de kamer en zet mij even neer op de hoek van een bed; er klinkt een luide krak, en de matras zakt prompt door op die hoek. Ik zal wel voorzichtig in het andere bed slapen…

Dan weer op de motor naar het Motsametaklooster, prachtig gelegen hoog boven op een rots, uitziend op een meanderende rivier in een diepe kloof.

Ook nog eens naar de Baghrati kathedraal in de stad, hoog op een heuvel, en de dag is alweer gevuld.

We gaan ons opfrissen in het hotel en gaan dan op zoek naar iets te eten, wat niet zo eenvoudig blijkt, want het is Pasen. Het restaurant van het prachtige operagebouw is open, maar volledig gereserveerd voor een privé-groep. We mogen wel eens een even rondkijken in het zeer mooie operagebouw, dat getuigt van een grote Grandeur van weleer. Ook tijdens het Sovjet-bewind voelden de machthebbers de nood om zich te onderscheiden van het gewone gepeupel. Een bezoek aan de opera was dan ook voorbehouden aan leden van de Nomenclatura.

Niet getreurd, aan de overkant van het grote centrale plein vinden we restaurant Baraque, een trendy zaakje, waar we al gauw heel wat lekkers bestellen. We wachten, dringen aan, wachten, dringen nog verschillende malen aan, maar niets van het herhaald bestelde, geen drank, geen eten, wordt opgediend. Na meer dan een uur trappen we het dan maar stilletjes af, en stappen dan maar teleurgesteld een afgeladen volle MacDonald binnen, waar we binnen de vijf minuten iets achter onze kiezen kunnen proppen, en nog eens tien minuten later weer buiten zijn.

 

 

Dag 31 (Maandag 29 april 2019):

Kutaisi (GE) – Mtsheta (GE)

Wat was het hier heerlijk rustig deze nacht. Goed uitgerust stel ik de gebeurtenissen van gisteren te schrift, en begin mij om 8u klaar te maken. Ik ben nog niet aangekleed wanneer iemand aan mijn deur komt kloppen met de melding dat het ontbijt klaar is. Snel aankleden; de rest wacht wel. We krijgen een verzorgd maar afgemeten ontbijtje geserveerd in Sovjetstijl. Jawel, hier en daar zit het er nog in. Niet te verwonderen, de eigenaar van dit hotel is ook liefhebber van oude Russische wagens. Zijn prachtige Wolga oldtimer uit 1964 staat te blinken op de binnenplaats.

Bij het ontbijt vertelt Frits mij dat Hossein, de fixer in Iran, wel iets voor ons zou kunnen regelen. Hij vraagt wat onze wensen zijn: van waar naar waar en wanneer. Dus misschien toch al een stap dichter bij Iran?

Na het ontbijt ga ik inpakken. Op het moment dat ik de kamer verlaat met al mijn spullen, staat de receptionist reeds aan mijn kamer te wachten om onmiddellijk de lege kamer te inspecteren. Hij stelt vast dat beide bedden er nog staan, en dat de elektriciteitsschakelaars en de leidingen niet verwijderd zijn. Even later is hij weer buiten. Hij zegt niets en lijkt dus tevreden. Mogelijk heeft hij al één en ander meegemaakt…

We stappen op de motoren en verlaten Kutaisi, richting Tbilisi, de hoofdstad. Algauw komen we op de ene hoofdas die het land rijk is tussen de hoofdstad en de kust. Eerst een stukje autosnelweg, maar daar komt snel een einde aan, wanneer we een heuvelachtig landschap naderen. Er is momenteel geen geld in de staatskas om de snelweg verder te trekken doorheen dit lastige gebergte. Het is tweede Pasen; bijna geen vrachtwagens, maar des te meer snelheidsduivels en zondagsrijders, een gevaarlijke mix van angst en frustratie. Voor ons komt er het op aan om in deze soep kalm te blijven. Hier en daar passeren we mooie landschappen, maar voor de rest is de rit zoutloos. We stoppen even voor een koffie bij iets wat ons een koffieterrasje lijkt en waar reeds een marshroutka en een grote zwarte Mercedes staan.

De mensen uit het busje, russen, spreken ons onmiddellijk enthousiast aan. Waar heb ik dát nog meegemaakt. Hun oogjes glinsteren. In hun dromen zitten ze achterop de motor, de haren in de wind, of beter nog, rijden ze zelf, verre horizonten en wilde avonturen tegemoet. Maar ze moeten weer instappen, en het busje rijdt weg. We vragen aan een zware man, een stuk jonger dan wij,  die we zien binnen en buiten lopen, en die ook de eigenaar is van die dure Mercedes met Russische nummerplaat, of we een koffie kunnen krijgen? De man knikt vriendelijk en loopt naar binnen. Hij haalt een paar propere glazen en een pot heet water en laat ons onszelf bedienen met de Nescafé en de suiker die reeds op tafel staan. Hij is een Iraniër die een exportbedrijf heeft in Rusland. Hij vervoert meelproducten voor veevoeder vanuit de haven van Astrakan in Rusland naar Iran over de Kaspische Zee. Hij kocht blijkbaar dit optrekje hier aan de drukke weg om er een restaurant te beginnen, of te laten uitbaten (??). Inderdaad, het is mooi gelegen, en er zijn overdekte terrasjes op verschillende niveaus naast een klaterend watervalletje. De hele doening is wel wat bouwvallig, en misschien ziet hij daarin wel wat mogelijkheden om zijn geld te beleggen? Hij houdt in elk geval van deze plek, dat is duidelijk.

We stappen weer op, richting Gori. Wat verder op een vlakte is er weer een stuk autostrade, met zelfs een gloednieuwe luxueuze Restop. Dát zien we zelfs bij ons nog niet. Binnenin is een groot shoppingcenter ondergebracht. De Georgiërs zien het groot.

In Gori verlaten we de autostrade. Even gaat het verkeerd, want bijna waren we alweer verboden gebied binnengereden, ditmaal Zuid-Ossetië, dat zich afscheurde van het arme Georgië, en zich wil voegen bij het rijkere Russische Noord-Ossetië.

In Gori brengt Frits een bezoek aan het Stalin-Museum, een must-see als je hier toch in de buurt bent. Ik bezocht het reeds vier jaar terug, en hou de wacht bij de motoren en hun voor ons toch zo kostbare bagage. Op de parking staan ook een Ducati en een BMW GS, gloednieuwe motoren met een Russische nummerplaat. De Russen komen er even later aan en ik sla een praatje met hen. Ze zijn hier op vakantie, omwille van de bergen, het goede weer, en de betaalbaarheid, want hun roebel is net als de Georgische Lari in de rest van Europa niet veel meer waard. Ze wonen beiden in Voronez, waar ik vier jaar terug ook een nachtje doorbracht op weg naar Stalingrad. Ze gaan nu op zoek naar een restaurantje om te lunchen, en nodigen mij uit om met hen mee te gaan. Ik sla hun aanbod vriendelijk af, want ik bewaak de motoren. Wat later komt Frits buiten, en de Russen komen er ook alweer aan. Alle restaurants zijn dicht vanwege de feestdag, maar ze vonden gelukkig wel iets te eten in een supermarktje.

Er rest ons nu nog een uurtje rijden tot onze eindbestemming: Mtsheta, een klein stadje ten Noorden van Tbilisi. Hiervoor nemen we nu een mooie route doorheen de heuvels. Het is alweer druk op de weg. Op de kerkhoven zien we veel families aan de picknick in gezelschap van hun dierbare overledenen.

In Mtsheta wordt het wel even zoeken naar een hotel dat nog twee vrije kamers heeft. Uiteindelijk vinden we iets heel eenvoudigs, spijtig genoeg aan een drukke lawaaierige doorgangsweg. Maar de kamers bieden alle comfort en ruimte, en vermoedelijk valt het verkeer wel stil deze nacht.

We gaan eerst wat eten, en drinken dan nog een koffie met een chocoladesoesje.

Mtsheta was ooit enige tijd hoofdstad van Georgië, en bezit een mooie ommuurde kathedraal, waar enkele koningen en patriarchen begraven liggen. Binnen de grote kerk is de aanblik nog indrukwekkender, want de strakke eenvoud van de kerk wordt hier en daar doorbroken door prachtige mozaïeken, wandschilderingen, en iconen. De sfeer in de kerk is aangenaam en licht bedwelmend. Er is veel volk aanwezig, dagjesmensen uit Tbilisi, maar ook heel wat Russen, die met grote bussen hierheen afgezakt zijn. Vanuit de grote binnenkoer rond de kerk zie je de grote hoge rots die uittorent boven Mtsheta, en waarop een ander kloostertje gebouwd is, het Jvariklooster, veel kleiner, maar dan wel zoveel dichter bij God.

Het is ondertussen al ruim 19u geworden. Nog even de ketting van de motor aanspannen, en dan tijd voor wat rust. Het is ons echter nog niet gegund om te slapen, want het lawaaierige verkeer blijft wel voortrazen tot bijna middernacht, waarna de rust over het stadje neerdaalt.

 

Dag 32 (Dinsdag 30 april 2019):

Mtsheta (GE) – Stepantsminda (GE)

Vandaag wordt één van de hoogtepunten van mijn reis, zowel letterlijk als figuurlijk. De plek waar wij vandaag heen trekken is gelegen in een vallei naast één van de hoogste bergen van Europa, de Kazbegi, een ingeslapen vulkaan, en nog net gelegen in Georgië. Inderdaad, Rusland is dan erg dichtbij. Ik passeerde hier net geen vier jaar terug tijdens mijn reis naar Stalingrad en Oost-Turkije. Het begon toen net te sneeuwen bij het oversteken van de Russisch-Georgische grens. De uren die toen volgden zullen levenslang in mijn geheugen gegrift blijven; sneeuw, kou, verschrikkelijke wegen, tunnels. En vandaag zal ik de passage door dit gebied herbeleven, op een heel andere manier, met mooi weer, en zonder problemen hoop ik.

Om zes uur beginnen de honden uit de buurt te blaffen. Van slapen is geen sprake meer. Ik maak getrouw mijn verslag over de gebeurtenissen van gisteren, en plaats het online.

En dan nog een update betreffende de beschadiging aan mijn motor op de autoslaaptrein naar Innsbrück: de verzekering heeft een schadevergoeding uitbetaald. Deze zaak is dan afgesloten.

Voor Iran zitten we ook niet stil. We trachten via allerlei kanalen te meer te weten te komen over de Hossein-passage doorheen Iran. Zo vernemen we dat er zelfs twee Hossein´s zijn, een oudere en een jonge. Is dat vader en zoon?

Even na achten laden we dan de motoren, en kunnen vertrekken, op zoek naar iets te eten, want in onze eenvoudige hotelovernachting was geen ontbijt inbegrepen. Wat rondjes draaien in het stadje levert uiteindelijk een zak met koeken op, welke we enkele minuten later naar binnen spelen op een mooi plekje, zittend op een grote steen, met prachtig uitzicht op de onderliggende rivier en het boven op de rots gelegen kleine Jvari-kloostertje.

Dan nog op zoek naar een koffie. We komen al gauw op de grote drukke weg richting Rusland, de Georgische Militaire ‘Highway’, welke ik liefst niet vertaal als snelweg, maar eerder als hooggelegen weg, aangezien hij de Kaukasus oversteekt op één van haar hoogst gelegen passen, de Jvari pas op 2400 meter, en wat noordelijker, op de grens met Rusland, passeert doorheen de Darial kloof op 1500 meter, met granieten wanden tot 1800 meter hoog. Aan die drukke weg stappen we af in een afspanninkje met achteraan vele kleine blokhutjes, het ene al rustieker dan het andere.

De ochtendkoffie smaakt na al die koekerij van zonet, maar is zo straf dat ik er toch wat suiker moet bijvoegen om er geen kramp van mijn tong van te krijgen. Weer de drukke weg op. We rijden doorheen enkele dorpjes, en het verkeer mindert al gauw.

In Ananuri passeren we eerst langsheen een groot stuwmeer, dat nu echter grotendeels droog staat. Wat verder staat het oude versterkt kloosterkerkje aan een grote parking, nu ingenomen door een enorme kermis van kraampjes, busjes, en massa’s Russische toeristen.

Ik breng een kort bezoek aan het mooie kerkje, maar de ingetogen sfeer van gisteren ontbreekt hier volledig, en ik ben al gauw weer buiten. Bij de motor gekomen word ik aangesproken door een Canadese vrouw, die de vlaggetjes op mijn motor gezien heeft, en mij uithoort over mijn reis doorheen Amerika in 2017. En of ik de Cassian-Stewart Highway gereden heb. Ik antwoord bevestigend, wat bij haar een kreet van blijdschap ontlokt, omdat ik dan voorbij haar ´cabin´ gereden ben, net even voorbij Jade City. En óf ik het mij herinner! Neen, niet de ´cabin´, maar wel de route en de berenkeutels. Inderdaad, de wereld is klein.

Vanaf hier gaat het echt de bergen in. We worden voorbijgestoken door drie Russen, elk op een BMW GS. We ontmoeten ze wat later op een plek waar een mooi uitzicht is over de onderliggende vallei. Ze komen uit Jekaterinaburg, aan de Oeral. Eén van hen heeft er een motowinkel; hij geeft me zijn kaartje, voor in geval van problemen. Onder hen ook een jonge vrouw, en zelf ook op de motor. Ze lieten de motoren met een vrachtwagen naar Krasnodar overbrengen, en kwamen zelf over per vliegtuig.

Wat verder passeren we Gudauri, dat niet zo veel verschilt van mondaine ski-stations in West-Europa. Vanaf hier gaat het snel de hoogte in. Links zien we plots een groot monument, het Russisch-Georgisch Vriendschapsmonument, gebouwd in 1983, toen alles nog koek en ei was tussen de twee toenmalige Sovjet-republieken.

Die monumenten vond ik ooit wel grotesk, maar sedert mijn verschillende bezoeken aan Rusland ben ik er wel van gaan houden, en laat ik het niet na er even halt bij te houden, en even mee op te gaan in het patriottisme dat er toch altijd van af straalt. Ze illustreren de Rus op en top. Heel erg gehecht aan Moedertje Rusland, maar toch ook steeds open voor een ontmoeting met een buitenlander, zelfs, of in het bijzonder, één uit het Westen.

Even verder zweven enkele glijschermspringers door de lucht.

En het gaat weer omhoog, over de Jvari Pas, op bijna 2400 meter hoogte, gevolgd door een reeks griezelige tunnels, niet verlicht, behalve door mijn krachtige verstraler, welke ik speciaal voor dit soort passages enige jaren terug kocht.

Rond twee uur nemen we intrek in Hotel Soncho in Stepantsminda. De kamers zijn nog niet klaar, maar het kamermeisje belooft dat onmiddellijk in orde te brengen, maar niet vooraleer ze naar buiten is gegaan om de motoren te bewonderen, en zelf luidop te dromen van een eigen motor.

Eerst wat gaan eten: omeletje, sla, brood, frietjes. Meer moet dat niet zijn. Naast ons zitten een paar Zwitsers, op weg naar Mongolië met een kleine vierwielaangedreven truck, met woonkabine er op, en achteraan nog een aanhangwagentje met twee kleine motoren.

Vanop het terrasje heb ik uitzicht op de Kasbegi en op een mooi kerkje.

Na het eten proberen we met de motor naar het drievuldigheidskerkje van Gergeti te rijden. Dat lijkt aanvankelijk goed te gaan tot we geblokkeerd raken door een honderdtal vierwielaangedreven minibusjes, en een enorme hobbelige klomp ijs. Op dat gladde spek willen we niet op de bek, en we druipen licht teleurgesteld af, toch enigszins getroost door het kunnen vermijden van die massa volk daarboven aan dat kleine kerkje.

Na een half uurtje rust in het hotel gaan we weer op stap. Terrasje, koffietje, zonnetje, en lichtjes uitwaaien, en dan een leuke wandeling door de geschiedenis van dit dorpje. Het oude kerkje lijkt volledig intact, maar de wat haveloze priester die daar maar doelloos binnen en buiten loopt maakt met een paar woorden en grote gebaren duidelijk dat de communisten vroeger het kruis van de kerktoren geschoten hebben, welke nu tentoongesteld is binnen de kerk.

Meer is de heilige man niet van zeggen, en wij stappen het dan maar af en zetten de wandeling verder. Het Kazbegi Museum, vermeld in de gidsen, is niets anders meer dan een lege doos, een ruïne, waar al heel lang niets meer aan gedaan is. Enkele grootse maar vervallen huizen getuigen van een zekere vroegere welstand, maar die verzwond snel na het uiteenspatten van de Sovjet-Unie.

Nu is het welletjes geweest. Rust! (Allez, ge weet wel…)

 

Dag 33 (Woensdag 1 mei 2019):

Stepantsminda (GE) – Tbilisi (GE)

Het is wat bewolkt buiten, en van het voorspelde mooie weer vandaag is nog niet veel te merken. Maar in de bergen is het weer vaak wat minder stabiel, en enkele druppels of wolkjes baren mij nog geen zorgen.

Vandaag hebben we weer een ontbijtbuffet. We moeten er wel even op wachten, maar de bediening is vriendelijk en we hebben tijd zat, want ons einddoel is niet zo ver af: Tbilisi, de hoofdstad van Georgië.

Terwijl we de motoren laden is het heel licht aan het regenen, maar dat stopt van zodra we opstappen en wegrijden. We moeten nu nog een pas over van 2400m; het heeft vannacht op die hoogte gesneeuwd, maar de weg zelf is volledig sneeuwvrij. We rijden heel voorzichtig en zweven als het ware probleemloos doorheen het magisch witte landschap.

Ik stop nog even om het vriendschapsmonument te bewonderen. Dát is nu het voordeel van een motor: je stopt waar je wil en wanneer je wil. Nét op dit punt heb ik een prachtig uitzicht.

Gudauri lijkt wel uitgestorven, nu de zon er nog niet is. Dan nog maar een halfuurtje voort knarren, en net wanneer de zon door de wolken begint te breken bespeur ik een mooi terrasje met uitzicht op de weidse vallei waar we doorrijden. We krijgen er een Turkse koffie geserveerd, waarvan het gruis deels boven blijft drijven. Een echt goede Turkse koffie is echter gemaakt met een maling waarvan het gruis snel op de bodem gaat liggen. Toch laten we dit niet aan ons hart komen en is het hier even genieten.

Ik Tbilisi vinden we al heel gauw het hotel dat ik gisteren geboekt heb voor vier nachten. Het bevindt zich wel aan de rand van deze immense stad, maar we vermijden een urenlange zoektocht in deze moeilijk toegankelijke stad. In Tbilisi wonen officieel 1,5 miljoen inwoners, maar dat kunnen er natuurlijk veel meer zijn. Bovendien staan hier meer dan 1500 hotels geboekt. Betrouwbare navigatie hebben we hier niet. Dat heb ik vier jaar terug ook reeds mogen ondervinden.

Het hotel lijkt aan de buitenkant niet veel soeps, en Frits blijft wat argwanend op zijn motor zitten. Ik ga de suite bekijken welke ik geboekt heb, en stel vast dat we een ruime living hebben, met daarnaast nog elk een ruime slaapkamer met eigen badkamer. Ook voor de motoren is een grote eigen garage voorzien. Het lijkt wel een compleet huis voor ons alleen. Binnen is alles netjes gerenoveerd en van een fris likje verf voorzien. Alleen een keuken ontbreekt nog. We worden heel vriendelijk en voorkomend rondgeleid door een drietal bejaarde mannen, die hier vermoedelijk hun karige pensioentje wat komen aandikken. Wat later komt een vrouwelijke manager ons verwelkomen met een grote schaal fruit en drank. Die Georgiërs hebben al die eeuwen hun erfenis van Dionysos zorgvuldig gekoesterd!

Hossein heeft alweer iets van zich laten horen. Hij zou ons een toegang tot Iran kunnen regelen voor 400 dollar per persoon, op voorhand te betalen. Ik duik het internet in, en probeer toch iets meer te weten te komen over deze man en zijn organisatie. Het lijkt er echter sterk op dat die man enkel een soort tijdelijke import van de motoren regelt, hetgeen wij echter reeds hebben via onze Carnet de Passage en Douanes. Ik slaag er in om contact op te nemen met de andere Hossein, de oudere, die al tientallen jaren in dit vak zit, welke al snel laat weten dat er momenteel geen passage door Iran mogelijk is. Er zou wel transport mogelijk zijn van de motoren doorheen Iran naar de grens met Turkmenistan, waarbij wijzelf ondertussen een kleine rondreis doorheen Iran zouden kunnen maken, in een auto met chauffeur. Dat moeten we even laten bezinken, en vooral, we moeten wat meer gedetailleerde informatie krijgen.

Afbeeldingsresultaat voor marshrutka tbilisi

Tbilisi. Op naar het centrum, negen kilometer verderop, in een volle marshrutka voor 25 eurocent per persoon. Het minibusje biedt niet veel comfort, maar het is toch een belevenis welke we niet wilden missen. We betalen bij het opstappen, maar bij het afstappen vraagt de chauffeur ons nog eens geld. Vermoedelijk is het hem ontgaan dat wij reeds betaalden bij het opstappen. In het vervolg betalen we enkel nog bij het afstappen.

Tbilisi is een stad met veel mooie gebouwen. Het feit dat Stalin een Georgiër was is hier zeker niet vreemd aan. Verveling is er niet bij. Toch ook nog veel verkrotting, wachtend op de nodige fondsen voor herstelling.

Ze koesteren wel duidelijk hun erfenis, welke ook een grote bron is van inkomsten via de toeristische industrie die op volle toeren draait. Er wordt hier zowel Engels als Russisch gesproken, en er lopen veel Russen rond, bewijs dat de twee landen het nu wel wat beter met elkaar doen. Dat was vier jaar terug wel even anders. Aan de synagoge zie ik Chaïm zitten, de rabbi. Hij herkent mij niet. Ik spreek hem echter ook niet aan, en neem mij voor om vanavond eerst eens een fotootje van ons beiden op te snorren, en het hem dan morgen te tonen, als toegangsticket om de mooie synagoge nog eens te mogen bezoeken. We gaan eten op een terrasje aan een rustig pleintje. De jonge kelner vertelt ons dat jongeren hier op school twee vreemde talen leren: Russisch en Engels. Ik neem opnieuw een Ojaxuri, welke echter veel vetter en minder lekker is dan de vorige welke ik in Mestia at. Toch smakelijk genoeg met wat brood en een goed slaatje erbij.

Elsie heeft Frits gecontacteerd. Ze komt terug uit Nederland naar Tbilisi, en vraagt of ze iets voor ons moet meebrengen.

Na het diner wandelen we nog een half uurtje langsheen de grote prachtige statige gebouwen van Rustaveli, en nemen dan een taxi naar het hotel.

 

Dag 33 (Donderdag 1 mei 2019):

Vrije dag in Tbilisi (GE)

Het heeft vannacht enkele malen hevig geregend. Nu, om zes uur is alles alweer aan het opdrogen. Ik maak wat koffie klaar en zet mij aan het werk om Mister Hossein de Oudere onze wensen kenbaar te maken. Dan werk ik de blog bij, en bekijk eens wat we vandaag zouden kunnen bezoeken, terwijl we voor Fritz een kleermaker of schoenmaker zoeken. Zijn nieuwe motobroek, welke hij kocht in Thessaloniki, vertoont reeds losgescheurde naden, en dat moet zo snel mogelijk hersteld worden.

Het ontbijt wordt ons gebracht in onze ruime living, meer dan we op kunnen. Ondertussen bespreken we de ontwikkelingen in onze Iran-gate. Het aanbod van jonge Hossein lijkt mij wat louche. Het ene concrete in zijn verhaal is de voorafgaande betaling van een hele pak geld, zonder enige duidelijke vorm van garantie of invulling van de tegenprestatie hiervoor. We besluiten om hier niet op in te gaan. Blijft dan nog Hossein de oudere, afwachten wat die aanbiedt, en wat hij er dan ook voor vraagt.

Frits staat via Facebook ook in contact met Zofia, een Roemeense die op de motor Pakistan tracht te bereiken. Zij wil Iran in op 11 mei, en sprak met Oude Hossein af voor het vervoer van haar motor vanuit Armenië naar de Pakistaanse grens.

We nemen opnieuw de marshrutka naar het centrum. Het is minder druk in het busje vandaag, en we hebben onmiddellijk een zitplaats. Ditmaal betalen we enkel bij het afstappen.

We vragen her en der naar een kleermaker of een schoenlapper. Vier jaar terug zaten er tientallen hier in de buurt van Rustaveli. Blijkbaar zijn de meesten verdwenen, misschien omdat veel oude gebouwen plaats maken voor dure nieuwbouw. We vinden dan toch een ateliertje, maar de schoenmaker is een boodschap gaan doen. Na een ruim half uur keren we terug, maar de man is er nog steeds niet. Op vage aanwijzingen van een andere man gaan we dan maar oostwaarts, de rivier over. Hierbij passeren we aan ‘de droge brug’ een levendige en kleurrijke markt van waardeloze schilderijtjes en andere prullaria.

De Georgiërs schuwen het moderne niet!

Aan de overzijde van de rivier zijn dan heel wat mooie huizen en appartementsblokken, de ene nieuw, de andere gerestaureerd, sommige triestig maar nog steeds hoopvol of zelfs in blijde verwachting, en dan nog andere bij dewelke de doodsstrijd duidelijk en onomkeerbaar ingezet is.

In het oude centrum brengen we een bezoek aan de oude karavanserai uit de 17e eeuw, welke door de eeuwen heen wel enkele veranderingen heeft ondergaan, en nu eerder de indruk wekt van een eind 19e eeuws gebouw. Het herbergt het Historisch Museum van Tbilisi. De collectie is beperkt, en toont vooral de aanblik van het oude stadcentrum de vorige eeuwen. Er hangt zelfs een foto van een oeroude Belgische tram welke hier ooit rondreed. Op de bovenverdieping zijn diverse fototentoonstellingen in opbouw. In de kelder van het gebouw zijn winkeltjes ondergebracht onder prachtige gewelven rondom een grote open ruimte met gratis Wifi.


Naast het museum staat de oude Sionis kathedraal. Een priester staat buiten, voortdurend aan het telefoneren. Binnen hangt een lichte wierookdamp. Een vader loopt met zijn zoontje van acht mee met een priester naar een hoekje van de kerk. De priester zegent de jongen door hem al prevelend de hand op het hoofd te leggen.

De vader bedankt de priester en loopt erg opgewekt naar buiten. Elders in de kerk, ietwat afgezonderd, staat een andere priester die vermoedelijk de biecht afneemt van een vrouw met ootmoedig neergebogen hoofd. De zijkapellen van de kerk vertonen dezelfde orthodoxe opbouw als het hoofdschip: een openbare ruimte, een scheidingswand met opening en gordijn, en daarachter het Heilige de Heiligen, waar enkel de priester binnen mag. Naast de kathedraal staan buiten een reeks waterkraantjes, welke toch doen denken aan een musulmaanse wasplaats, welke je altijd naast een moskee aantreft.

Straks ontmoeten we Elsie, die regelmatig facebookt met Frits. Ze heeft ondertussen haar intrek genomen ergens niet zo ver hier vandaan. Onderweg vindt Frits toevallig een winkeltje waar lederwaren bewerkt en verkocht worden, genre Mayenne. Frits laat zijn broek hier achter, en morgen horen we of die hersteld kan worden.

Even later gaan we met Elsie eten op een terrasje op een binnenkoertje. Ze vertelt over haar wedervaren tijdens deze reis, de onderbreking in Nederland, haar prille en broze relatie met een nieuwe vriend, haar vroegere werk bij de politie.

Een uurtje later gaan onze wegen weer uit elkaar. We horen vermoedelijk nog wel hoe het haar vergaat. Wijzelf nemen een taxi naar ons hotel.

Hossein de oudere heeft geantwoord. Hij biedt zijn diensten aan voor 150 Euro per dag. Wat die diensten precies inhouden blijft in het vage. Over de andere kosten zoals overnachtingen en transport van de motoren geen woord. Niet van plan om zomaar in die wijd gapende mond te vallen beantwoord ik zijn mail met de vraag naar om wat meer precisie en duidelijke afspraken. Afwachten wat dat geeft…

Nachtrust is mij evenwel nog niet gegund. Een luidruchtig koppel in de kamer naast de mijne is begonnen aan een lange marsroute, niet in een marshrutka, maar in een krakend bed, vergezeld van de nodige oorlogskreten. Ik wacht geduldig, en pas nadat ze hun moment van glorie bereikt hebben wordt het stil, en kan ik ook de slaap vatten.

 

Dag 34 (Vrijdag 2 mei 2019):

Vrije dag in Tbilisi (GE)

De rustige vroege ochtenduren geven mij de gelegenheid de blog bij te werken en wat foto´s te plaatsen. (Zie boven: Lees meer…)

Om half negen wordt het ontbijt gebracht, met opnieuw lekker vers brood, meer dan we op kunnen.

De marshrutka brengt ons weer naar het centrum van de stad. Opvallend is dat toch nogal wat mensen, en zo ook onze chauffeur, enkele grote kruistekens na elkaar slaan elke keer ze een kerk passeren. Ook in Colombia, aan de andere kant van de wereld, kwam ik diezelfde schuchtere vroomheid tegen.

We bezoeken eerst het Georgian Museum of Fine Arts, ondergebracht in een prachtig nieuw stijlvol gebouw, waarin vooral schilderijen van de afgelopen eeuw in ondergebracht zijn.

Ernaast ga ik even Kashvetikerk van de Heilige Georgiu binnen, waar in het voorportaal de vurige tongen niet enkel op de apostels lijken neer te dalen, maar op elkeen die de kerk binnenwandelt.

In het winkeltje waar Frits gisteren zijn broek binnenbracht voor herstelling wordt nog even besproken wat er moet aan hersteld worden. Hij mag dan binnen een uurtje de broek komen ophalen.

We doorkruisen het oude centrum nog van her naar der, en trekken dan in de vroege namiddag de botanische tuin in, een enorm gebied gelegen achter de Nalikala-vesting en de oude moskee.

Door het park loopt een rivier die het grote oude badhuis vroeger van zwavelhoudend water voorzag. Frits, die er erg op aandrong dit park te bezoeken, neemt echter zelf plaats op een bankje, en ikzelf maak dan in zijn plaats een grote wandeling doorheen het park, welke vooral ook mooie uitzichten biedt over de onderliggende stad, die zich hoofdzakelijk concentreert langsheen beide oevers van de Kura rivier.

Na het ophalen van de broek gaan we nog wat zwerven doorheen de stad, onder andere even in een katholieke kathedraal, en gaan dan weer iets eten.

Op zoek naar een taxi babbelen we nog even met een Pool op een KTM990. Hij is op weg naar Azerbeidjan, en is nu aan het genieten van een hamburger. En net naast diens moto staat dan die ene taxi welke ons gisteren ook al naar het hotel bracht. De taxi is leeg; ik kijk even rond en zie de chauffeur daar wat verder babbelen met enkele collega’s. Hij brengt ons gezwind terug naar ons hotel.

Mister Hossein de Oude heeft niets meer van zich laten horen, hetgeen mogelijk betekent dat het voorstel dat hij ons deed inhoudelijk te licht was om de hoge prijs te verantwoorden. Ik verneem even later wel dat het een Poolse vrouw gelukt is met een zware motor zonder enige hulp van buitenaf toegelaten te worden tot Iran. Dus toch maar proberen?

 

Dag 35 (Zaterdag 3 mei 2019):

Vrije dag in Tbilisi (GE)

Vandaag wordt de ganse dag regen voorspeld, en zo te zien zullen ze nog gelijk hebben ook. Deze regendag hebben we nu echt eens als een rustdag ingepland, maar je weet wel, als het gaat kriebelen,…

Bij het ontbijt ditmaal een paar paardenogen, in plaats van hardgekookte eieren. De dienster vraagt ons of we vandaag kunnen afrekenen voor het hotel. Mogelijk zijn ze bang dat we morgenvroeg met de Noorderzon naar het Zuiden verdwijnen. Het wordt toch nog even duidelijk maken dat we reeds een voorschot betaalden aan Booking.com, en dat we slechts het saldo meer verschuldigd zijn. Een telefoontje naar de baas bevestigt dit en alles is dan gauw op een vriendelijke wijze beklonken.

Het regent pijpenstelen buiten.

Ik werk wat op de PC, vul mijn digitale belastingaangifte in, en ondertussen bespreken Frits en ik de invulling van de komende dagen en eventueel zelfs weken. Op het einde van de voormiddag wordt de grond me hier toch wat te heet onder de voeten, en ik ga, onder de paraplu, een motorzaakje bezoeken een kilometer verderop. Ik ga er even binnen, kijk wat rond, en keer al snel terug naar het hotel. Dan nog wat prutsen, en dan weer op pad, voor een ontmoeting met Stefano.

Het regent nog steeds. Het is zaterdag, en we moeten vandaag iets langer wachten op een marshrutka.

We hebben afgesproken met Stefano in zijn hostel, waar hij een kamer deelt met vijf andere gasten. Zo zien we nog eens hoe zo een hostel er uitziet. Het is gelegen op de binnenkoer van een groot pand, lijkt enigszins wel op een jeugdherberg van vroeger, maar dan op kleinere schaal. We ontmoeten er ook Kevin, een jonge Duitser uit Munster, wel goed geëquipeerd en voorbereid, in tegenstelling tot Stefano, die gewoon op de motor stapt, en gewoon afwacht hoe de wereld onder de wielen van zijn motor afrolt. Maar beiden zijn hier wel in Tbilisi aanbeland.

Het giet nog steeds pijpenstelen.

We gaan wat eten in een Turks restaurantje, lekker, maar zoals gewoonlijk teveel (misschien moeten we wat minder bestellen), en wanneer de dienster vraagt ´take away?’ antwoordt Frits bevestigend, doelend op ‘afruimen’, en komt ze even later met het resterende eten in een mooie doggy bag.

We vinden al gauw een taxi, gelukkig, want de regen heeft nog steeds niet opgehouden.

Vandaag zijn we reeds iets vroeger in het hotel. Mijn dagelijks verslag zal dus wat eerder dan gewoonlijk online staan, te meer dat we vandaag niet veel beleefd hebben.

Ik ga ook nog eens mijn motor checken, want die schokjes aan mijn voorwiel bij de laatste centimeters van het voorwiel blijven me intrigeren. Ik merk wat speling op het lager van mijn voorwiel. Oei ! Er dient zich dus toch een nieuw probleem aan met mijn motor. Ik zal geen rust kennen voor dit probleem opgelost is, en er dus een nieuw voorwiellager geplaatst is. Maar waar ga ik hier in Tbilisi zo een roulement vinden? Er rijden hier nauwelijks lokale motoren, en een winkel van Honda is er al helemaal niet.

Terwijl ik nog op de PC wat opzoekingswerk verricht om de dag van morgen in te vullen, krijg ik een telefoontje. Het blijkt een bezorgde baas te zijn, die nog niet de ganse betaling voor ons verblijf in handen heeft. Ik probeer zijn Russische uitleg te volgen, maar kan hem zelf niet uitgelegd krijgen dat wij reeds een voorschot betaalden aan Booking.com. Even later komt hij persoonlijk aankloppen, en ik laat hem een foto nemen van het reservatieformulier van Booking.com, waarmee hij een bewijs in handen heeft om het geld van Bookimg.com los te krijgen. Hij verlaat tevreden met veel bedankjes de kamer, en vraagt ook nog om een goede recensie te schrijven over het hotel. Dat laatste zal ik niet zo snel doen; ik hem mijn duim nog te hard nodig om hem nu al leeg te zuigen.

Om halftwaalf word ik wakker, en hoor buiten opnieuw dezelfde knallen welke de vorige nachten ook reeds een paar keer te horen waren. Ik kijk even uit het raam en zie dat het toch vuurwerk is. Het is snel afgelopen. Het regent nog steeds erg hard. Ik ga weer slapen.

 

Dag 37 (Zondag 5 mei 2019):

Tbilisi (GE) - Telavi (GE)

Het regenen heeft opgehouden. Ik heb redelijk goed geslapen, maar het aanhoudende verre gebral in één van de kamers zorgt er toch voor dat ik niet meer kan indommelen, en ik sta dan maar op. Het is zes uur.

Het ontbijt is iets minder vandaag, maar het geeft niet, we kunnen het toch niet op. Er mocht wel wat meer thee geweest zijn, maar ik zie er tegen op om die hele verplaatsing te maken naar het centrale keukentje ergens ver weg, om nog wat thee bij te vragen. Het is duidelijk dat hier met personeel gewerkt wordt dat zelf nog nooit een hotelrekening betaalde, maar daar als veeleisende klant ook wat voor in ruil verwacht.

We varen af, de grote plassen vermijdend, en nemen de noordoostelijke rondweg rond Tbilisi, om de drukte in de stad links te laten. Zon is er nog niet, maar hier aan de rand van de stad is het reeds 21 graden. Dat mindert wel snel wanneer we de heuvels inrijden. Hier en daar zijn door landverschuivingen, jaren geleden, delen van de weg weggespoeld, en haastig opgevuld. Vermoedelijk worden vóór elke verkiezingen plechtige beloftes gemaakt dat deze wegen, en nog vele andere, zullen hersteld worden. Het is bij ons niet anders.

Bij het naderen van de afslag naar Telavi stoppen we nog even voor een koffie op een klein terrasje naast een benzinestation. We babbelen er even met een truckchauffeur die vroeger vaak naar Rotterdam gereden is, en nog een woordje Hollands kent: ‘laden’. Hij was toen twintig dagen onderweg, tien dagen heen, en tien dagen terug. We vertellen over de afgelopen weken, en over onze verdere plannen. Een paar jonge vrouwen zijn er ondertussen komen bij zitten, evenals een jongen van nog geen twintig, die al de hele tijd wat rond ons hangt. Eén van de vrouwen is Azerbeidzjaanse, en is blij te horen dat we ook Azerbeidzjan zullen bezoeken. Ik vraag de jonge gast of ik ergens in de buurt wiellagers kan kopen. Een kilometer verderop zegt hij, en hij legt mij uit waar precies. Wanneer Frits de koffie wil betalen, zeggen ze dat het gratis is. We bedanken iedereen hartelijk. Zij zijn blij dat ze ook even op reis zijn geweest samen met ons.

De tip van de jongen blijkt goud waard, want vijf minuten later stap ik een onooglijk rommelig autoparts-winkeltje binnen dat hier op zondagmorgen doodnormaal open is. De brave man heeft een schoendoos vol lagers, en het juiste zit er tussen, net wat ik nodig heb: twee dubbel gesealde lagers 6202DU van Japanse kwaliteit (NSK) voor 250 Eurocent stuk. Ik meet alles nog eens goed na met een schuifpasser, en stap tevreden buiten.

Mijn Transalpje huppelt nu weer verder van contentement. We verlaten even later de hoofdweg, die verder naar Azerbeidzjan loopt, en nemen de drukke kronkelende weg doorheen de bergen naar Telavi. Van enige instabiliteit in de bochten voel ik nog niets, maar een versleten lager slijt al gauw verder uit en geeft vroeg of laat ernstige problemen. We stoppen even bij een oud kerkje, heel eenvoudig, heel armoedig.

We nemen een pas op meer dan 1700 meter hoogte, nemen daar dan ook de nodige kiekjes, en rijden weer verder. Het is hier heel wat frisser: nauwelijks 9 graden, maar de temperatuur loopt zachtjes weer op bij het afdalen in de vallei.

Frits heeft een kloostertje opgemerkt, en we rijden er even heen. Het is gelegen in een prachtig groene omgeving. De loofbomen die de lange dreef omzomen zijn pas in het blad gegaan, en blaken nog van jeugdige frisheid. Van de nonnen in het klooster kan ik niet hetzelfde zeggen, hoewel ze vriendelijk zijn, maar ons de toegang ontzeggen wegens aan de gang zijnde restauratiewerken. (aan het kerkje, voor alle duidelijkheid, niet aan de nonnen)

Wanneer we in hartje Telavi even stoppen om ons te oriënteren, en een hotel te zoeken, komt zachtjes een politieauto aangereden en stopt. Een rijzige jonge agent begroet ons enthousiast en ondervraagt ons honderduit, terwijl zijn wat oudere collega ongeïnteresseerd in de auto blijft zitten. Hij doet zijn best om ons logies en eten te kunnen aanwijzen, maar we verkiezen wat later toch eerder iets te zoeken buiten het drukkere centrum.

We nemen omstreeks 14u onze intrek in Sweet Home Hotel in Telavi. Terwijl we inchecken begint het te regenen van jewelste. Dat gaat ook al gauw weer voorbij. We krijgen een koffie en lekkere cake aangeboden, en relaxen even in de rustige tuin van het hotel.

Terwijl ik met Philippe aan het Whatsappen ben valt hier plots de stroom helemaal uit, en komt een abrupt einde aan ons gesprek. Frits en ik trekken dan maar de stad in, op zoek naar eten en vertier. Aan mooie gebouwen geen gebrek.

Het eerste zaakje waar we binnenstappen lijkt eerst wel aardig, want druk bezocht, zelfs door politiemannen, maar kan ons dan toch niet echt bekoren, want teveel MacDonalds-achtig. In het volgende restaurantje hebben we prijs: het is er rustig en net. De vriendelijke kelner (of is hij de uitbater?) die ons in keurig Engels aanspreekt is een Pakistani. We eten er lekker, en nemen er dan nog een chocolade ijsje bovenop. In het restaurant ontmoeten we een koppel, een Nederlander en een Ierse, een tiental jaar jonger dan ik, die gedurende zes weken backpacken door Iran en de Kaukasus. De Nederlander uit Tilburg werkte ooit nog lange tijd in Antwerpen voor Studio100, in de tijd van Samson en Gert. Ze hebben beiden net hun motorrijbewijs gehaald en plannen elke een motor te kopen, om ook ooit mee naar Azië te reizen.

 

Dag 38 (Zondag 6 mei 2019):

Vrije dag in Telavi (GE)

Om vijf uur word ik langzaam wakker, en een uurtje later, wanneer een mooi lentezonnetje de kamer binnenkomt, sta ik op. In de verte zie ik de hele bergketen van de Noordelijke Kaukasus, waarboven een kleine lange wolkensliert hangt. Telavi zelf bevindt zich in een brede alluviale vlakte van de Alazani rivier, waarvan het water uiteindelijk wel de Kaspische Zee bereikt, maar dan wel via een gigantisch stuwmeer dat Azerbeidzjan gebouwd heeft net aan de grens met Georgië.

Er is hier weer geen stroom, maar de batterijen van mijn toestelletjes zijn gelukkig opgeladen. Een koffietje zit er dus evenwel nog niet in, maar alles staat klaar. Tien minuutjes later is het zover. Mijn klein kookspiraaltje begint te pruttelen, en even later ben ik bediend.

Het ontbijt nemen we op een tafeltje midden de tuin. Er is een zekere drukte, want er is hier ook een groep Duitsers, echt bejaarden, vooral vrouwen, met een bus op reis door Georgië. Rond 9 uur laden ze hun bagage in en verdwijnen. Nu is het hier weer volledig rustig. We doen het kalm aan en gaan in de late voormiddag pas op stap door het stadje.

Er zijn mooie oude huizen, meestal goed onderhouden. In het centrum is er vooral de ommuring van het vroegere kasteel van de lokale koning van Kakheti, waarvan Telavi in de 17e eeuw de hoofdstad was.

Die kleine koninkrijkjes werden vroeger min of meer geduld door de machtige buur Perzië, zolang ze zich maar koest hielden. Ze hielden de lokale bevolking rustig, en vormden een buffer tegen andere, grotere buren.

In de namiddag nemen we de motoren, en gaan Gremi opzoeken. Hiervoor moeten we de Alazani vallei oversteken. Het landschap is hier op en top bucolisch. Wijngaarden, kudden schapen, loofbossen, kudden koeien, riviertjes, en steeds dichter komend, de lange bergketen van de hoge Noordelijke Kaukasus. Gremi was ooit een stad van 40 hectare, en de vroege hoofdstad van Kakheti in 16e en 17e eeuw, tot de Perzen alles met de grond gelijk maakten, behalve de burcht, waarin nu nog een kerk staat en het kasteel van de koning. Groot was dat kasteel niet, het was kleiner dan de kerk, en diende vermoedelijk enkel als toevluchtsoord bij belegering.

Eerst drinken we een koffie op een terrasje op wandelafstand van de kloosterburcht. Hier was vroeger vermoedelijk het eigenlijke stadje. Er is nog een restant van een badhuis.

De kelner is verdiept in een heel erg lijvig boek, schrikt even op, en bedient ons prompt. Bij navraag blijkt hij een werk over de geschiedenis van de orthodoxie te lezen.

Vervolgens wandelen en klimmen we tot in de burcht, die toch wel uniek gelegen is en uitzicht biedt over de wijde vlakte en de hoge bergen in de buurt. We bezoeken kerkje en museum, en klauteren langs lastige trapjes tot het hoogste verdiep.

Bij de terugkeer naar Telavi ga ik op zoek naar een werkplaats om mijn versleten lager te laten herstellen; Frits rijdt verder naar het hotel. Eerst laat ik de motor even afspuiten in een carwash, want de wielen zitten nog onder de modder van Mestia. Een man met een depannagewagen helpt mij op weg om een werkplaatsje te vinden.

Motorwinkels zijn er hier niet, maar scootermonteurs dan weer wel. De man heeft er de handigheid in, want even later is reeds één wiellager vervangen. Probleem is wel dat ik in het gehele geharrewar om een monteur te vinden en steeds de lagers te tonen en weer weg te bergen, één lager verloren ben, zodat de herstelling maar half gebeurd is. Enkel het linker lager, wat het meeste speling gaf, is vervangen. Na de herstelling voelt alles echter prima aan; ik merk geen speling meer. En een kwartiertje later ben ik alweer in het bezit van een nieuw lager, welke ik wel eens zal monteren van zodra het nodig is. Ik heb het nu zien doen, en het houdt niet veel in. Ik heb bijna al het nodige gereedschap, behalve een hamer.

Frits wacht mij reeds op om te gaan eten. Elke wandeling is er wel iets moois te zien. Ditmaal een oude Volga.

Elsie laat weten dat ze haar voet verzwikt heeft en naar het ziekenhuis is. Ik geef haar via Frits de raad om een gipsverband te weigeren indien de voet niet gebroken is. Zo kan ze voorzichtig haar reis verderzetten, haar motorlaars spalkt de enkel in voldoende mate.

Ik krijg van Motortrails goed nieuws in die zin dat onze uitnodigingsbrief voor Turkmenistan ons de keuze laat waar we Turkmenistan willen binnenrijden, via Iran, of via de boot in Türkmenbashi.

 

Dag 39 (Dinsdag 7 mei 2019):

Telavi (GE) – Sighnaghi (GE)

Mooi weer. Ik sta iets later, of eerder iets trager, op omdat het programma vandaag niet erg beladen is.

Ik werk de blog van gisteren gauwgauw wat bij en ga dan een klus afwerken. Bij het plaatsen van het lager is de montage iets te snel gebeurd naar mijn zin. Ik demonteer dus opnieuw mijn voorwiel en breng nog wat extra vet aan ter hoogte de snelheidsopnemer, zodat daar geen vet en vuil binnen kan dringen. Ik controleer nogmaals het wiel. Het draait mooi, sleept niet, én, er is geen speling meer. Het was allemaal nog niet zo erg, maar mijn gemoedsrust is ook belangrijk.

Bij het ontbijt zijn we de enige gasten. De heel erg vriendelijke receptionist maakt ons ontbijt klaar. Hij vertelde mij gisteren dat hij pas 25 jaar oud is; hij lijkt al 40. We ontbijten op het gemakje, en omstreeks tien uur gaan we dan de motoren laden. We mogen echter nog niet vertrekken, want er staat nog een grote kop koffie klaar voor ons, met nog een groot stuk taart er bij. Frits slaagt er niet in de taart volledig op te eten. Ikzelf laat een deel van mijn koffie staan. Teveel is teveel.

Na een kwartiertje rijden passeren we één van de grootste wijndomeinen van de regio, met vooral een heel mooi  kasteel en Engelse tuin van begin 19e eeuw:  Chavavadze. Het ganse domein was ooit eigendom van prins Chavavadze, maar het domein raakte in handen van de tsaar toen een roversbende uit Dagestan de ganse familie van de prins ontvoerde. De prins leende het losgeld van de tsaar maar kon de enorme som nooit terug betalen.

We rijden dan weer verder. De hele rit hebben we uitzicht op de prachtige hoge besneeuwde Noordelijke Kaukasus aan de overkant van de enorme vallei. Dan klimmen we zelf even zuidwaarts langsheen een heel steile weg met tientallen haarspeldbochten en komen aan in Sighnaghi, een heel klein stadje met een enorme bijna intacte omwalling met 23 torens. Het stadje is mooi, maar toch net iets te toeristisch druk, en wat vuil en rommelig.

We vinden al gauw het hotel, waar een verveelde eigenaar ons incheckt. Frits meldt alweer dat hij bij het rijden geklop hoort in de voortrein van de motor, en ik beloof hem er straks even naar te kijken. Eerst wat rusten.

Die taart van daarstraks was lekker, maar heeft mij loom gemaakt, en ik ga even op het bed liggen. Zoef, weg. Ik wordt een uur later wakker. Ik stuur een whatsapje naar Frits. Ook hij was even van de kaart geweest, maar is er nu klaar voor. Even later zijn we op stap. Klimmen, dalen, een drukte van jewelste, kraampjes… Maar ook mooie huizen en verrassende hoekjes en uitzichten.

Dan nog eens een koffie om ons scherp te houden.

Wat verder kom ik een collega tegen, ook op reis, maar op een ezel. Hij heeft een mooie trousse, evenals puntige glimmende schoenen. Maar aan dát tempo geraakt hij niet in Mongolië, want die ezel is met geen stok verder te krijgen. Frits maakt een foto van ons beiden.

Terug in het hotel gaan we aan de slag. De motor van Frits wordt opgebokt, en ik lodder even aan de voorvork. En inderdaad het loddert heel erg. Toch is er bij het draaien geen oneffenheid te voelen, dus hoop ik dat het zal meevallen, en dat het euvel verholpen zal zijn door het balhoofdlager wat op te spannen. Een kwartiertje later is de speling volledig verdwenen, en draait het stuur zacht, soepel en zonder enige hapering. De eigenaar van het hotel kijkt ditmaal geïnteresseerd toe en hoort ons uit.

Nu ga ik zelf nog even het Bodbe kloostertje bezoeken, enkele kilometers verderop. Gelukkig ben ik op de motor, want het is even zoeken, en ik rij enkele kilometers verkeerd op een steile onverharde weg. Het kloostertje blijkt een heel actief groot klooster te zijn, gerund door een grote bende nonnen, van alle leeftijden, dus ook verse nonnen, die als mieren overal druk in de weer zijn. Ik zie een nieuwe kerk en een veel grotere oude, maar bij nader inzicht is die kleine kerk heel oud, maar hebben ze er aan de buitenkant een nieuwe baksteen voor gezet. Binnenin zijn veel mooie goed bewaarde muurschilderingen. De grote kerk, in prachtige natuursteen, niet gerestaureerd zoals ik eerst dacht, is nieuw, nog in aanbouw en niet te bezichtigen. Op de helling van de berg zijn rond het klooster grote groentetuinen in terrasvorm aangelegd, allemaal perfect onderhouden.

Die nonnen lijken mij in goeden doen, maar ik zie er geen enkele met een opgewekte blik. Het grootste deel van het domein is niet toegankelijk voor bezoekers.

Rond zeven uur zitten we dan weer op een mooi terrasje in het stadscentrum, met panoramisch uitzicht over het marktje onder een lauwe ondergaande zon. Ik bestel kalfsvlees met Mexicaanse patatjes, en krijg heel lekkere stoverij, net zo lekker als bij ons. Ik slaag er niet in alles op te eten, en ook niet om mij een uurtje later in het hotel nog aan de computer te zetten om het reisverslag bij te werken.

Slapen is nog niet mogelijk, want enkele Russische gezinnen met kinderen maken teveel lawaai.

 

Dag 40 (Woensdag 8 mei 2019):

Sighnaghi (GE) – Haghpat (AM)

Goed geslapen. Het weer blijft zonnig.

We hebben vandaag een langere rit voor de boeg dan we de laatste week gewend waren. We gaan deze namiddag Armenië binnen. Problemen hebben we niet te verwachten. Ik werk de blog bij en neem de route door.

Het lawaai gisteravond bleek niet echt van de Russen en hun kinderen te komen (die hoorden we nu en dan wel want die konden ook niet slapen), maar van een groep arbeiders, die in de streek werkzaam zijn en samen in het hotel verblijven. Vermoedelijk leggen ze een soort leiding aan, want er staan buiten vier kleine vrachtwagentjes uitgerust met een hoogtewerker. Bij het ontbijt krijgen we honing, zonder twijfel van eigen kweek gezien de tientallen bijenkasten welke naast het hotel staan.

We verlaten Sighnaghi, en rijden doorheen de heuvels richting Tbilisi. Even later komen we op de hoofdweg Tbilisi – Bakoe, waar we terug naar het Westen rijden, richting Tbilisi. Er is veel verkeer. Aan een prachtig burchtje naast de weg maak ik halt en ga even op verkenning. De klim naar boven maak ik niet omdat ik mijn spullen niet onbeheerd wil achterlaten. Twee oudere mannen bieden ons een ritje op een paard aan, tegen betaling uiteraard. Ik wuif het vriendelijk af; ik heb mijn eigen paardje mee. De ene man druipt af, en de andere blijft nog wat babbelen. Hij is zestig jaar, nog hele dagen aan het werk, vruchteloos wachtend op toeristen die eens op de rug van dat stinkend paardje willen zitten, en is verwonderd dat wij zoveel vakantie kunnen nemen.

Een eindje voor Tbilisi kom ik het winkeltje tegen waar ik reeds twee lagers kocht. Ik stop er weer, laat de man achter de toonbank nog eens in zijn schoenendoos rommelen, en jawel, hij haalt er nog vijf lagers uit die we kunnen gebruiken. De prijs is ondertussen gezakt: 200 Eurocent per stuk. Bij ons is datzelfde lager 5 tot 15 maal zo duur.

De GPS van Frits, die het al sedert Georgië niet zo goed doet, blijkt beter te werken wanneer we er een niet al te verre bestemming invoeren. Zo brengt het toestelletje ons vlot door het gekrioel aan de zuidrand van Tbilisi, en beginnen we eindelijk de eindbestemming te naderen: Armenië. De temperatuur is inmiddels opgeklommen tot bijna dertig graden.

Aan de Georgische kant van de grens vraagt de douanier naar mijn rijbewijs. Wat voor zin heeft dat nu, net wanneer ik het land verlaat? De passage doorheen de Armeense grenspost gaat in feite vlot, maar neem wel heel wat tijd in beslag door de hele Sovjetstijl papierwinkel welke we hier moeten doorlopen. Geld kunnen we niet wisselen, want de computer is uitgevallen. En dan komt er ook nog een grensverzekering bij. En telkens opnieuw worden alle identiteitsgegevens van de moto’s en onszelf weer moeizaam ingetikt. De verzekering mogen we gelukkig betalen in Euro’s. We krijgen terug in Armeense Drams, waarmee we dan toch aan wat lokale munt raken.

De GPS laat het weer afweten. Bewegwijzering is hier minimaal. Met de GPS op de smartphone kunnen we ons maar deels behelpen, want je moet er telkens voor stoppen. Onze route bevindt zich in een diep ingekloven vallei, tussen hoge rotswanden in, zodat de GPS de signalen van de satelliet niet goed kan capteren, en onze positie er vele honderden meters naast zit. Even na de grens rijden we al verkeerd, maar zien na een tiental minuten de fout in en keren terug, om dan even later de goede weg op  te gaan. Deze streek is heel schaars bevolkt. De natuur, de bergen en de rivier zijn groen, woest en overweldigend. De weg is abominabel slecht. Bij het naderen van Haghpat, onze eindbestemming, krijgen we nog een fikse regenbui te verwerken, hoewel we volop in de zon blijven rijden, en het water onmiddellijk weer verdampt. We vinden de afslag echter niet, rijden een eind terug, waarna ik de weg ga vragen aan iemand die net zijn huis buitenkomt. De man helpt ons snel op weg. We hadden daarnet niet hoeven weer te keren, de afslag bevond zich even verder. Hier stijgt het heel erg hard, en al kronkelend langs de bergwand doorheen de Debed kloof bereiken we uiteindelijk Haghpat. We rijden er helemaal door tot we niet meer verder kunnen, en maken halt aan Hotel Haghpat, recht tegenover het Haghpatklooster, dat behoort tot het Unesco Wereld Erfgoed.

We hebben geluk: het hotelletje heeft maar vijf kamers, maar ze hebben er nog twee voor ons. We krijgen dan ook nog een welkomstthee en koffie aangeboden met wat koeken, én vooral: Aljonka-pralientjes van Rode Oktober. Mijn dag kan niet meer stuk.

Frits is onder de indruk dat de lastige dag nog zo een mooie afloop kent, op zo een mooie unieke locatie. We gaan dan het klooster bezoeken, dat een heel aantal kerkjes omvat.

Het hele complex blijkt één grote begraafplaats te zijn. Óveral liggen ze begraven, op, naast, en in de kerk. Wanneer de ene kerk vol was, bouwden ze er wel een nieuwe naast. Maar indrukwekkend is het wel, uniek en mooi. De lage namiddagzon schijnt de kerkjes binnen en belicht sfeervol alle graftegels die de vloeren van de kerken bedekken.

Het hotelletje telt slechts vijf kamers, en wordt gerund door een hele familie, waarvan hier vier generaties rondlopen. Dat rondlopen klopt vooral voor de moeder en de dochter, twee vriendelijke vrouwen van het ‘sloorkes’-type, terwijl de grootmoeder, pasja-mama, vanuit haar zetel alles observeert en stuurt. Die pasja-mama is evenwel ook erg vriendelijk, en houdt er toezicht op dat ons niets ontbreekt, en geeft toestemming dat we het diner toegediend krijgen op het terras in plaats van beneden in de eetzaal. Het avondmaal bestaat uit barbecue van kip, varken en aardappelen, vergezeld van een massa groenten, het ene al lekkerder dan het andere.

Rond 8 uur wordt het al donker en zoeken we onze kamer op. Buiten hult het dorpje zich in stilte, nu en dan eens doorbroken door een zeldzame lawaaierige auto die zich op het pleintje komt draaien, of een klein groepje jongeren die er wat komen rondhangen. 

Iran begint te naderen. Vandaag vernamen we dat het alweer een motorijder gelukt is om Iran binnen te raken.

 

Dag 41 (Donderdag 9 mei 2019):

Haghpat (AM) – Yerevan (AM)

Zes uur. Mooi weer, maar nog aangenaam fris in de bergen. Buiten op het pleintje staan al enkele mannen. Dat is een typisch beeld in het Midden-Oosten: mannen die overdag schijnbaar niets te doen hebben, rondhangen, soms wat telefoneren, en palaveren met elkaar.

Om halfacht gaan we eten. De mannen staan er nog steeds, er zijn er een paar bijgekomen. We krijgen een mooi ontbijt. De thee is een soort bergkruidenthee welke ik ook reeds dronk in Burrel, in Albanië. Even wennen, maar toch lekker. Wel vier soorten eigengemaakte confituur met de ganse vruchten er nog in. Even opletten voor de tanden, want de kersen bevatten nog pitten. Verder een heerlijke omelet, kaas, cake, pralinen, en zelfs spekken.

We vertrekken nog niet onmiddellijk. We hebben wel een uur nodig om op de PC te zoeken naar een geschikt en betaalbaar hotel in Yerevan, de hoofdstad van Armenië.

We verlaten met enige pijn in het hart dit paradijselijk plekje, en dalen weer af in de vallei, waar de abominabele weg ons voert naar Alaveri. Hier was vroeger heel wat zware industrie, welke nu volledig vergaan lijkt. Betonnen en ijzeren skeletten staan werkloos aan de kant van de weg; Wouter zou hier een serieuze kluif aan hebben. Het stadje zelf oogt redelijk fris door de nieuwe asfalt die gegoten is. Ook is er een matige voormiddagdrukte, en de mensen ogen erg verzorgd. In een mooi bankje gaan we geld afhalen.

Even buiten de stad is het weer hobbelen, kuilen vermijden, en auto´s inhalen, want onze Transalpjes zijn hiervoor veel geschikter dan die luxevoituren. Even verder zijn er wegenwerken met een stoplicht. We passeren zachtjes de lange file. Een man met een vlagje doet teken dat wij mogen passeren met ons smalle motoren. Nog wat verder is de weg als een biljartlaken. Nu de weg wat minder onze aandacht opeist is het volop genieten van deze prachtige streek. Woest, ruig, kolkend, groen, enorm bebost, en heel schaars bevolkt.

Armenië telt slechts 3 miljoen inwoners. Hiervan wonen bijna de helft in de hoofdstad Yerevan. Er wonen meer Armeniërs in Rusland dan in Armenië, waardoor soms gezegd wordt dat Poetin de president is van de Armeniërs. En dat is helemaal niet onterecht, want Armenië is in grote mate afhankelijk van de hulp van Rusland, en van de Armeense diaspora in zijn geheel. Armeniërs voelen zich cultureel ook wel enigszins verbonden met Rusland, hoewel hun kerk zich reeds vele eeuwen terug afsplitste van de klassiek orthodoxe kerken.

Vanaf Vanadzor slaan we af richting Sevan meer. De weg is hier van veel mindere kwaliteit, maar we volgen een lang mooie vallei langsheen een besneeuwde bergketen.

Wonderwel vinden we hier onderweg een groot nieuw verzorgd restaurant waar we een koffie drinken.

Dilijan staat geboekt als een mooi toeristenstadje, maar aangezien we tijdig in Yerevan willen aankomen, en er op het eerste zicht niet veel ‘moois’ te bespeuren valt, besluiten we niet op zoek te gaan naar enig moois. Mogelijk is al dat moois´´ wel in de omtrek te vinden, en is het stadje zelf een uitvalsbasis hiervoor.

We rijden nu zuidwaarts, opklimmend naar de licht besneeuwde toppen. Het is hier redelijk druk. We steken een file vrachtwagens voorbij welke stilstaan. Oorzaak is de tunnel die afgesloten is. Motoren en auto´s kunnen echter ook via de oude Sevan-pas op 2100m oversteken. Bij het afdalen zien we onmiddellijk het enorme turkooise Sevan meer dat met zijn 1400 km2 op een hoogte van bijna 2000 meter ligt. Rondom het meer is er verval, afval en chaos. We hebben noch de tijd, noch de moed om ergens een mooi plekje te gaan zoeken.

We nemen vanaf hier de autosnelweg tot in Yerevan, waar we even in een file terecht komen en dan op zoek gaan naar het hotel, dat aan de rand van de stad ligt.

Best View Hotel is relatief nieuw. We worden ontvangen door de poetsvrouw, ik schat ze 30 á 40, een duiveltje doet-al. Ze geeft ons ruime comfortabele kamers. We laden de motoren af en plaatsen ze op een afgeschermde parking. Een uurtje later komt de manager of receptioniste. Ze vraagt me of ik nu al kan betalen in cash, wat ik ook doe, maar ze kan niet weergeven. Het hulpje wordt naar bank gestuurd even verderop voor wisselgeld. Even later komt Frits ook betalen. Hetzelfde scenario herhaalt zich…

We bevinden ons op enkele kilometer van het centrum, in de heuvels rond de stad, dus nemen we een taxi, die net geen 2 Euro kost. Goedkoper dan de tram bij ons.

Yerevan heeft een mooi nieuw of vernieuwd stadscentrum waar grote drukte en ambiance heerst. De stad is 2800 jaar oud, is altijd bewoond geweest, en dat wordt herdacht. Aan cafés en restaurants geen gebrek. De prijzen zijn vergelijkbaar met deze bij ons. Er rijden heel veel erg dure auto’s, evenals prachtige oldtimers.

We slenteren wat rond en gaan dan lekker eten op een terrasje.

Dan terug met taxi naar het hotel. Het is ondertussen wat beginnen regenen. De taxichauffeur noemt Robert, heeft een universitair diploma geschiedenis, en heeft slechts vijf jaar lesgegeven, waarna hij in het leger gegaan is en opgeklommen tot kapitein. Hij is nu 55 en op pensioen, maar klust nog bij als taxichauffeur. Het lijkt een vriendelijke man, maar koestert tegelijkertijd rabiate gevoelens jegens Russen en Azerbeidzjanen.

Nu kunnen we wel wat rust gebruiken.

 

Dag 42 (Vrijdag 10 mei 2019):

Vrije dag in Yerevan (AM)

Het hotel is heel erg rustig gelegen, en ik heb dus goed kunnen slapen. Wanneer ik wakker word is er geen stroom. Die herstelt zich pas zowat een uur later. Het heeft vannacht wat geregend, maar het belooft een zonnige dag te worden. Ik ben iets achter geraakt op de blog maar probeer die enigszins wat bij te werken.

We gaan samen naar de kelderverdieping die achteraan uitgeeft op een terras, waar ook de motoren staan. Het ontbijt is verzorgd en lekker.

Een taxi brengt ons naar de Tsitsernakaberd heuvel, even buiten de kleine stadsring. Daar bezoeken we eerst het imposante herdenkingsmonument van de Genocide, en daarna het Museum van de Genocide.

Dit is een mooi opgebouwd museum, drie of viertalig. Het beschrijft chronologisch de gebeurtenissen vanaf het einde van de 19e eeuw, de eigenlijke massale genocide tussen 1910 en 1920, de actieve en passieve medeplichtigheid van andere landen, en de naweeën, die ook vaak nog een genocidaal karakter hadden. Je kunt er niet omheen: de Armeniërs hebben vele donkere tijden gekend, net zoals de andere Kaukasische volkeren, en de genocide is er slechts één van, zij het van een dermate gruwelijke aard, dat dit een plaats verdient in het collectief geheugen en geweten van de mensheid.

Gerelateerde afbeelding

We vertrekken van de herdenkingssite en nemen vervolgens een koffie in de nabijgelegen luxe groene jungle ‘Le Garden’.

Met een taxi terug naar het centrum, voor een bezoek aan het Historisch Museum op het Plein van de Republiek.

Redelijk interessant, maar spijtig genoeg grotendeels in het Armeens. Het Museum van Schone Kunsten is grotendeels dicht wegens verbouwing, evenals de toiletten. Het is toch net tijd om nog even uit te rusten bij een kleine versnapering…

Op onze stadstoer passeren we een mooie kleine luxe Ducati-shop, waar toch enkele dure Ducati motoren staan. We kijken even rond, in het nette werkplaatsje achteraan sleutelt een monteur aan een Vespa scooter.

We vervolgen de wandeling door het Charles Aznavour park met toeristenkraampjes en komen uit op de kleine stadsring, waar we een taxi nemen, terug naar het hotel. Ik neem even rust, verfris mij, en daal dan te voet van de heuvel af tot aan de rand van het stadscentrum. Zo zie ik eens de stad vanuit een andere hoek, deze van de kleine man in zijn eigen milieu, en de kleine winkeltjes en nerinkjes waar ieder op zijn eigen manier tracht van te overleven.

Dan terug naar boven, de helling op. Dat is een stuk lastiger.

En rond halfzeven alweer met Frits per taxi naar het centrum, want in de buurt van het hotel zijn geen restaurants, behalve twee afhaal-Armeniërs. In een drukke straat vol restaurantjes vinden we al gauw onze gading. Er is slechts één tafeltje meer vrij op het terras, net voor twee personen. Ik bestel een lamsschotel met bonen, en daarnaast nog aardappelen. Het wordt wat frisser, en ik trek mijn nieuwe regenjasje aan. Het lamsstoofpotje komt er aan, zonder aardappelen. Ik wacht geduldig…

Ondertussen koelt de lamsschotel af. Na wat aandringen komen de aardappeltjes er dan toch aan, met duizend excuses voor de vertraging. Maar, wat merk ik nu? Mijn lamsschotel bevat helemaal geen vlees! Oei dat zijn ze vergeten… Tien minuten later, de tijd om de aardappelen goed te laten afkoelen op het avondterras, komt de nieuwe lamsschotel er aan, mét lamsvlees en opnieuw met duizend excuses. Terwijl ik aan het eten ben passeert een kelner, laat ‘iets’ kletterend vallen, en ik voel ‘iets’ langs mijn rug strijken. De kelner loopt door zonder verpinken. Ik voel aan mijn rug: die zit gans onder de yoghurtsaus, en mijn hand en mouw natuurlijk ook door het voelen. Die kelner doet alsof zijn neus bloedt, en maakt geen aanstalten om gans het boeltje te komen opkuisen van mijn rug, de stoel, en de vloer. Ik dan zelf maar naar binnen naar de toog. Ik moet niets zeggen, de witte saus druipt van mijn handen en mijn knalrode regenjasje. De kelner trekt bleek, want de ogen van de baas schieten vuur. Ze nemen de jas mee naar de keuken om hem af te spoelen; ik hoor ondertussen enkele donderpreken vanuit de keuken tot aan de toog schallen, en enkele minuten later krijg ik mijn jas terug, netjes afgespoeld. De excuses heb ik niet meer geteld, die druipen nu ook reeds van mijn jasje af, zoals water van een eend. Incident gesloten; geen enkel gebaar ter compensatie.

In het hotel whatsap ik ’s avonds met dochter Joke en kleindochter Lieselot, welke morgen twee jaar wordt.

 

Dag 43 (Zaterdag 11 mei 2019):

Vrije dag in Yerevan (AM)

Ik ben vroeg wakker, maar goed uitgeslapen. Ook mijn buur (niet Frits) is reeds aan het rommelen, maar dat stoort mij niet. De blog kan niet wachten en slorpt al mijn aandacht op.

Na het ontbijt gaat Frits zijn motor laten afspuiten, want die zit nog onder Svanetische modder. Mijn laarzen trouwens ook; ik neem die zelf ook eens onderhanden met die wegwerptandenborstel die ik in het hotel kreeg. De rest van de voormiddag wordt dan besteed aan klusjes, GPS uittesten met coördinaten, en dan een kalender, een route, en hotels optekenen voor Iran.

Het stadsbezoek vatten we kort na de middag weer aan. Eerst nog even door het centrum naar de blauwe moskee, die momenteel met Iraans? geld opgefrist wordt. De site is een echte oase van rust in deze drukke stad.

Vervolgens een bezoekje met fikse klim aan de oudste nog levende wijk van Yerevan. De wijk is nog wel bewoond, maar de meeste huizen overstijgen het niveau van krotwoning niet.

Je ziet dan ook rondom dat de hoognieuwbouw ook dit laatste relict in haar wurggreep genomen heeft. We dalen dan weer wat af naar de rand van de binnenstad, waar het echte drukke leven zich afspeelt. Drukte door de hoeveelheid mensen, maar geen jachtigheid.

We gaan heel lekker eten in het erg verzorgde restaurant Gusto.

 

Dag 44 (Zondag 12 mei 2019):

Yerevan (AM) – Goris (AM)

Door het lawaai gisteravond in het hotel ben ik slechts rond middernacht in slaap gevallen. Ik werd ook omstreeks 1 uur vannacht opgebeld door iemand via whatsapp. Ik was te ver weg om op te nemen. Ik word om vijf uur wakker, maar val weer in slaap tot 6u30. Dan wordt het natuurlijk alle hens aan dek: koffietje maken, route voor vandaag doornemen, hotels zoeken voor komende twee dagen in Armenië, boeltje samen rapen en mij een schoonheid aanmeten.

Maar het is moederkesdag vandaag, mijn eerste gedachten gaan naar al die lieve moederkes die ik achtergelaten heb. Natuurlijk eerst en vooral mijn eigen mama, zonder wie de andere moederkes geen kans gekregen hadden om één van mijn moederkes te worden. Dan natuurlijk pasja-mama Christien, mijn drie dochters, waarvan de jongste zelf geen kinderen heeft, maar zich persoonlijk en moederlijk ontfermt over haar neefjes en nichtjes en over al haar leerlingen. En niet te vergeten de twee kleindochterjes, waarvan de jongste nog onlangs bewees een echte moederkloek in wording te zijn, door haar baby in allerijl te redden van de gevaarlijke stofzuiger.

Gerelateerde afbeelding 

Dit moedertje waakt alvast over Yerevan en over gans Armenië.

Na het ontbijt verlaten we Yerevan. Het is zondagmorgen en dus nog erg rustig op de weg. We komen terecht op een 6-baans autosnelweg, mét pechstrook. Geleidelijk aan versmalt de weg. Hoe verder van Yerevan, hoe slechter de wegen. Onmiddellijk buiten de stad zien we aan onze rechterzijde de enorme berg Ararat, meer dan 5000m, met ten zuiden ervan de ´kleine´ Ararat, slechts 3000m. Spijtig genoeg is de top van de Ararat in wolken gehuld. Op deze berg zou Noë gestrand zijn met de ark, en zou die ark daar ergens boven begraven liggen in de eeuwige sneeuw.

We slaan dan af in Khor Virap, nog steeds gelegen in de enorme half-woestijnachtige vlakte die Yerevan omringt. waar een klein kloostertje met bijhorend kerkje boven op een rots een prachtig uitzicht biedt op de Ararat, en ook op Turkije, dat hier slechts een paar kilometer vandaan ligt. Gans het oostelijk deel van Turkije hoorde vroeger bij Armenië. De Armeniërs werden er opgelost met de hulp van de Koerden, maar nu voelen die zich op hun beurt tekort gedaan door de Turkse regering.

We zetten onze weg verder. Nu en dan zien we een bus met kinderen op schooluitstap, en dat op een zondag.

De grootste bezienswaardigheid vandaag is evenwel de natuur: de bergen, de valleien, de ontluikende lente, het boerenleven. We rijden urenlang langsheen besneeuwde toppen, en steken zelf ook nu en dan een pas over, de hoogste zo een 2400m. De temperaturen blijven heel erg aangenaam: van 25 tot 18 op de passen.

Onderweg slaan we nogmaals af, ditmaal doorheen een kloof met hoge wanden, en volgen dan een kleine vallei tot op haar einde, waar weer een klooster te bezichtigen is in een heel unieke aride omgeving: het Noravank klooster.

Natuurlijk weer veel bussen en andere toeristen, en de hele kermis, wat dan wel de vredigheid onttrekt aan dit afgelegen goddelijk plekje. Met wat bezinning en verbeelding levert het toch een bijzondere ervaring op.

We rijden op grote hoogte, en de sneeuwgrens is nooit ver af.

In Goris gaan we dan omstreeks 16u op zoek naar het hotel, waar ik via de computer mijn oog op laten vallen heb. We zoeken niet al te lang, en ik roep dan de hulp in van een paar vriendelijke inboorlingen, die in hun auto stappen, en ons gidsen naar een ander hotelletje, dat ons al heel snel in de smaak valt: Hotel Zanger. (Zanger betekent hier ´klok’)

De motoren staan achteraan het hotel. We controleren het oliepeil, welke bij beide motoren nog steeds perfect staat. Het balhoofdlager van Frits’ motor is nog niet zoals het hoort.

Ik span het nog wat verder op en stel dan vast dat er een kleine typische hapering in zit welke ik ook vroeger bij mijn motor voelde. Het lager is dus versleten. Vervanging is echter niet dringend. Misschien kan Dirk-Jan een nieuw lager meebrengen.

Nog even whatsappen met de familie thuis. Iedereen stelt het goed.

Dan op stap naar het centrum op zoek naar een restaurantje. Eettentjes liggen hier niet dik gezaaid. Winkeltjes genoeg daarentegen. Dit is dan ook het  enige stadje in de verre omtrek. Ik bestel een borsj, een soep met groenten, aardappelen en vlees, die erg lekker blijkt. Gelukkig, want de rest, kip en aardappelen, is niet echt veel soeps.

 

Dag 45 (Maandag 13 mei 2019):

Goris (AM) – Meghri? (AM)

Om vier uur word ik de eerste keer wakker, na een goede rustige nacht. Een hond is in de verte nu en dan aan het huilen. Ik dommel nog wat verder, maar sta dan toch op om vijf uur. Het gehuil van de hond verdappert. Andere honden beginnen ook hier en daar te blaffen. Wat een geluk dat die toch het grootste deel van de nacht stil bleven.

Straks vatten we de laatste verplaatsing aan doorheen de Kaukasus; althans, dat hopen we…

We krijgen in dit hotel een verzorgd ontbijt aangeboden. De pittige koffie is een Turkse koffie, maar dat blijkt pas wanneer de kop bijna leeggedronken is. Zó moet het zijn: het gruis moet netjes bezinken en niet in de mond terechtkomen. Hoe ze het doen weet ik niet.

We zijn hier maar 1 nacht gebleven, maar als Iran niet doorgaat, komen we hier overmorgen terug op onze terugweg naar het Noorden.

We nemen afscheid en vertrekken; eerst de heel steile weg terug naar boven, want Goris ligt heel diep in een vallei. Het Transalpje doet zijn best. Enkele kilometers verder slaan we af richting Tatev. Net vóór het bereiken van de Tatev vallei stoppen we even bij de enorme teleferiek welke ze hier aan het verbouwen zijn. Deze overspant de ganse Tatev vallei met haar bijna 6 kilometer. Aan de overzijde ligt een kloostertje op een rots boven een heel diepe kloof. Wijzelf dalen af met de motoren, steken over aan de duivelsbrug, waaronder het water zich met geweld door een smalle rotsspleet perst. Terug boven wacht ons dan de beloning: een kloosterburcht, in redelijke staat met renovatiewerken aan de gang. Frits heeft genoeg kerkjes gezien, en installeert zich op een terrasje met een koffie.

Ik niet. Die kerkjes zijn hier niet zomaar enkel uit devotie gekomen. Er is telkens iets bijzonder aan de plek waardoor ooit een aantal mensen beslist hebben om hier gans hun leven door te brengen. Hier wilden ook hoogwaardigheidsbekleders begraven worden; dicht bij God, dicht bij de natuur, heersend over de ganse omgeving. Ben je op zoek naar een buitenverblijfje? Kom dan eens naar Tatev, en vind maar eens elders zó een hemelse plek op aarde…

In de kerk neem ik een paar foto’s van twee heel jonge Armeense gezinnetjes met elk één dochtertje; dat laatste leid ik af aan het hoofddoekje op het hoofdje van elk kind. Elk koppel heeft drie kaarsjes samen geplaatst in de kaarsenzandbak. (vandaar die grote vlammen)

Zij nemen dan een foto van mij (met mijn toestel). Het meest bijzondere aan de site zijn echter de vertrekken van de bisschop, met een fenomenaal uitzicht over de bergen en de vallei. Sta zó elke dag eens op! Je bent direct wakker.

Ik keer terug naar de motoren en zeg Frits dat hij ook moet gaan kijken, wat hij dan prompt doet.

Tot hier was de weg in goede staat, maar wij rijden nu zelf verder zuidwaarts, en van asfalt is er geen sprake meer. We rijden een kilometer verder naar boven de berg op, en stoppen even om van bovenaf de kloosterburcht te bewonderen. We ontmoeten hier twee zeventigers op de fiets: een Zwitser en een Serviër.

We zullen pas binnen enkele uren beseffen welke prestatie déze mannen verricht hebben om hier te geraken. Zelf doen we er twee uur over om over onverharde wegen berg op, berg af deze fenomenale streek te verkennen. Voor Frits is het de eerste maal dat hij over zulk een afstand over onverharde wegen rijdt. Deze dag zullen we niet gauw vergeten.

Video off-road door Tatev

Even vóór Kapan komen we terug op een verharde weg. Kapan is een stadje van redelijke omvang, met een proper en redelijk modern centrum, maar omgeven door massa´s appartementsgebouwen. Er wonen hier dus veel mensen. Van wat zouden die hier leven? Misschien mijnbouw en zware industrie? We eten een ijsje met fruit en drinken dan nog een koffietje.

Een half uur later weer op pad, ditmaal doorheen een Nationaal park. We moeten voortdurend opletten niet achterover te vallen, is het niet van de steile hellingen, dan is het zeker van de fenomenale uitzichten.

Even passeren we de sneeuwgrens en steken een pas over op ongeveer 2500 meter. Je moet dus over de kleine Kaukasus rijden om de grote Kaukasus te overtreffen!

In Meghri moeten we niet lang zoeken naar het hotel. Het staat goed aangeven. Maar daar aangekomen blijkt dat we ons vergist hebben. Dit is een ruïne van een hotel. De benedenverdieping is volledig uitgebroken en er is niemand te zien. Nergens een ingang, nergens een bel. We vertrekken weer en gaat dan op zoek. Een half uur later keren we onverrichterzake nog eens terug naar die eerste locatie. Daar loopt nu een man rond. Blijkt dan tóch het hotel te zijn. Ik ga argwanend binnen en krijg op de eerste verdieping onze kamers te zien. Heel erg oubollig, maar alles proper en functioneel, en de lakens ruiken fris gewassen. We hebben dus elk een eigen ruime kamer met badkamer. Even later komt nog een auto aan. Er komen vier oudere mannen uit. Ze bezetten samen een grote kamer.

Het is hier warm: dertig graden. We gaan in het dorpje op zoek naar wat te eten. We vinden al gauw iets naast een bulderende rivier. Wij zijn de enige klanten. Het wordt weer sla, brood, kip en aardappelen; allemaal zaken welke voor ons herkenbaar zijn. De sla en het brood zijn lekker en vers. De kip mocht iets meer gaar geweest zijn, de frietjes minder vet. Wat zijn wij toch verwend…

Zo is deze dag weer gans gevuld met avontuur, en heeft Frits zijn vuurdoop gehad met een dertigtal kilometer over onverhard. Hij had quasi geen moeite mij te volgen, maar ja, ik ben ook geen held op het onverharde. Ik ben al blij als ik niet val en mijn eindbestemming bereik.

Ik probeer vroeg te gaan slapen, maar dat is mij niet gegund. In een andere kamer, waar ze samenhokken met vier man, zijn ze vermoedelijk elk aan een Vodka-fles begonnen, want het gelal wordt steeds luider en onverstaanbaarder. Dat wordt dus wachten tot ze één voor één omvervallen.

En inderdaad, rond middernacht valt de laatste en ook de meest luidruchtige plat. Die horen we niet meer de eerste tien uur, maar dan zijn wij reeds lang vertrokken.

Na vijfenveertig dagen in dit reizigersleven maak ik het testament op van het eerste kwart van de reis. Mijn kilometerteller staat op 8000. Vanaf hier gaat het een gans andere richting uit, en krijgen we nu en dan gezelschap. Wanneer ik terugblik op de afgelopen weken kan ik enkel stellen dat de reis heel voorspoedig verlopen is. We doen het rustig aan en vermijden problemen. Zo zijn grote emoties, negatieve en positieve, achterwege gebleven.

Frits vraagt mij regelmatig wat ik het mooist vond op deze reis, en of deze reis mooier is dan de andere die ik vroeger maakte. En dat zijn nu net vragen welke je aan mij niet moet stellen: indien ik het mooiste reeds gezien had, en het beste reeds beleefd had, was ik niet hier. Bijzonder aan deze reis is dat ze gans onvoorstelbaar verloopt. Ik heb dan op voorhand wel routes grofweg uitgetekend, we moeten toch elke dag opnieuw invullen.

 

Dag 46 (Dinsdag 14 mei 2019):

Meghri (AM) – Iran (IR)

Ik sta om zes uur op en maak alles klaar om vlot te kunnen vertrekken. Om half acht gaan we ontbijten. Het is eenvoudig en lekker, maar toch heb ik geen trek. We zijn beiden in hoopvolle spanning over de afloop van vandaag. Straks proberen we Iran binnen te raken.

Het is nog lekker fris maar het belooft warm te worden. We verwachten 30 graden. Daarom zijn we ook zo vroeg. Om kwart over acht staan we aan de eerste grenspost, de Armeense, en laten ons daar uitschrijven. We steken de brug over de rivier over, die de grens vormt tussen Armenië en Iran.

Afbeeldingsresultaat voor norduz border

We zijn Iran binnen, tenminste de grenszone.

Bij het eerste bureautje bekijken ze de papieren, en plaatsen ze een eerste stempel op ons visum, dat een apart papier is, los van ons paspoort. Bij het volgend bureautje bekijken ze alles eens, zetten ze geen stempels, maar sturen ze ons door naar de douane, waar we een tijdelijke importvergunning voor de motoren moeten krijgen. Daar begint het te stokken. Er volgt een controle en discussie over welke cilinderinhoud onze motoren nu wel hebben. De grens is 250cc. Maar deze ‘cc’ staat nergens vermeld op enig document dat wij bij hebben. Wel staat er ‘cm3’ wat volgens ons niet hetzelfde is als ‘cc’. De motoren worden aan een inspectie onderworpen, maar niemand geraakt er aan uit. Toch blijft het voorlopig ´njet’ (in het farsi welteverstaan).

We worden gedurende gans het proces geholpen door een jonge Iraniër, heel erg vriendelijk, die erg hard zijn best doet om een oplossing te helpen vinden. Laten we hem maar baby-Hossein noemen, want hij is nog eerder nieuw in het vak, en momenteel door deze blokkade quasi werkloos.

Er wordt uiteindelijk nog een poging gedaan om naar onze ambassades te bellen in Brussel én in Den Haag. Dit worden heel moeizame verbindingen, maar we krijgen telkens iemand aan de lijn die ons in keurig Nederlands te woord staat. Niets mag baten. Gelukkig waren deze lange gesprekken op kosten van baby-Hossein.

Rond half twee geven we het dan ook op, en keren terug naar Armenië. Het neemt dan ook nog eens een half uur in beslag om Iran te mogen verlaten, en dan nog eens een uur on Armenië weer binnen te mogen.

Bij het buitenrijden van Iran gaan we nog even een winkeltje in om water te kopen, maar bij het wegrijden merk ik dat Frits niet volgt. Na een kwartier stuur ik hem een SMS-je dat ik nog aan het winkeltje sta. Hij antwoordt snel dat hij al tien kilometer verder staat. Hij was mij niet gevolgd en had een andere route genomen, waardoor hij mij in een boog voorbijgestoken was terwijl ik op hem wachtte. We hernieuwen nog eens de afspraken over wat te doen als we elkaar niet meer zien.

In Meghri kopen we water in een supermarktje. Net bij het buitengaan passeert een Transalp, net zoals de mijne, maar een groene. Hij stopt. Het is een Oostenrijker die morgen zijn kans waagt met de hulp van young-Hossein. Dat wordt dan eigenlijk een transit-oplossing, waarbij de kortste route moet genomen worden doorheen Iran, en ook quasi geen tijd kan genomen worden voor sightseeing.

We nemen nu opnieuw de route noordwaarts naar Goris doorheen de kleine Kaukasus. De weg gaat opnieuw over de hoge pas van 2500m. Vanaf Kapan wordt de weg gauw veel slechter. Heel steile hellingen met een erg beschadigd wegdek door het zware verkeer dat vanuit Iran deze weg op moet naar Yerevan. De streek is evenwel prachtig; spijtig dat we onze aandacht vooral moeten toespitsen op het slechte wegdek en de tientallen haarspeldbochten. Een auto is frontaal ingereden op een bestelwagen uit de andere richting. Vermoedelijk hebben beiden geprobeerd de putten te vermijden. Wij raken moeiteloos voorbij de kleine opstopping. Vanaf hier kronkelen we voorzichtig naar beneden over een heel bijzondere weg die ons langsheen een dalende bergrichel naar beneden leidt.

Dit zijn mogelijk wel de meest indrukwekkende haarspeldbochten welke ik in gans mijn moto carrière onder de banden geschoven kreeg. Stoppen voor een fotootje doen we niet want we moeten nog inchecken in het hotel en iets te eten vinden vóór het donker wordt. Ik neem mij voor om deze unieke belevenis stevig te verankeren in mijn geheugen. 

Drie uur later staan we in Goris, en betrekken weer dezelfde kamer in Hotel Zanger. Hier blijven we nog minstens twee nachten, misschien drie.

Avondmaal in Shaurma, een heel nieuw en trendy zaakje waar Amerikaanse hippe muziek gedraaid wordt. We eten er lekker, maar wel erg zout. Achteraf blijkt dat deze zaak eigendom is van de zoon van de hotelbaas.

 

Dag 47 (Woensdag 15 mei 2019):

Vrije dag in Goris (AM)

Luie dag vandaag. We blijven hier tot we bekomen zijn van de emoties van gisteren.

Na het ontbijt neem ik mijn pc en zoek de opties die ons resteren om Turkmenistan te bereiken.

Rond de middag gaan we het kleine stadje in. Het centrum is groter dan we eerst gedacht hadden. Het centrale plein bevat grote verzorgde gebouwen in Stalinistische stijl.

We nemen een koffie en een versnapering in een Luxe Lounge, en keren dan zachtjes terug naar het hotel.

Wat later schuift er wat bewolking voor de zon, en start ik met een werkje welke ons veel miserie onderweg kan besparen: het nazicht, of beter, het vaststellen, en mogelijk verhelpen van de schade aan Frits’ balhoofdlager. Het balhoofdlager is het roulement waarmee het chassis van de motor rust op de voorvork. Dus ook het gedeelte dat meedraait met het stuur bij het nemen van een bocht. Dat ding krijgt het zwaar te verduren op deze wegen, en laat toe om vlot de bochten te kunnen nemen. Een half uurtje later ligt alles open.

Het onderste balhoofdlager is rot; de conische lager rolletjes zijn verroest, en het weinige vet dat er rond hangt is ook roestbruin. Ik pers een hele pak zwaar camionvet in het lager en steek het ganse boeltje rustig terug in elkaar. Het wordt 19u30 wanneer de motor terug rijklaar staat. Het stuur draait soepel en rimpelloos. Er is nog wel een kleine speling voelbaar bij het voor-achterwaarts bewegen van de vork. Maar we kunnen weer verder zonder problemen te hoeven vrezen in afwachting van de vervanging van het lager.

Dan gaan we snel op pad om toch nog iets te gaan eten, vooraleer we moe en voldaan onder de wol kruipen.

 

Dag 48 (Donderdag 16 mei 2019):

Vrije dag in Goris (AM)

Vandaag sta ik maar op net voor zevenen. Dat betekent dat mij een rustige slaap gegund was tot in de late ochtenduurtjes.

Na het ontbijt bespreken we de opties voor het verder verloop van de reis en opteren in eerste instantie voor het verderzetten van de reis richting Georgië en vervolgens Azerbeidzjan, waar we dan in Bakoe de boot zullen nemen naar Türkmenbashi in Turkmenistan. Hiervoor hebben we wel een visum nodig. Dat kan elektronisch bekomen worden, maar neemt al gauw een uurtje in beslag voor ons beiden. Wat een geluk dat ik een echte PC meegenomen heb op reis.

We rommelen nog wat, of beter gezegd, we ordenen onze rommel in de koffers en de roltassen. Ik plaats dan nog wat foto´s op de blog.

Even na de middag vertrekken we dan op uitstap. Eerst een passage langs een carrossier, waar Frits een klein plaatje onder de zijsteun van zijn motor laat lassen, zodat die wat meer steun heeft op een losse of zanderige ondergrond.

En dan de motor weer op voor een bezoek aan de ruïne van een historisch dorp in een diepe kloof, waar mensen zelfs ooit gebruik maakten van grotwoningen. De laatste kilometers leggen we af over een aardeweg, welke bij regenval dient doet als riviertje. Gelukkig is de weg droog en hard. Langs een mooi aangelegde stevige trap dalen we af in de kloof en steken dan een lange enge metalen hangbrug over.

We wandelen een eind doorheen de kloof. Van het dorpje schiet zo goed als niks over behalve een kerkje in redelijke staat. De locatie is wel indrukwekkend.

Dan begint de wandeling terug, de oversteek van de hangbrug, en de klim langs de trap terug naar boven. Goed voor de conditie, maar nét iets te lastig. We rijden terug naar Goris.

Nu ik op de motor zit ga ik nog even op zoek naar alle wiellagers die we zouden kunnen nodig hebben. Ze zijn hier toch spotgoedkoop en ze nemen bijna geen plaats in. Ik loop vruchteloos verscheidene van de vele auto–onderdelen winkeltjes binnen, en vind tenslotte bijna alles in een winkel die volledig volgestapeld is met onderdelen, tot aan de deur toe, die daardoor net half open kan. Niemand kan hier binnen, behalve de eigenaar, die precies weet hoe hij over alles heen kan stappen. Het duurt even, maar hij heeft bijna alles wat ik zoek. Ondertussen praat ik op de stoep even met een andere klant en een vriendelijke politieman, beiden ongeveer mijn leeftijd, die ook net langskwamen, en de motor bewonderen. Geen foto’s, maar wel een leuke ervaring rijker.

Frits is er ondertussen in geslaagd om zijn camera op een betere manier te bevestigen op zijn motor. Nu zal hij eindelijk mooie actiefilmpjes kunnen maken.

Omstreeks zes uur gaan we eten in de Deluxe Lounge. Ik eet een slaatje, en daarna lekkere ribbetjes met frietjes en groenten. De Mexicaanse schotel valt Frits wat tegen, maar hij heeft zich toch tegoed gedaan aan de frietjes en het slaatje.

Morgen vertrekken we noordwaarts, dus gaan we niet te laat slapen. Of dat zal lukken is nog de vraag, want rechtover het hotel is een feestje aan de gang met luide muziek.

 

Dag 49 (Vrijdag 17 mei 2019):

Goris (AM) - Sevan (AM)

De muziek gisteravond is nog geruime tijd blijven voortduren, nu en dan onderbroken door vuurwerk. Maar dan is het plots stil geworden, en heb ik goed kunnen slapen.

Ik werk een filmpje af over de eerste echte off-road ervaring van Frits enkele dagen terug, en plaats het online. Aangezien dat hij steeds achter mij reed, wat hem vlot afging, is hij niet echt in beeld, maar het geeft toch een indruk van het terrein.

We nemen ons laatste ontbijt in dit hotel en nemen afscheid van de vriendelijke uitbaters. Voor ons is het nu weer klimmen en dalen. In de andere richting zien we een klein gezinnetje met twee kinderen. Elke ouder rijdt (zwoegt) op een fiets met een karretje er achter, waarin telkens 1 kind. Onderweg staan veel militairen over een hele afstand aan de kant van de weg. Bij het tanken vraag ik wat de bedoeling hiervan is: gewoon wat schietoefeningen, waarbij passanten verhinderd worden om het gebied binnen te rijden, voor hun eigen veiligheid.

In Eghegnadzor, net vóór de afslag naar de Sevan pas, ontmoeten we weer de twee zeventigers op hun fiets. Ze deden er vier dagen over om hier te raken. Ik weet niet of ze onderweg omwegen gemaakt hebben. De route naar de Sevan pas gaat redelijk steil omhoog, maar is niet te moeilijk omwille van de goede staat van het wegdek, en het beperkt aantal haarspeldbochten. Bij het zoeken naar een panoramisch uitzichtpunt treffen we drie fietsers, een Portugees, een Duitser, en een Ierse, die samen op weg zijn naar China. Ze vertrokken vorig jaar in juni…

Even voor de top stoppen we aan de eeuwenoude karavanserai, die nog in ongelooflijk goede staat is, niettegenstaande de ligging is dit barre landschap. Binnenin is het echter donker en rommelig. Er zijn in het dak drie rook- of lichtgaten, waarlangs ook sneeuw binnenvalt in de winter. Er liggen dan ook nog drie grote pakken sneeuwijs midden in de grote ruimte.

De top van de pas op ongeveer 2500 meter is niet erg duidelijk, omdat er een groot hoogplateau is dat wel een aantal kilometers aanhoudt, en waar zich op een grasvlakte een soort natland ontwikkeld heeft dat dooraderd is met tientallen traag kabbelende riviertjes, gevoed door regen die nu en dan valt, en door de geleidelijk smeltende sneeuw op de omliggende bergen.

Bij het naderen van het Sevan-meer passeren we door een redelijk dens bewoonde agglomeratie waar we als toeristen veel bekijks hebben. We gaan er ergens een koffietje drinken met elk een halve kaaskoek.

We hervatten de route en volgen een mooie kronkelende weg langsheen het Sevan meer. Aan de kant van de weg staan hier en daar kraampjes van gedroogde vis. We bezoeken het kerkje van Hayravanq, dat op een kleine uitstulpende rots het meer overheerst. Het dak van de kerk heeft iets unieks. Het is bedekt met gele korstmossen, wat de indruk van haar eeuwenoude oorsprong nog versterkt.

In de verte vormen zich stapelwolken, en ik ben bang dat daaruit wel een klein onweertje zou kunnen ontstaan net wanneer wij de pas willen oversteken naar Dilijan. Daarom kijk ik uit naar een hotelletje aan het meer zelf. Plots valt mijn oog op een pittoresk motel-achtig bedoeninkje, Hotel Lavash, waar al een tiental auto´s staan. Een kwartiertje later zijn we ingecheckt en uitgeladen, en nog wat later zitten we aan tafel, met uitzicht op het grote Sevan meer.

Ik herstel met naald en draad de naad van mijn oude Jeansbroek, die over twee cm dreigt los te komen. Terwijl ik dit schrijf is het buiten donker geworden. Mijn luxueuze kamertje ziet uit op het Sevan meer, en ik heb het afgelopen uur de zon geleidelijk zien verdwijnen achter de bergen in de verte.

Video Sevan pas en Sevan meer

 

Dag 50 (Zaterdag 18 mei 2019):

Sevan (AM) - Stepanavan (AM)

Deze nacht was het hier totaal stil. Gezien het meer zo groot is, en de bergen relatief ver, is het ´s morgens eerder licht. Ik sta vroeg op en werk een filmpje af over de rit van gisteren langs de Sevan pas en het Sevan meer.

Vandaag is een bijzondere dag voor mij: het is dag op dag 64 jaar geleden dat mijn ouders elkaar het ja-woord gaven. Ze leven beiden nog, hoewel niet meer samen. Hun aandeel in het tot stand komen van deze reis was enorm, in vele opzichten, en vanaf het prille begin. Ik erfde de drive van mijn vader, en de rustige bezonnenheid van mijn moeder.

Het ontbijt is redelijk uitgebreid. We zijn lang niet de enige gasten, maar het zijn vooral West-Europeanen, en dan nog wat Russen. Terwijl ik de motor laad komt een groep mensen te voet het terrein van het hotel op en installeert zich in het restaurant. Het zijn Denen. Hun bus is defect, en ze gaan hier wachten tot deze hersteld is. Ze zijn voor 1 week in de Armenië, en vliegen morgen naar huis vanuit Tbilisi. Gelukkig voor hen komt de bus daar ineens aanrijden. Iedereen opgelucht.

Wij rijden weer noordwaarts en bezoeken nog even het klooster van Sevanavank, dat (alweer) hoog op een rots gebouwd is, maar ditmaal enkel te voet bereikbaar is. Ik klim naar boven maar ben al heel snel buiten adem. Ik bevind mij hier immers op ongeveer tweeduizend meter hoogte, en de lucht is hier al een stuk ijler.

Dan weer verder via Dilijan en Vanadzor naar Stepanavan, een klein stadje op een vruchtbare hoogvlakte. Het stadje heeft enige bekendheid, omdat het de geboorteplaats is van Stepan Shaumian, één van de stichters van het Kaukasische communisme destijds. De stad is naar hem genoemd, en er is hier een groot museum aan hem gewijd, gebouwd omheen zijn huis, zoals dat van Stalin in Gori, Georgië.

Dit stadje met nauwelijks tienduizend inwoners was in het Sovjettijdperk een populaire vakantiebestemming vanwege het zachte klimaat en de aanwezigheid van veel bomen en groen.

We nemen onze intrek in een oud maar comfortabel hotelletje, Hotel Lori. Het hotel dateert nog uit het Sovjettijdperk. De motoren kunnen op de binnenplaats. We blijven hier minstens twee nachten, want we kunnen pas op 22/5 Azerbeidzjan binnen, en dat is niet zo ver af van hier.

In mijn kamer leg ik mij even op bed; algauw ben ik vertrokken voor een half uurtje. Dat was al weer een tijdje geleden!

Wat rommelen, op de PC werken, verder reisroute voorbereiden.

Rond zes uur maken we een kleine wandeling naar een mooi restaurantje wat verderop. Een lekker slaatje, een te grote pizza, en dan als toetje een regenbui op de terugweg naar het hotel. Gelukkig heb ik mijn paraplu bij me.

Ondertussen wordt het snel donker door de bewolking en neemt de regen toe. Even stopt het met regenen, maar ik heb niet meer de moed om nog even op stap te gaan. Lawaaierige auto’s blijven mij nog een hele tijd hinderen om de slaap te vatten, maar dan wordt het echt stil, op de regen na, die weer herbegonnen is.

 

Dag 51 (Zondag 19 mei 2019):

Vrije dag in Stepanavan (AM)

Roken is hier een nationale sport bij de mannen, dus op oudere leeftijd beginnen ze dan aan een tweede sport: onbedaarlijk hoesten en fluimen. Het is in elk hotel hetzelfde: ’s morgens hoor ik in al dan niet verre kamers de rokers hun taaie fluimen ophoesten die ze de ganse nacht verzameld hebben. Ik word er gelukkig niet wakker van, maar hoor het steevast bij het wakker worden.

Het regenen heeft al een tijdje opgehouden, maar er hangt nog wat bewolking.

Het ontbijt is minimaal, maar lekker. Brood, boter, confituur, lekkere kaas (niet te zout!), thee, én, een gans potje smetana (zure room).

Na het ontbijt controleren we de motoren. Een kwartiertje werk. Wat olie bijvullen (beide motoren verbruiken zeer weinig olie). Bandenspanning controleren. Ketting smeren. De motoren kunnen weer voort tot Bakoe.

Dan ga ik op stap door dit kleine stadje, dat geleidelijk aan ontvolkt raakt door gebrek aan perspectief voor de jongeren.

De structuur van de stad is grotendeels op sovjetleest gestoeld: dambordpatroon van de straten, en sommige wijken voorzien van de typische minimalistische en nu sterk versleten appartementsblokken. En zelfs een huisje in een enorme afgedankte cilindervormige tank.

Typische winkeltjes, sommige slechts twee op drie meter.

Onderweg passeer ik een auto-onderdelenwinkeltje en koop weer enkele lagers voor een heel zacht prijsje. We hebben nu voor beide motoren alle lagers van beide wielen in geval van panne.

Terug in het hotel gaan we samen een lekkere koffie drinken wat verderop. Daarna  installeren we ons op het terras van het hotel in de aangename verkoelende schaduw, en krijgen daar nu nog eens een koffie aangeboden, een Armeense weliswaar, inclusief het gruis op de bodem, en nog een bord met stukjes appel. Ondertussen werk ik mijn website wat bij.

Rond twee uur ga ik weer op stap, alleen, maar op de motor. Ik rij naar Lori Berd, en dorpje een vijftal kilometer verderop. De laatste kilometers gaan over grint en verharde grond, maar alles is reeds mooi opgedroogd. In Lori Berd is een ruïne van een duizend jaar oude versterkte stad, waar ooit meer dan tienduizend mensen woonden, en welke ooit de hoofdstad was van een klein koninkrijk. De indrukwekkende omwalling was vroeger wel twintig meter hoog.

Wanneer ik de door de poort passeer is er enigszins teleurstelling, want achter de muren is slechts een enorme vlakte te zien, met hier en daar restanten van gebouwen. Toch slaat dit al gauw over in opgetogenheid, wanneer ik de mooie diepe kloven zie die de achterkant van het fort begrenzen, en die uitgegraven zijn door twee rivieren die hier samenvloeien.

Nu krijg ik een echt déja-vu-gevoel. Deze site lijkt erg op deze van Ani, hier minder dan honderd kilometer vandaan, net over de grens met Turkije, welke ik bezocht in 2015. Daar woonden echter honderdvijftigduizend mensen in de glorietijd.

Aan de ruïne van het kerkje heb ik een korte conversatie met een lokale vrouw en een hoogbejaarde man (haar vader?).

Ze verzorgen de kerk. Eerst denkt ze dat ik een Rus ben, vermoedelijk vanwege mijn accent, dat ik van Anastassia ontleend heb. Maar wanneer ze dan hoort dat ik uit België kom, en naar Mongolië verder reis, wordt ze wild enthousiast.

Na het bezoek keer ik terug naar Stepanavan, rij door het stadje heen, de zuidelijke heuvels in, waar ik een panoramisch zicht heb op de ganse omgeving.

Bij het terugkeren rij ik een eindje doorheen de niet verharde straten van de buitenwijken, waar de armoe van de plaatselijke bevolking mij toeschreeuwt. Plots valt mijn oog op een mooie Oeral met boxermotor en zijspan op een erf. Ik stop, stap af en ga voorzichtig het erf op, terwijl een man op mij toekomt. Ik bewonder de goed bewaarde machine en neem een paar foto´s met de eigenaar (?) er op. De motor draait echter niet meer, en vermoedelijk is er geen geld voor reparatie, laat staan restauratie.

Dan komt er ook nog een vrouw bij ons staan, en dan nog een jonge man, haar zoon. We babbelen wat, en ze nodigen mij uit om koffie te komen drinken. Ik krijg er zelfs nog een hele schotel pannenkoekjes bij geserveerd. Ondertussen komt er nog een man bij, de echtgenoot van de vrouw. Hij is in legeruniform, en vertelt dat hij net terug is van het hengelen, zijn lievelingshobby. Onrechtstreeks verontschuldigt hij zich voor het krot waarin hij woont, maar hij is soldaat, vijfenvijftig jaar, heeft slechts een heel kleine wedde, en kan zich niet beters veroorloven. Ik ben blij dat ik hier zelf met een oude motor ben, en niet te veel de ogen uitsteek. De man vind het leuk dat ik niet alles onmiddellijk versta, en schept er genoegen in om het dan geduldig opnieuw uit te leggen met ietwat andere bewoordingen, tot ik het begrijp. Ik blijf wel een uur hangen bij die vriendelijke mensen, luister naar hun verhaal over dorp, streek, en land, en stap dan weer op na een hartelijk afscheid.

Bij mijn terugkeer in het hotel is het tijd om te gaan dineren. We nemen een lichtere maaltijd ditmaal.

Daarna nog even whatsappen met het thuisfront. Joke is er net met de kleinkinderen.

Het venster van mijn hotelkamer sluit niet meer. Ik durf er geen kracht op te zetten uit schrik dat het gehele raam uit elkaar valt. Ik los dit op mijn manier op: de vensterbank is heel erg breed, dus neem ik het nachtkastje en plaats het op de vensterbank voor het venster. Ik hoop dat het niet openwaait, en het nachtkastje van de vensterbank dondert, want het zou deze nacht kunnen onweren.

 

Dag 52 (Maandag 20 mei 2019):

Stepanavan (AM) - Lagodekhi (GE)

Het is gisteravond inderdaad beginnen onweren, en het heeft heel hard geregend, maar het venster is niet open gewaaid, en het nachtkastje niet van de vensterbank gevallen. Tegen de morgen is het nog heel zwaar bewolkt. De internetvoorziening in het hotel is blijkbaar gestoord, waardoor ik mijn verslag niet online kan zetten, misschien door het onweer van deze nacht? Toch ondertussen even vermelden dat hier in Armenië we toch heel wat keren te maken gehad hebben met stroomonderbrekingen. Hun infrastructuur is dan ook door geldgebrek erg verouderd en/of slecht onderhouden.

Vandaag verlaten we Armenië. We moeten nog beslissen via welke route: ofwel noordwestwaarts opnieuw de bergen in, maar daar zou het veel kunnen regenen, ofwel noordwaarts de heuvels in, en vervolgens de warme vlakte tussen de Grote en Kleine Kaukasus richting Azerbeidzjan.

Tijdens het ontbijt komt één van de werksters aan onze tafel met de woorden ´coffee’ en ‘money’. Het duurt even voor mijn frank valt: ze wil geld voor de koffie die ze ons gisteren ongevraagd aangeboden heeft. En wij nog denken dat het hier zo vriendelijke mensen waren… Ik betaal de 80 eurocent voor de twee koffies; iedereen content.

We rijden eerst noordwaarts, maar missen de afslag naar het Westen, de bergen in, omdat het baantje mij niet berijdbaar leek. We komen een kwartier later terecht in de bergen, maar dan wel op een doodlopend punt in een godvergeten dorp. De locals (hier in deze landen staan altijd overal mannen buiten niets te doen behalve palaveren) komen onmiddellijk op ons af en vertellen dat we hier niet verder kunnen en moeten terugkeren. Dus rijden we terug tot aan die weg die mij niet berijdbaar leek. Bij navraag blijkt die inderdaad niet berijdbaar, meer nog, de weg is geblokkeerd door de sneeuw die deze nacht gevallen is. Goed dat we het niet geprobeerd hebben. Dan maar gewoon noordwaarts, naar de grens met Georgië 8 kilometer verderop.

De grenspost is quasi verlaten, op het douanepersoneel na. We raken er vlot door, hoewel we voortdurend die stupide achterdochtige vragen krijgen wat we in Armenië of Georgië komen doen, en dat terwijl beide landen smeken om toeristen omwille van het binnenbrengen van kostbare deviezen en aanzwengelen van de lokale economie. Het wordt nog even spannend wanneer aan Frits om zijn verzekering gevraagd wordt, welke hij niet onmiddellijk uit zijn wonderkastje kan toveren. Gelukkig heeft de beambte mijn verzekering op mijn smartphone gezien en vraagt er verder niet opnieuw naar.

Dan volgt nog de hele pantomime van de bagage: alles moet open, en dus grotendeels afgehaald worden van   de moto. En dan alles weer opladen. Waarom doen ze dat niet bij alle vrachtwagens die passeren?

Een tijdje later verlaten we dan toch de grenspost, maar merken al gauw waarom hier zo weinig grenspassage is: de weg is niet verhard over 15 kilometer. Zo ontmoedigt men de passage alhier, en moet de grenspost niet vergroot en gemoderniseerd worden. Toch zien we nu en dan een vrachtwagen in slakkengangetje hobbelen van de ene put naar de andere. Wijzelf trachten er zoveel mogelijk te ontwijken, en achten ons gelukkig dat het hier deze nacht niet geregend heeft, zodat we een half uurtje later een prachtige asfaltweg kunnen oprijden en op zoek gaan naar een bank om geld te gaan wisselen of uit de muur halen.

Bolnisi is het eerste stadje die naam waardig. Vier banken bij elkaar. Ik ga een bank binnen waar een grote lichtreclame ‘Change’ schreeuwt om klanten die hier geld willen wisselen. Een vriendelijke poetsvrouw wijst mij het bureau aan van de bankbediende waar ik moet zijn. Ik wacht enkele minuten geduldig vóór het bureautje, maar madam achter het bureautje kijkt niet éénmaal op. Ik onderbreek haar niet in haar drukke bezigheden, en verlaat deze bank waar alleen échte koningen als klant behandeld worden; ik niet dus. Zo heeft ze straks nog wat tijd over om even haar nagels te lakken. Ik stap één van de drie andere banken binnen naast de deur, en word er onmiddellijk geholpen door een vriendelijke Bankomat, die mij pas de Georgische bankbriefjes aanreikt nadat ik mijn bankkaart weer uit de machine gehaald heb.

Nu kunnen we een welverdiende koffie gaan drinken, want het is ondertussen middag geworden.

Het weer is prachtig, maar de temperatuur loopt op tot bijna dertig graden. We beslissen om wat noordoostwaarts te rijden, waar het ietwat koeler is, en waar wat meer te zien is dan een leeg woestijnachtig landschap. Hiervoor rijden we naar Lagodekhi, nog net in Georgië gelegen, aan de rand van het gelijknamige natuurpark, om dan overmorgen Azerbeidzjan binnen te gaan.

Er is redelijk druk verkeer, maar we schieten redelijk goed op. Dit is één van de twee hoofdwegen richting Azerbeidzjan. Om halfvier stoppen we even voor een koffie aan een hele nette tearoom annex bakkerijtje. Ik zie daar een soort pistolets liggen en vraag of die zoet of hartig zijn. Het meisje antwoordt in het Engels. Cheese. Ik bestel  twee van lekker uitziende kaasbroodjes, en zie het meisje vreemd opkijken. Even later bedient ze ons: twee koffies, en … een bord met schijfjes kaas. De ‘pistolets’  blijken lekkere kaasbollen te zijn. Gelukkig heeft ze er maar één van opgesneden, en vraagt ons of we er brood bij willen. Het brood blijkt vers en heel lekker samen met de kaas.

Dan maar weer terug de moto op om dan een paar uurtjes later aan te komen in het grensstadje Lagodekhi. Na een kwartiertje zoeken vinden we een heel net gasthuis (=Bed&Breakfast), waar we zelfs deze avond kunnen blijven eten. De eigenaar is beroepsmilitair en werkt in Tblisi. Hiervoor moet hij wel telkens zo een 150 km op en 150 km af rijden over een lastige weg, maar blijft daar wel een week.

Eerst wat verpozen in de prachtige tuin: een heel warme welkomst na deze zware verplaatsing van vandaag. We krijgen wat later een uitgebreide maaltijd opgediend achteraan in de tuin onder een afdakje. Veel te lekker, veel te veel.

Wanneer ik reeds in mijn bed lig begint het heel hard te waaien en te onweren, gevolgd door hevige regen. We zitten hier goed, en ik val vlot in slaap.

 

Dag 53 (Dinsdag 21 mei 2019):

Vrije dag in Lagodekhi (GE)

Ondanks al dat natuurgeweld buiten heb ik erg goed geslapen. Ik plaats mijn verslag online. Het was reeds geschreven, maar kon gisterenmorgen niet gepubliceerd worden wegens een internetpanne in Armenië.

Het ontbijt is erg verzorgd en uitgebreid. Bijna alle gebruikte producten zijn van eigen kweek.

Plots merken we beweging in het naburig guesthouse. De eigenaars van de twee moto’s zijn er opgedaagd en maken aanstalten om te vertrekken. Wij spoeden er ons naar toe om toe te kijken. De ene, een Duitser, is al vijf jaar onderweg met zijn Suzuki DR650. Nu en dan neemt hij wel eens het vliegtuig naar huis, om dan wat later zijn reis te hervatten. De anderen, een Nieuw-Zeelander, is hier in Georgië wat blijven hangen omwille van een defect onderdeel, welke eerstdaags zal toekomen in Tbilisi, en dan zal kunnen gemonteerd worden. Hij volgt de eerstkomende maanden min of meer dezelfde route als wij. We wisselen onze contactgegevens met elkaar uit.

Rond tien uur gaan we op stap in het dorpje. Op het centrale marktplein staat een hotel daterend uit de Sovjettijd. Het heeft zijn beste tijd gehad. Ik weet niet eens of het nog open is, want we zien er geen beweging.

We zijn ondertussen op zoek naar een copycenter waar we onze elektronische visa voor Azerbeidzjan kunnen laten uitprinten. Bij het eerste zaakje is de deur open, maar men vraagt ons binnen tien minuten eens terug te komen. Geen probleem; ondertussen zetten we onze wandeling verder en vergapen ons aan dit dorp waar de tijd grotendeels lijkt te hebben stilgestaan sedert de Sovjetunie uiteen gevallen is.

Aan apotheken en voedingszaken geen gebrek. Dan komen we weer een ‘Xerox’, of copycenter, tegen, drie vierkante meter groot. De oude uitbater vindt het prachtig dat ik een klein mondje Russisch praat, en gaat met plezier aan de slag om mijn papieren uit te printen. Zijn kompaan, ook al van leeftijd, die in een donker hoekje zit, doet een heel verhaal waar ik niets van begrijp, maar hij spreekt dan ook erg onduidelijk. Nu hebben we wel een koffie verdiend, welke we gaan nuttigen in een échte koffietent. Hierbij overdrijf ik niet, want er worden heel wat soorten koffie vers gemalen verkocht. En het dorpje kent blijkbaar échte koffieliefhebbers, want de koffie gaat ook vlot over de toonbank. Wijzelf nemen plaats aan één van de twee tafels die de consumptieruimte rijk is. Aan de andere tafel zitten drie vrouwen, waaronder de uitbaatster, zo ene van het erg zwijgzame en afstandelijke type. De klaargemaakte koppen koffie worden klaargezet op de toonbank, en ik moet ze zelf gaan halen en op onze tafel zetten. Andere landen, andere gewoonten. Na enkele minuten zet de vrouw plots met een ‘pazjalsta’ (alstublieft) een heel bord met koekjes en een paar pralinen op onze tafel. Een geste van gastvrijheid?

Dan trekken we weer verder en gaan bij een schoenlapper binnen, alweer in een minikotje van honderd jaar oud en vijf vierkante meter groot. De zolen van Frits´ bottienen beginnen wat te lossen, en het lijkt raadzaam dit toch te laten herstellen. Deze namiddag zal Frits opnieuw langskomen.

Rond twee uur ga ik op stap naar het natuurpark dat hier twee kilometer vandaan ligt, op het einde van de hoofdstraat. Aan de voet van het enorme park is het bezoekerscentrum, waar informatie over het park gegeven wordt. Een vriendelijke man stort een waterval van informatie over mij uit in een mengsel van gebrekkig Engels en Russisch, over dieren en planten welke er te zien zijn, en over de wandelroutes die je kunt volgen tot aan de top van de bergketen, welke de grens vormt met Rusland, en bedekt is door eeuwige sneeuw. Door de hevige regenval vorige nacht is er slechts een klein wandelpad open, tot aan de rivier, welke nu te breed en te wild is om nog te kunnen doorwaden.

Dat komt mij nu net uit: ik maak een stevige wandeling tot aan de rivier en keer dan terug; net iets meer dan een uur. Ik verwittig de parkwachter dat ik terug ben, en ga een theetje drinken in de cafetaria van het park. Het is er proper en modern, en er zitten een tiental mensen verspreid over de grote ruimte. Er is ook een hotel met zwembad. Het zwembad bevat geen water, en het hotel vermoedelijk geen gasten.

Wat dichter bij het dorpscentrum breng ik een bezoek aan het lokale museum, met een archeologische afdeling en een etnografische afdeling.

Heel kleinschalig, maar verzorgd opgezet in een enorm aftands gebouw, waarvan ik niet heb kunnen achterhalen waarvoor dat ooit gediend heeft. Ik ben de enige bezoeker, en word van begin tot einde begeleid door een vriendelijke bediende, die mij nu en dan in erg gebrekkig Engels wat uitleg poogt te geven.

In het hotel toont Frits mij zijn herstelde schoenen. Niet enkel geplakt, maar ook nog eens stevig met de hand genaaid. We bespreken waar we morgen naar toe gaan, eens we Azerbeidzjan binnen zijn, en hoe we het aan boord zullen leggen om op een boot te geraken naar Turkmenistan.

We eten deze avond wat vroeger, maar het wordt toch bijna acht uur vooraleer we voldaan de tafel verlaten.

 

Dag 54 (Woensdag 22 mei 2019):

Lagodekhi (GE) – Sheki (AZ)

Vannacht heeft het niet meer geregend; het wordt mooi, maar niet te warm weer.

Na het ontbijt laden we de motoren, en vertrekken even vóór tien uur. We gaan nog tanken om de overgebleven Georgische Lari’s op te gebruiken, maar er rest mij nog wat kleingeld en één briefje. Ik geef het prutsgeld aan een vader met twee kinderen die er net aankomt: ‘voor de kinderen’. Hij kijkt even argwanend, maar dan is hij heel blij met de enkele muntstukjes en neemt de kinderen prompt mee naar het winkeltje naast het tankstation, vermoedelijk om wat snoep te gaan kopen.

De grens is slechts enkele kilometers verder. Eerst doorlopen we de Georgische post: dat gaat redelijk vlot. Aan de Adzerbeidzjaanse kant is er wat meer werk. Eerst bagagecontrole. Hebben we geen drone bij? Hebben we geen vuurwerk bij? Hebben we geen verboden boeken bij (over Armenië vermoedelijk)? Welke landkaarten hebben we bij? En dan durven ze zichzelf met grote trom nog afschilderen als een verdraagzame kosmopolitische natie. Bij de paspoortcontrole zien ze de Armeense stempels, en willen haarfijn weten wat we daar gingen doen. De vriendelijke beambte verzekert ons dat we Azerbeidzjan binnen mogen, maar eerst moet hij een verslag opmaken over onze reis doorheen Armenië. Dat gaat wat moeizaam, want de man kan nauwelijks Engels. Aan het volgende loket worden de motoren ingeschreven, worden onze paspoorten afgestempeld: dat neemt alweer de nodige tijd in beslag. Frits dient nog een grensverzekering af te sluiten. Mijn groene kaart dekt ook Azerbeidzjan. Ondertussen komt een politieman mij vragen waarom wij langs deze grenspost binnengekomen zijn? De zuidelijke grenspost passeert doorheen een veel mooiere streek, en hij kent daar een goed adresje waar we kunnen overnachten. Hij dringt nogal aan hierover en ik laat hem zijn telefoonnummer in mijn smartphone noteren, zodat we hem kunnen opbellen van zodra we daar in de buurt zijn. Uiteindelijk is er nog eens een laatste controle om na te gaan of we elk stationneke van de mallemolen doorlopen hebben, en mogen we het land echt binnen.

De eerste indruk van dit land is erg positief. Er zijn propere en degelijke wegen. De huizen lijken redelijk nieuw en comfortabel. Het verkeer is ook rustig en ordelijk. Er rijden hier nog wel veel oude Lada’s en we zien ook veel paardenkarretjes. De sfeer lijkt wel enigszins op deze in Turkije, en dat is niet verwonderlijk, want die volkeren zijn erg verwant, evenals hun taal.

In een bank probeer ik geld uit de automaat te halen, wat niet lukt: Dan maar wisselen aan het loket. De computer ligt echter in panne, en de vijf minuutjes worden al gauw een half uur. Maar uiteindelijk kom ik buiten met een pakje Azerbeidzjaanse Manaten, waardoor we wat verder een lekker koffie kunnen gaan drinken op een terrasje onder een parasol. We worden hier al gauw weer aangesproken. Eén van hen dringt er, alweer, op aan zijn telefoonnummer in mijn smartphone op te nemen. Als dat zo voortgaat heb ik deze avond wat werk om die allemaal weer uit te wissen.

We volgende grote weg naar Bakoe, maar die wordt wat verder heel wat minder van kwaliteit: wel onderhouden, maar al te veel keren opgelapt, en daardoor heel erg hobbelig. Het is echter een prachtige route, afgezoomd met grote oude bomen, en om de haverklap bevolkt met kudden schapen, koeien en paarden. Ze hebben hier al zeker een bijzondere voorliefde voor paarden, en de herders zijn heel vaak vurige ruiters. Even gaat het mis wanneer een kleine kudde paarden opschrikt en door een prikkeldraadomheining breekt. Ik heb het toevallig opgenomen op film.

Een jonge man op een pick-up-moto komt aangestormd en remt uit alle macht wanneer hij ons aan de kant ziet staan. Zijn maschien is vooraan een brommer, en heeft achteraan twee wielen en een enorme laadbak. We trachten wat te converseren, maar dat gaat heel moeizaam, aangezien ik de taal niet machtig ben en de heel vriendelijke jongeman geen vreemde talen kent. Dan neemt hij afscheid en stuift weer weg.

Wanneer we Sheki, onze eindbestemming naderen komen we plots weer op een mooie nieuwe asfaltweg, en ik besef dat we het afgelopen uur op een oude verlaten hoofdweg gereden hebben, die nu vervangen is door een nieuwe, ietwat meer noordelijk gelegen.

We kruisen een spoorweg door een leeg landschap met een verlaten stationneke welke mij doet denken aan deze die we zagen in Argentinië.

In Sheki, onze eindbestemming voor vandaag, zoeken we het historisch stadsgedeelte op, en nemen onze intrek in een 18e-eeuwse karavanserai die omgebouwd werd tot een groot hotel. Veel gasten zijn er niet, veel comfort ook niet, maar deze pleisterplaats past wel perfect bij onze reis langsheen de Zijderoute.

Na een rustpauze bezoeken we het oude fort een paar honderd meter verderop. We nemen er eerst nog een kleine koffiegruiskoffie met een soort baklava’s erbij. Het smaakt, maar is lang niet zo lekker als deze in Griekenland en Turkije.

In het fort bevinden zich een aantal gebouwen met kleine ambachten (voor de toeristen). Maar wij zijn hier gekomen voor één van de mooiste monumenten van Azerbeidzjan: het zomerpaleis van koning Sheki Khan.

Het is iets meer dan tweehonderd jaar oud, en is zo bijzonder omwille van de versieringen en monumentale vensters aan de voorgevel, evenals  de binnenmuren en plafonds, die volledig zwierig en kleurrijk beschilderd zijn, hier en daar zelfs met oorlogstaferelen en jachttaferelen. Wereldklasse!

Vervolgens gaan we weer de heuvel af naar beneden, op zoek naar iets te eten. Gezien het toerisme hier in een diep dal zit sedert de oorlog met Armenië twintig jaar terug, zijn de meeste winkeltjes en restaurantjes in deze buurt gesloten.

We vinden gelukkig toch iets om te eten, maar het is niet om over naar huis te schrijven.

Dan maak ik nog een kleine wandeling naar het echte oude hart van deze stad, wat ik met veel gekronkel door kleine straatjes uiteindelijk bereik. Ik moet de weg niet vragen, de mensen spreken mij spontaan aan en wijzen mij de weg naar wat ik zoek: ‘Winterpalace’. De buurt is evenwel nog levendig, maar erg armoedig. Er is een grote afgesloten ruïne van een oude moskee, die niet meer in gebruik is. De prachtige minaret staat te verkommeren tussen grote bomen die er langsheen gegroeid zijn.

Het winterpaleis van koning Sheki Khan is echter volledig gerestaureerd, zij het heel wat kleiner dan het ander paleis, en er is slechts één grote gastenkamer welke mooi beschilderd is met levendige en kleurrijke motieven, alsook versierd met ingewikkelde spiegelconstructies.

Ik ben de enige bezoeker en word rondgeleid door een jonge vrouw die goed Engels spreekt, en met haar gezin hiernaast woont in een mooie comfortabel huis.

Terug in het hotel ga ik nu eerst eens uitzoeken hoe we binnen enkele dagen de ferry moeten nemen naar Türkmenbashi.

 

Dag 55 (Donderdag 23 mei 2019):

Sheki (AZ) – Shamakhi (AZ)

Ik heb me deze nacht niet moeten blootsmijten omwille van de warmte. Deze dikke muren hebben ‘s winters voldoende koelte opgeslagen om airco totaal overbodig te maken. Ook bevinden wij ons aan de voet van de hoge Noordelijke Kaukasus, die de zomerhitte nog wel eventjes op afstand houdt. Maar er was dan toch die muezzin van de moskee hiernaast die me om halfvier wakker schalde met zijn oproep tot gebed, oproep welke ik niet eens volledig gehoord heb, want ik viel onmiddellijk weer in slaap.

Ik doe mijn best om al mijn ochtendtaken af te werken, en, first things first, de blog neemt weer zodanig veel van mijn tijd in beslag, dat ik me tegen acht uur nog moet haasten om nog wat mogelijke hotels op te scharrelen voor volgende nacht. En dan nog scheren, en douchen, en kleden, en Frits staat al aan de deur te kloppen wijl ik haastig mijn kleren aantrek.

Het ontbijt kan niet wachten, want het moet nog besteld en klaargemaakt worden. We installeren ons in de restauranttuin onder een afkapping, maar nog net lurkend van de zoete zonnestralen die de ochtendfriste toch enigszins verzachten. We doen ons tegoed aan de eenvoudige tongstrelende geneugten welke ons voorgeschoteld worden, en verlaten na een half uurtje voldaan de tafel. Het ontbijt moet apart verrekend worden in het restaurant, en dat zorgt voor wat problemen, want teruggeven kunnen ze niet. Dan moet één van de vele kelners (er zijn er dubbel zoveel als gasten) dit maar even gaan wisselen.

Bij het verlaten van het stadje raakt Frits mij uit het oog, evenals de afspraak om terug te keren naar het punt waar we nog samen waren. Ik zie hem de verkeerde kant oprijden en blijf aan de kant van de weg wachten. Even later krijg ik dan een SMS-je van hem, beantwoord het, en wacht dan geduldig tot hij na een tijdje weer opduikt. Ik heb zulke toestanden nog meegemaakt in de tijd dat er nog geen GSM’s waren. Dat was andere koek!

Buiten de stad is het aangenaam fris rijden. Mooie wegen omzoomd met prachtige grote lentegroene bomen. De chauffeurs in dit land zijn relatief rustig in vergelijking met Georgië. Toch blijft het opletten, want er zitten toch nog enkele gekken tussen. Menig politieman aan de kant van de weg zwaait ons vriendelijk toe. Hier is het op en top ‘Easy-Riding’.

In Qabala stoppen we aan een theehuis, waar tientallen mannen aan tafeltjes buiten aan hun glazen theekopjes slobberen. We installeren ons ook aan een tafeltje en bestellen thee. Iedereen houdt ons in de gaten, wijl wij de motoren in de gaten houden. Een oudere man draait geïnteresseerd een tijdje omheen de motoren en komt dan op ons af. Hij ziet ons lachen naar hem, en installeert zich aan ons tafeltje. We laten de kelner komen en bieden de man thee aan. Hij begint te vertellen, in wat gebroken Engels, en wanneer hij niet verder kan, in het Russisch. Hij reist ook erg graag, en bezocht vroeger heel wat Russische steden. Nu is hij zeventig, heeft hij veel vrije tijd, maar als gepensioneerd leraar wiskunde ontvangt hij slechts een klein pensioen, niet voldoende om mee te reizen. Hij vraagt ons uit over de trip die wij maken, en staat dan plots op, gaat even naar zijn ouwe makkers aan een ander tafeltje om verslag uit te brengen, en enkele minuten later zijn alle ouwe rakkers verdwenen, vermoedelijk thuis gaan eten.

Wij vervolgen ook onze weg, die aanvankelijk nog langs de zuidelijke helling van de Kaukasus loopt, en uitzicht biedt op een enorme vlakte aan onze rechterkant. Na een tijdje loopt de weg over een bergkam die ons gedurende geruime tijd weidse zichten biedt over de omliggende streek, zowel links als rechts.

In Shamakhi houden we halt om te overnachten. Veel is hier niet te zien, maar er is een erg comfortabel hotel waar wij de enige gasten lijken te zijn.

We trekken nog even het stadje. De meeste huizen zijn ook hier goed onderhouden. Wat een verschil met het veel armere Georgië en Armenië. En dan nog in overweging nemen dat de meeste olie-inkomsten van dit land gaan naar de elite aan de top en naar prestigeprojecten. We worden bekeken maar ook vriendelijk begroet. Kinderen spreken ons spontaan aan met een ‘How are you’, soms onmiddellijk gevolgd door een uitdagende vraag naar ‘Money’. Ik heb de indruk dat jonge mensen bijna geen Russisch meer kunnen. Hun Engels is bovendien meestal schabouwelijk. Dat zegt wel iets over de kwaliteit van het onderwijs. We dalen de heuvel af waartegen het stadje gebouwd is en brengen een bezoek aan de Juma Moskee, daterend van 745, maar sedertdien veel verbouwd en herbouwd. Van buiten is de moskee enorm, maar sober.

Binnen zijn de plafondschilderingen imposant. Ik blijf maar even binnen, want er is een gebed aan de gang, met amper 5 gebedgangers, en een bewaker houdt ons van op afstand wantrouwig in de gaten. Het is hier momenteel Ramadan, maar veel hebben we hiervan nog niet gemerkt in deze overwegend musulmaanse samenleving, waar wijn, bier, en vertier vlot over de toogbank gaan, ook overdag.

We hebben op de terugweg naar het hotel nog even een ontmoeting met een jonge politieman en een vriend van hem. Ze kunnen beiden Russisch, maar de politieman spreekt zodanig snel dat ik hem niet kan volgen, en evenmin tracht hij goed te vatten wat ik hem met mijn gebrekkige Russische woordenschat tracht uit te leggen. Zijn vriend begrijpt mij wel en verduidelijkt dan. Maar toch gaat alles zo moeizaam dat we hen vriendelijk gedag zeggen en verder trekken, op zoek naar eten. Een restaurantje is moeilijk te vinden, maar op aanwijzingen van een oude man vinden we al gauw wat we zoeken. De uitbater verstaat blijkbaar geen Russisch; daarvoor is hij misschien te jong, en in plaats van water brengt hij twee potjes yoghurtdrank, die we dan maar opdrinken, in afwachting dat hij met het eten komt: doner, dit is een broodje gevuld met groenten en geroosterde snippers vlees. Ik kan hem toch duidelijk maken dat we ook water willen, in het Turks of Azeri: ‘su’.

Later op de avond, om 21u, krijg ik een bezorgd telefoontje van de receptionist dat er iets met de motoren is. Ik ga naar beneden. Het is beginnen regenen en de jonge nachtreceptionist is bezorgd dat de motoren nog buiten staan. Ik stel hem gerust, en zeg dat ze daar wel tegen bestand zijn.

 

Dag 56 (Vrijdag 24 mei 2019):

Shamakhi (AZ) – Bakoe (AZ)

Wat heb ik heerlijk geslapen. Dit was het beste bed en ook de beste nacht van de ganse reis tot nog toe. Dat mag ook wel, want het hotel heeft vijf sterren.

 

Het buffetontbijt wordt geserveerd op de 10e verdieping, met wijds uitzicht over de omgeving. Naar het Westen toe lijkt het of het hotel midden de weilanden staat. Aan personeel geen gebrek: er lopen vier jonge kelners rond die weinig werk hebben. Er zijn dan ook niet veel gasten. Misschien heeft de Ramadan hier dan toch iets mee te maken?

Aan de receptie ontmoeten we een groep Franse geologen die hier onderzoek doen naar de moddervulkanen, maar er tegelijkertijd wel een beetje een vakantie van maken. Het is hun laatste dag. Vandaag keren ze terug naar huis. Eerst nog even de kettingen van de motoren smeren, en de spanning een beetje bijstellen. We stappen de motoren op en verlaten het rustige stadje op zoek naar benzine. In een modern tankstation vinden we onze gading. De jonge vriendelijk pompbediende spreekt voor mij goed verstaanbaar Russisch. Dát moet hij toch op school geleerd hebben? Of is hij van Russische afkomst? We kunnen hier ook met de kaart betalen; we naderen de moderne hoofdstad Bakoe.

Het landschap wordt meer en meer leeg, en gaat dan al gauw over in een soort heuvelachtige woestijn, waar we nog nauwelijks kudden schapen of runderen zien. De weg wordt ook breder, en grote stukken zijn reeds omgevormd tot een moderne autosnelweg, met hier en daar toch nog wat primitieve afspanningen om te eten of koffie en thee te drinken. De politie ligt op de loer, en pikt er regelmatig één uit die aan de kant wordt gezet. Wijzelf rijden rustig en hebben tot nog toe geen last gehad van politie, integendeel.

We stoppen aan zo een oud caféetje, en bestellen elk een koffie, één zonder, en één met suiker. De vrouw vraagt of het van een zakje mag zijn, wat ik bevestigend antwoord. Wat later serveert ze ons twee mierzoete koffies mét melk, en zet er nog de pot met suiker bij. Ja, nu valt mij te binnen dat in Oost-Europa die zakjes ‘Nescafé’ ook meestal reeds melk en suiker bevatten.

We rijden dan weer verder door het woestijnlandschap, waar we dan een uurtje later steeds meer bebouwing zien opduiken. We naderen Bakoe, waar de helft van de bevolking van dit land leeft. De stad zelf is zeer groot, met veel hoogbouw. Aan de buitenrand van de stad is alles relatief nieuw, krotten zijn niet te zien. Het verkeer is dens, maar erg ordelijk en rustig zoals bij ons. Voor voetgangers op zebrapaden wordt netjes geremd. Er rijden heel erg weinig autowrakken rond.

Na even zoeken vinden we rond 14u het Renaissance Palace Hotel, een hotelletje dat Frits uitgezocht had. Het blijkt inderdaad een mooi comfortabel voor een heel redelijke prijs. We worden ontvangen als prinsen. De motoren gaan in een prachtige goed verlichte ondergrondse garage, waar geen vuiltje of olievlekje te zien is. We nemen onze intrek in de grote luxueuze kamers met een streepje uitzicht (bij Frits is dat streepje groter) uitzicht op de Kaspische Zee. Dit is het grootste meer ter wereld. Het is volledig afgesloten, waardoor het water enkel weg kan door verdamping en zout is, en dan nog steeds zouter wordt. Daarom wordt het de Kaspische ZEE genoemd.

Ik heb gemerkt dat het voorwiellager van mijn motor toch nog wat extra aandacht verdient. In het voorwiel zitten twee lagers. Door een stomme tegenslag is enkel het linker lager vervangen, wat aanvankelijk een voldoende oplossing leek. Ik merkte vandaag echter weer een licht schokkerig effect bij de laatste meter van het afremmen. En inderdaad, er is weer een heel lichte zijdelingse speling waarneembaar op het voorwiel. Het is een normale slijtage; de motor heeft immers reeds 110.000 km, waarvan toch heel wat op de slechte wegen van Oost-Europa en Zuid-Amerika. De lagers krijgen ook heel wat te verduren omdat ik de bandenspanning wat verhoogde om geen beschadiging van de velgen op te lopen in diepe putten of hoge verkeersdrempels. Gelukkig is de garage hier erg goed verlicht, en is de vloer om van te eten. Ik heb in Georgië en Armenië voor een prikje voldoende lagers van Japanse kwaliteit aangekocht om gans de reis veilig te zijn. Ik vraag aan de klusjesman van het hotel een hamer, want dat is het enige gereedschap dat ik niet bij me heb, en vervang het lager op amper drie kwartier. Oef! Dat scheelt mij al uren zoekwerk naar een geschikte motowerkplaats.

Ik ga nu met Frits op stap, richting oude stad.

Bakoe mag dan heel oud zijn, en de ommuring van de oude stad ook, binnen die oude stad zijn de meeste gebouwen toch niet ouder dan 200 jaar. De huizen zien er heel Europees uit, met toch hier en daar dat Oosters of Turks accentje.

We gaan op zoek naar een restaurantje met terras, en vinden na wat zoeken onze gading, een terras op het derde verdiep, waar we een prachtig uitzicht hebben op de oude stad, de Kaspische Zee, en op enkele moderne gebouwen, die de zó typische skyline van Bakoe vormen.

Komt daarbij nog het lekkere eten, inktkip met pilafrijst in een bladerdeegkorst, en we kunnen gerust stellen dat dit dé beste/mooiste maaltijd was van onze reis tot nog toe.

Dan weer een paar kilometer terug naar het hotel, te voet, de heuvel op. Het is warm en zwoel. We doorkruisen hier een stuk van de stad welke zijn eigen gezapige leventje leidt, los van de schaarse toeristen.

Het zou wel eens kunnen gaan regenen. Is het door het eten, of is het door de wandeling, maar eens in de hotelkamer ben ik blij dat ik mij mag neervlijen op mijn bed.

 

Dag 57 (Zaterdag 25 mei 2019):

Vrije dag in Bakoe (AZ)

Dit mag dan wel weer een luxehotel zijn, maar het bed is te hard voor mij. Ik word voortdurend wakker van het ongemak en moet mij steeds anders leggen. Mogelijk heeft het ook wel iets te maken met het voorovergebogen werk aan de motor gisteren. Ik sta dan ook pas laat op, en kom traag tot mijn positieven. Vandaag gelukkig geen haast. Het lijkt ideaal weer buiten: een lichte sluiering van de hemel, en de zon die er met moeite doorbreekt.

Het ontbijtbuffet is hier echt uitgebreid en gevarieerd.

We laten ons door een taxi voeren naar de ‘ticket office’ in de haven. De oude taxichauffeur is een gepensioneerde van 66 jaar, die wat bijklust omdat zijn pensioentje heel erg mager is. Hij vertelt in lovende bewoordingen honderduit over zijn stad, die de laatste 60 jaar steeds maar mooier en groter geworden is. De taxi zet ons af aan de ferry-haven en we stellen daar vast dat er geen kantoor meer is. In het Port Hotel vertelt men dat er geen boten meer vertrekken vanuit Bakoe zelf naar Turkmenistan. Alle scheepsverkeer zou nu gebeuren vanuit Alat, 80 kilometer meer zuidwaarts. Toch nog eens informeren bij iemand anders in de cafetaria, maar die vertelt net hetzelfde.

Op de plaats van de ferry terminal verschijnen enorme glazen wolkenkrabbers in de vorm van gigantische glazen zeilen.

We keren dan maar onverrichterzake terug, op het gemakje langsheen de kustpromenade. De kuststrook is een breed park, heel erg goed onderhouden. Van hier uit heb je de mooiste uitzichten over de hoge skyline van de stad met hier en daar heel bijzondere gebouwen.

Er is weinig zon, maar de lucht is warm en zwoel, nu en dan aangenaam afgewisseld met een frissere zeebries.

De drie Flaming Towers zijn hét uithangbord van Bakoe. Vooral ´s nachts vanop zee moeten ze indrukwekkend zijn.

Na die uitgebreide stadswandeling keren we terug naar het hotel, en vragen de receptionist om telefonisch contact op te nemen met de ticket office in Alat. We overwegen om er ´s anderendaags heen te rijden, maar zien daar uiteindelijk toch van af omdat het ticket ook nog op het laatste moment gekocht kan worden. Het is vooral belangrijk om in de gaten te houden wanneer een boot aankomt. Van zodra hij dan vol is vertrekt hij weer, en dat alles zonder vast schema.

In de namiddag rust ik wat uit en laad wat foto´s op in de blog, om dan wat later samen weer op stap te gaan, ditmaal in een gans andere richting. In een groot deel van de stad, net naast ons hotel, werden krottenwijken met de grond gelijk gemaakt en worden grote parken aangelegd, met brede wandelpaden en terrassen. We kunnen ons zodoende te voet over een grote afstand verplaatsen zonder enige hinder van het verkeer. Zelfs het geluid van het verkeer is vanuit het park amper merkbaar. Vervolgens passeren we doorheen een drukke buurt met vele eetgelegenheden, van eenvoudig tot duur en gesofisticeerd.

Ik loop ook nog even een Russisch-orthodoxe kerk binnen met een grote binnenplaats en grote affiches. Het lijkt er wel op dat er hier nog een belangrijke Russische gemeenschap leeft.

Op aanraden van Zamira, een Azerbeidzjaanse kennis van Frits, die uitgeweken is naar Nederland, gaan we op zoek naar het ‘beste’ restaurant van de stad, Feruze, gelegen aan het fonteinenplein, te midden van de Sushi, KFC, McDonalds, en Pizza Hut kermis. Het eten is verzorgd en lekker.

We keren in het donker terug naar het hotel, en zien de drie torens nu eens écht vlammen.

 

Dag 58 (Zondag 26 mei 2019):

Vrije dag in Bakoe (AZ)

Zondag is rustdag. We proberen nog te genieten van de laatste dagen die we in comfortabele omstandigheden zullen doorbrengen in de meest zuidoostelijke uithoek van Europa. Aan de overzijde van de Kaspische Zee ligt Verweggistan, een verzameling Centraal-Aziatische landen, welke tot 30 jaar terug hoorden bij de Sovjet-Unie, maar nu elk hun eigen(zinnige) koers varen. In dit hotel mogen we nog blijven tot 28 mei. Het is dan Dag van de Republiek, en ook de vooravond van een belangrijke voetbalmatch, waarbij de hotels volgeboekt zijn en de hotelprijzen de pan uit swingen tot vier maal de normale prijs.

De boot welke ons naar Turkmenistan zal brengen vaart telkens af wanneer hij vol is. Er is geen vast schema. In Turkmenistan mag de boot pas aanmeren wanneer er plaats is in de haven. Dit betekent dat we niet weten wanneer we gaan afvaren, en zelfs wanneer we voor de kust van Turkmenistan liggen weten we nog niet wanneer we voet aan wal gaan zetten. Wij mogen omwille van het visum echter pas op 31 mei Turkmenistan binnen. Aldaar wacht een gids op ons, want een toeristenvisum krijg je naar aloude Sovjet-Russische traditie enkel als je ook een plaatselijke gids hebt. (Herinneren jullie je het liedje ‘Nathalie’ van Gilbert Becaud nog?)

Dus nu probeer ik eerst een hotel te vinden in de buurt van Alat, 70 kilometer ten zuiden van Bakoe, de haven van waaruit onze boot naar Turkmenistan zal vertrekken. We kunnen daar dan dagelijks checken wanneer een boot aankomt, zodat we de eerste boot kunnen nemen welke vertrekt vanaf 30 mei.

Ik krijg een berichtje van Elsie, die momenteel ook in Bakoe is, samen met Kevin, de Duitser die we enkele weken terug ontmoetten in het Guesthouse bij Stefano, in Tbilisi. Kevin is vandaag met enkele Russische kameraden op uitstap. Elsie vraagt of we zin hebben samen eens een rondrit te maken op het schiereiland Absheron dat het hinterland vormt achter Bakoe, en dat in feite bestaat uit ´bidonvilles’ en oliewinningsvelden. We spreken af om 13u aan ons hotel.

Om 11u ga ik nog eerst voorraden opslaan in het lokale supermarktje. Zo zal ik de komende dagen niet verhongeren indien ik ergens langdurig vast zit, zij het in de haven, de grenspost of de boot.

Om 13u is Elsie er op de motor. We rijden de stad uit, rijden eerst doorheen de blitse moderne stad, maar dan ook langsheen de minder fraaie wijken, waar zand en stof speelbal zijn van de sterke zeewind die hier vaak blaast. Krottenwijken wisselen af met moderne villawijken. Het strand is verlaten, op enkele hengelaars na. Het is zondag, maar er is geen enkel kind aan het strand te bespeuren. We stoppen aan een strandpaviljoen voor de namiddagthee met wat eenvoudige versnaperingen. We zijn de enige klanten.

We rijden verder naar Yanar Dag. We passeren vele honderden kleine boorinstallaties met ja-knikkertjes. Yanar Dag is een natuurlijke aardgasbron die daar al aan het branden is sedert de oudheid. Het is een soort toeristische attractie, en de top van de heuvel biedt uitzicht over een groot deel van het schiereiland. Azerbeidzjan ontleent hieraan zijn naam als ‘land van vuur’.

In de verte, richting Bakoe, wordt de hemel donker en dreigend. En ja, de terugrit naar het hotel verloopt in een lichte regen, met gevaarlijk gladde wegen tot gevolg wat mij noopt tot veilig afstand houden van de voertuigen vóór mij. We nemen afscheid van Elsie. Het is weinig waarschijnlijk dat we haar nog ontmoeten in de komende landen en maanden, want zij volgt een heel andere route en kalender.

Om halfzeven gaan we dineren in restaurant Nane, dichtbij het hotel. We eten er een lekkere ‘pide’ met een slaatje.

 

Dag 59 (Maandag 27 mei 2019):

Vrije dag in Bakoe (AZ)

Deze voormiddag worden Frits en ik geïnterviewd door BBC Azerbeidzjan, over onze reis langsheen de Zijderoute.

We ontbijten iets vroeger, en staan klaar even vóór 9u. De journalist is er stipt om 9u, en samen, wij op de motor, hij in een taxi, rijden we naar de buurt van de Flaming Towers, voor interview en fotoshoot. Er staat een stevige zeebries, wat de opnames er niet gemakkelijker op maakt.

Komt op Youtube. Wait and see. De journalist blijft na het interview nog even wat vertellen over zijn job, en de problemen die hij ondervindt om te werken in zijn land. Hij wil met zijn reprotage aantonen dat er naast de druk bezochte voetbalwedstrijd van morgen nog andere goede redenen zijn om dit land een bezoekje te brengen. Voor ons is de belangrijkste reden een niet al te moeilijke passage richting Turkmenistan, en het bezoekje aan Azerbeidjan en  Bakoe is mooi meegenomen.

We keren terug naar het hotel, en houden er ons wat bezig tot twaalf uur.

Nu opnieuw naar de oude stad, want die hebben we nog niet grondig bezocht. Heel bijzonder is dat we hier in het oudste deel van de binnenstad een hele reeks karavanserais aantreffen. Deze stad moet dan toch een heel belangrijk knooppunt geweest zijn op de zijderoute, een echte overgang tussen oost en west, net zoals voor ons. De gebouwen zijn mooi gerestaureerd, meestal als restaurant ingericht, het ene al meer geslaagd dan het andere, maar ja, smaken verschillen. Belangrijk is, vind ik, dat de gebouwen leven, en opnieuw een ontmoetingsplaats vormen tussen mensen van over heel de wereld.

Nu pas maak ik mij de bedenking dat ook de guesthouses waar wij soms verblijven, meer nog dan de hotels, een soort kleine hedendaagse karavanserais zijn, waar reizigers elkaar ontmoeten, en ervaringen uitwisselen. Ik zal van het verblijf aldaar vanaf nu des te intenser proeven en proberen te genieten.

We lopen steegje in en steegje uit.

Op een bepaald moment loopt een steeg dood in de achterkoer van een klein huisje. We keren terug, maar een politieman die er net aankomt ziet dit en lacht, en neemt ons weer mee, het steegje verder in, over dat achterkoertje, onder de was die hangt te drogen, weer een nog nauwer steegje in, tot we net aanbelanden waar we moeten zijn: het paleis van Shirvan Shah.

Frits heeft het wel gehad, en installeert zich op een bankje in de schaduw in een parkje. Ikzelf begin aan het bezoek van het paleis.

Het Shirvan Shah Paleis werd in de 15e eeuw gebouwd toen Bakoe hoofdstad werd na de aardbeving en verwoesting van de toenmalige hoofdstad Shamakhi. Het paleis heeft slechts pakweg gedurende een eeuw voorspoed gekend, maar werd dan verwoest en geplunderd.

Het is nu prachtig maar heel sober gerestaureerd, en doet dienst als historisch en etnografisch museum. Het is allemaal heel mooi opgezet en bovendien aangenaam koel, zodat ik me gedurende geruime tijd kan bezighouden.

Daarna keren we terug richting hotel. Er is altijd wat te zien onderweg.

Ik maak tenslotte toch nog even een zijsprongetje, alleen ditmaal, en bezoek de Taza Pir Moskee. Deze moskee werd honderd jaar terug gebouwd net vóór het ontstaan van de Sovjetunie, was slechts drie jaar in gebruik, en werd dan tientallen jaren gebruikt als stal of als cinemazaal, tot het gebouw in 1943 weer als moskee kon functioneren. Het gebouw is een opvallende verschijning aan de buitenkant, en gelegen aan het uiteinde van het nieuwe enorme park dat hier aangelegd wordt, hetgeen mij nu net aangetrokken heeft.

Ik ga naar de moskee toe, en merk dat er net wat gebeden aan de gang zijn. Een oude man gebaart zonder woorden om nader te komen en mijn schoenen uit te doen, en stuurt mij dan de moskee binnen.

De enorme ruimte is totaal verlaten, op drie zingend biddende oude mannen na. De gebedsruimte is enorm groot, bijna rond, met prachtige muur en plafondschilderingen.

Bij het verlaten van de moskee duwt de oude man mij nog een spek in de handen en probeert iets te zeggen. Nu merk ik pas dat hij niet meer kan spreken. Ik denk hierbij aan mijn eigen ouder wordende vader, die het ook steeds moeilijker krijgt om zich verstaanbaar te maken, maar mij nog steeds dagelijks via deze blog op de voeten volgt.

Ik keer terug naar het hotel, waar ik met Frits nog enkele voorbereidingen tref voor de komende weken nu we nog een goede internetverbinding hebben: kaarten downloaden voor de GPS, een hotelletje boeken in Dushanbe voor vier personen, benzinevoorzieningspunten onderweg opzoeken.

Om zes uur gaan we weer eten. De kebab, met rijst en een gemengd slaatje, smaakt erg lekker.

 

Dag 60 (Dinsdag 28 mei 2019):

Bakoe (AZ) – Alat (AZ)

Vandaag is het Nationale Feestdag in Azerbeidzjan. 101 Jaar terug werd de onafhankelijkheid uitgeroepen. Die was van korte duur, gezien het land in 1920 werd geannexeerd door de Sovjetunie. Bij het uiteenvallen van de Sovjetunie herwon het land vanzelf zijn onafhankelijkheid. Het land heeft geen officiële staatsgodsdienst, hoewel de overgrote meerderheid van de bevolking moslim is. Dat laatste moet toch wel gerelativeerd worden, gezien wij op onze doortocht door dit land weinig moskeeën gezien hebben, dat die dan ook nog altijd quasi verlaten waren, en dat wij bij de bevolking geen tekenen waargenomen hebben van massale of intense religieuze beleving. De muezzin heeft mij dan ook maar 1 maal wakker gemaakt.

Deze nacht was er wel wat lawaai in het hotel. Rond drie uur werd ik verschillende malen gewekt door gasten die met valiezen door de gang rolden. Waren het vertrekkende gasten, of aankomende voetbalfans? In denk eerder het laatste, gezien ik in de verte nog gebral en gelal kon waarnemen. Ik prijs me gelukkig dat we hier geen nacht langer kunnen blijven.

Het is mooi weer, licht en hoog bewolkt, voldoende om de temperaturen niet te hoog te doen oplopen. We verlaten vandaag het hotel, om ons te installeren in een hotel in Alat, 70 kilometer zuidwaarts, net naast de ferryterminal. We hopen donderdag of vrijdag een boot te kunnen nemen naar Túrkmenbashi.

Na het ontbijt nemen we al onze tijd om ons klaar te maken, en vertrekken even na 10 uur. Door de feestdag is de drukte in de stad nog beperkt, zodat we snel en zonder verkeerd te rijden de stad achter ons kunnen laten. Onderweg proberen we nog even Kevin en Elsie te ontmoeten, die samen in een Guesthouse onderweg zitten te wachten om een boot naar Kazachstan te nemen. De eigenaar van het Guesthouse vertelt ons dat ze gisteren in allerijl vertrokken zijn toen ze hoorden dat ze nog diezelfde dag de boot konden nemen. Hij biedt ons thee aan en toont ons de nieuwe kamers die hij net toegevoegd heeft.

We rijden verder en bereiken even later Alat, waar we eerst de ferryterminal opzoeken. Morgen vertrekt er een boot naar Turkmenistan, maar dat is net te vroeg voor ons. We zullen de volgende moeten nemen, hopelijk donderdag of vrijdag.

Nu op naar het hotel, van ver herkenbaar aan het knallend blauwe dak.

Het hotel heeft een grote binnenkoer en is volledig ommuurd. We worden binnengelaten via een grote zware metalen poort, en zien op de parking een 1200 GS staan, iets jonger dan de mijne, die thuis geduldig op stal staat. We nemen onze intrek en betalen in dollars, want we hebben niet genoeg manaten meer. Even later ontmoeten we de eigenaar van de GS, een Duitser uit Stuttgart, iets jonger dan wij schat ik. Hij neemt morgen de boot naar Türkmenbashi.

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, lucht, motor, wolk, boom, buiten en natuur

We nemen het middagmaal in het restaurantje van het hotel: kip, aardappelen en een gemengde sla, voor de verandering.

Ik vermoed dat dit het echte einde wordt van onze reis doorheen Europa tot aan de poorten van het verre Azië. We hebben er precies zestig dagen op zitten, en hebben bijna tienduizend kilometer afgelegd in 17 landen.

Net op het kantelpunt van de reis verschijnt ook het BBC-programma waarin onze reis aan de Azeiri´s wordt voorgesteld. Aanleiding om het toerisme in Azerbeidzjan eens anders te belichten tegenover de komst van veel buitenlanders voor de voetbalmatch in Baku tussen twee Engelse clubs.

Video BBC-Azerbeidzjan

“Bu günlərdə Bakıya üz tutan turistlər arasında futbol azarkeşlərindən fərqli iki səyahətçi də var. Onlar tarixi İpək yolu üzrə motosikletlə hərəkət edən iki avropalı təqaüdçüdür. 66 yaşlı Frederik Bruins Hollandiyanın kiçik Leyden şəhərindəndir. O, Belçikalı dostu 62 yaşlı Alain van Hevele ilə uzun moto yürüşə çıxıb. Onlar 60 gündən çoxdur ki, bu səfərə çıxıblar.”

 

“There are two other tourists who have come to Baku these days, which are different from football fans. They are two European retirees traveling on a motorcycle on the Silk Road. 66-year-old Frederick Bruins is from the small Dutch city of Leiden. He has a long bike ride with a Belgian friend, 62-year-old Alain van Hevele. They have been on this trip for about 60 days.”

 

 

Dag 61 (Woensdag 29 mei 2019):

Vrije dag in Alat (AZ)

Na een goede nacht redelijk vroeg wakker. Het wordt vandaag een lange dag, want we moeten nergens meer heen. Het is nu wachten tot een geschikte boot komt aanmeren in de haven en ons dan ten vroegste vrijdag Turkmenistan binnenvoert. Ondertussen start ik met kleine karweitjes die anders makkelijk uitgesteld worden: laarzen poetsen, kledij wassen, bagage herschikken. Dat laatste wordt wel belangrijk aangezien de meeste bagage tijdens de overtocht op de motor zal blijven en gans die tijd niet beschikbaar is.

Even voor zeven uur hoor ik een motor starten. Het is de Duitser die vandaag reeds de overtocht maakt naar Turkmenistan. Het wordt vandaag voor hem ook een lange dag, want hij mag de boot slechts op wanneer alle zware vracht geladen is.

Net vóór het ontbijt komt ontmoet ik ook de fietser die hier gisteravond nog aangekomen is. Het is een Engelman die de wereld rondfietst op zeven maanden tijd. Hij rijdt tot Shangaï, waarna hij doorreist naar Australië, en vervolgens de VS zal oversteken van West naar Oost. Hij heeft een minimum aan bagage bij zich. We zien hem wegrijden en gaan zelf rustig ontbijten.

Daarna ga ik nog wat werken aan mijn foto’s en video’s, en herschik ik de bagage in de motokoffer.

Rond drie uur gaan we toch nog een uitstapje maken op de motor. Eerst passeren we nog eens langs de toegangspoort naar de haven en vragen naar het vaarschema van de boten naar Turkmenistan. We vernemen dat er morgen een boot zou vertrekken. Morgen om tien uur weten we meer. We nemen een theetje in een primitief restaurantje naast de snelweg.

Een vijftal kilometer verder zijn er moddervulkanen. We rijden een hoge heuvel op en zien op de top tientallen bulten opgedroogde modder.

Op de top van zo een bult, die makkelijk enkele meters hoog is, is een krater gevuld met opborrelende modder. Deze modder vloeit dan naar beneden en droogt ondertussen op, zodat iets ontstaat wat op een vulkaanberg lijkt. Hetgeen naar boven borrelt is een mengsel van vaste bestanddelen en water, de modder dus, en daarbij nog een gas, waarschijnlijk methaan, dat alles naar boven stuwt. Bouw daar nu eens een hotel overheen, en je hebt een kuuroord waar mensen hun reuma kwijtraken en dertig jaar verjongen. Mooi om eens te zien. We zijn hier niet de enige toeristen. Heel wat jongeren, vooral buitenlanders, hangen hier ook wat rond en schieten tientallen plaatjes op deze magische plek.

Daarna doen we nog wat inkopen in het dorpje Alat zelf, naast de haven. We zijn net getuigen van een ruzie tussen taxichauffeurs, waarvan er nu misschien toch wat teveel zijn voor dit kleine dorpje. De gemoedeen lopen hoog op, en we blijven op veilige afstand. Aangezien het ondertussen vijf uur geworden is gaan we vervolgens gaan eten in een restaurant naast de grote weg. (Dat was toch alweer niets om over naar huis te schrijven).

In het hotel aangekomen zien we de fiets van de Brit die deze morgen vertrok naar de haven. Hij had geen geluk vandaag. Er was nog geen boot.

’s Avonds komen in het hotel nog twee Italiaanse fietsers aan. Hun elektrische fiets trekt een aanhangwagentje met zonnepaneel. Zo slagen ze er in tot 200km per dag af te leggen.

 

Dag 62 (Donderdag 30 mei 2019):

Alat (AZ) – Türkmenbashi? (TM)

Van ´s morgens vroeg ben ik al in de weer om de bagage klaar te maken voor de overtocht, en allerlei informatie op te zoeken op internet, wat misschien niet meer mogelijk zijn in Turkmenistan, door slechte internetverbindingen, of verbod tot toegang tot bepaalde informatie op internet.

Wij zitten hier dus nog steeds in dit primitieve hotelletje dicht bij de haven van Alat (Baku International Sea Port). Ik heb al mijn bagage zodanig geschikt dat ik het een tijdje in de haven of op de boot kan uithouden zonder het gros van mijn bagage welke op de moto blijft. We weten nog niet met zekerheid of we vandaag zullen kunnen vertrekken. Hoe langer jullie niet meer van ons horen, hoe beter. Dat betekent dat we onderweg zijn naar Turkmenistan.

Wanneer we gaan ontbijten even na achten is de Brit op de fiets verdwenen. Hopelijk zien we hem niet terug, want dat betekent dat hij een plaatsje op een boot bemachtigd heeft. Het ontbijt is identiek aan dat van gisteren, en van het soort dat na een tijdje toch gaat tegensteken. Eén verschil: ze hebben in plaats van thee koffie met melk en suiker gebracht, ja, van dat zoete spul uit een zakje.

Om tien uur vertrekken Frits en ik dan naar de haven, om tickets te kopen of te reserveren. Ditmaal krijgen we de juiste persoon te pakken, een jongeman die toch nog redelijk Engels spreekt. Toch is het opletten geblazen, want hij heeft het steeds maar over twee mogelijke boten, een Azerbeidzjaanse, en een Turkmeense. Die laatste is een relatief nieuw en erg modern schip, maar vertrekt ergens de komende dagen, zeker niet vandaag. Vandaag vertrekt wel een oud Azerbeidzjaans cargoschip, dat trager vaart, maar nog vandaag zou vertrekken. Niets is echter zeker, en we spreken af dat de jongeman ons zal opbellen.

We keren terug naar het hotel, enigszins bedompt door de onzekerheid waar we nog steeds in verkeren. Ik werk wat op mijn PC om de tijd te doden, en dat komt plots om halftwaalf een telefoontje van de haven: er ligt een schip klaar om te vertrekken naar Türkmenbashi, en we mogen ons om 12u aanbieden aan de ticket office. We rapen al onze spullen bij elkaar, laden ze op de motor, en vertrekken reeds naar de haven, het hotel hopelijk definitief achter ons latend.

We zijn natuurlijk een uur te vroeg, en het begint nog net goed te regenen. We vinden gelukkig een schuilplaats tegen regen en wind, en wachten geduldig tot we de haven binnen mogen om ons biljet te kopen. Een koppel Turken, een man en een vrouw, elk op een motor, passeren hier ook net. Ze gaan ongeveer dezelfde reis maken als wij, ook via Verweggistan naar Mongolië, met dat verschil, dat ze nu de boot nemen naar Kazachstan, om van daaruit naar Oezbekistan te rijden. Misschien komen we hen nog wel eens tegen onderweg.

Om 13u gaat de slagboom open en rijden we het enorme terrein op, op zoek naar de jonge man die ons opwacht om ons de juiste instructies te geven. Een half uurtje later zijn we voorzien van een biljet, en elk 175 dollar armer.

Dan moeten we alle grensformaliteiten doorlopen om het land te mogen verlaten, en vervolgens de boot op te mogen. Controles, controles, herhaalde hercontroles, soms door dezelfde persoon. En dan staan we daar ineens om 14u met de motoren op een totaal lege kade naast het schip dat vermeld staat op ons passagebiljet, de Bastakar Fikrat Amirov, een schip van vermoedelijk 50 jaar oud, maar met een gedegen staat van dienst. Het schip ligt niet diep in het water, dus is het nog leeg. Een kleine deur met loopbrug staat open, en een man houdt de wacht. We mogen nog niet op het schip. De kapitein moet hiertoe toestemming geven. Na enige tijd komt een man van de douane opnieuw ons paspoort controleren, en vraagt naar ons visum. Ik toon hem de uitnodigingsbrief van de Turkmeense Migratiedienst, waarna hij telefonerend weg stapt. Enkele minuten later komt hij weer terug, en vraagt nogmaals onze paspoorten en de uitnodigingsbrief. Opnieuw onderwerpt hij de documenten aan een nauwkeurig onderzoek. Hij zegt mij dat de documenten allemaal in orde zijn en dat we mogen vertrekken. Dat laatste is wel veel gezegd, want we mogen nog steeds niet het schip op.

Het wordt drie uur… en dan vier uur… Ondertussen is een koppel Turkmenen, die te voet zijn, wel al aan boord gegaan. En wat later mogen ook wij aan boord gaan, onze cabine betrekken, maar de motoren blijven op de kade. We krijgen een cabine met zes britsen ter onzer beschikking. Hopelijk komen er geen mensen meer bij… Er is een lavabo in de cabine, maar het toilet is op de gang. Ik treed niet teveel in details, maar ik kan gerust zeggen dat ik dit wel zal overleven.

Ik ga nu en dan een praatje slaan met de bewaker, die ondertussen vervangen is door een andere, iets ouder, iets geklappiger. Ik krijg te horen dat er een computerprobleem is bij de douane, en dat daardoor de vrachtwagens nog niet kunnen geladen worden. En onze motoren moeten er als laatste op (en kunnen er dan hopelijk als eerste af). Hij vertelt mij ook dat hij in Agarat woont, net tegen de Iraanse grens. Hij werkt vier maanden aan een stuk, en dan pas kan hij eens naar huis. Ik vergat hem te vragen hoelang.

De maaltijden zijn inbegrepen in de overtocht, dus worden we om halfacht uitgenodigd om te komen eten. De maaltijden zijn primitief, maar goed klaargemaakt: scheepskost. Dan volgt het lange wachten op de komst van de vrachtwagens.

Om 22u is het zo ver, de eerste vrachtwagens komen er aan, met mondjesmaat. Onze motoren kunnen er uiteindelijk op na middernacht. Ik plaats de motor aan de zijkant van het ruim en maak hem zelf zodanig vast dat er geen schurende koorden schade kunnen aanrichten. Om 1u ´s nachts kunnen we uiteindelijk gaan slapen.

 

Dag 62 (Vrijdag 30 mei 2019):

Ergens op de Kaspische Zee (AZ à TM)

 

Midden in de nacht, ik ben net in slaap gesukkeld, worden we gewekt. We moeten onze paspoorten afgeven aan de kapitein. Wij waren hiervan op voorhand verwittigd, maar niet dat dit ´s nachts zou gebeuren. Kortom, deze nacht is van slapen niet veel in huis gekomen.

Om halfacht worden we gewekt voor het ontbijt. Scheepskost.

De boot is enkele uren geleden vertrokken. Hij moet een afstand van driehonderd kilometer overbruggen, en vaart vermoedelijk ongeveer 15 kilometer per uur. Ondertussen wat op en neer het dek, wat op computer werken, en nu en dan een dutje.

Om elf uur komt het middagmaal er reeds aan. Scheepskost. Frits heeft geen honger.

Daarna wat op en neer het dek, wat op computer werken, en nu en dan een dutje.

Om halfacht ´s avonds avondmaal, opnieuw scheepskost, welke ik mij toch laat smaken. We krijgen te horen dat we binnen een vijftal uur in Türkmenbashi aankomen. Betekent dat dan ook dat we midden in de nacht op de kade zullen terechtkomen?

Het is nu bijna halfnegen. Mijn spullen liggen klaar om snel bij elkaar te grabbelen. Ik ga ook slapen; Frits is al onder zeil.

 

Ook de komende weken zullen vermoedelijk in redelijke verwarring verlopen. We staan voor een groot deel in het ongewisse waar we zullen slapen, wat we zullen te eten vinden, en of we zullen kunnen communiceren met de buitenwereld of het thuisfront.